Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA8838

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-06-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 00/4473
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te 's-Hertogenbosch

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

--------------------------------

Uitspraak

--------------------------------

AWB 00/4473 V3

Uitspraak van de rechtbank ingevolge artikel 34a juncto artikel 34j van de Vreemdelingenwet (Vw) in het geschil tussen:

A, volgens zijn verklaring geboren op [...] 1968 en van Algerijnse nationaliteit, thans verblijvende in het Justitieel Complex Koning Willem II te Tilburg, hierna te noemen de vreemdeling

en

de Staatssecretaris van Justitie, hierna te noemen: verweerder.

Zitting: 27 juni 2000.

De vreemdeling is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. R.J.E.M. van den Toorn, kantoorgenoot van zijn gemachtigde mr. S.A.M. Fikken, advocaat te Made.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde mr. P. van Zijl.

Als tolk was aanwezig A. El Arbi.

I. PROCESVERLOOP

Bij bevel tot bewaring van 17 mei 2000 is de vreemdeling op grond van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a van de Vreemdelingenwet (Vw) op 18 mei 2000 in bewaring gesteld, terwijl op 17 mei 2000 zijn uitzetting is gelast.

Bij kennisgeving ex artikel 86 Vreemdelingenbesluit van 14 juni 2000, op diezelfde datum ontvangen ter griffie van de rechtbank, heeft verweerder bericht dat de vreemdeling sedert vier weken in bewaring verblijft zonder beroep te

hebben ingesteld tegen de maatregel tot bewaring. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een eerste beroep als bedoeld in artikel 34a, tweede lid van de Vw.

II. OVERWEGINGEN

Namens de vreemdeling is aangevoerd dat verweerder onvoldoende

voortvarend heeft gehandeld, nu verweerder eerst tegen het einde van de strafrechtelijke detentie maatregelen heeft genomen ter fine van uitzetting. Voorts is namens de vreemdeling om schadevergoeding verzocht.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank is allereerst van oordeel dat de inbewaringstelling op een juiste grondslag berust.

De vreemdeling beschikt immers niet over een geldige titel tot verblijf en evenmin over geldige identiteitspapieren of voldoende middelen van bestaan. Voorts heeft de vreemdeling geen vaste woon- of verblijfplaats.

Daarenboven heeft de vreemdeling, door gebruik te maken van een alias, te weten B, geboren op [...] 1971, onjuiste, althans

tegenstrijdige informatie ten aanzien van zijn identiteit gegeven. Op grond van deze omstandigheden is er naar het oordeel van de rechtbank voldoende grond te concluderen dat er een ernstig vermoeden bestaat dat de vreemdeling zich

aan zijn uitzetting zal onttrekken.

Bovendien is de vreemdeling in april 1997 ongewenst verklaard en heeft hij, blijkens de gegevens van de herkenningsdienst van de Regiopolitie Rotterdam, de volgende strafrechtelijke antecedenten: overtreding van artikel 312 Wetboek

van Strafrecht (WvSr), artikel 180 WvSr, artikel 285 WvSr, artikel 300 WvSr, artikel 311 WvSr en artikel 302 WvSr.

Naar het oordeel van de rechtbank leveren de strafbare feiten een aanmerkelijke inbreuk op de openbare orde op, zoals bedoeld in artikel

26 van de Vw. De rechtbank onderschrijft dan ook het standpunt van verweerder dat het belang van de openbare orde de bewaring van de vreemdeling vordert.

Ingevolge het bepaalde in hoofdstuk A6 onder 9.9 van de Vreemdelingencirculaire dient de korpschef zo nodig tijdens de strafrechtelijke detentie voorbereidingen en maatregelen te nemen, welke ertoe leiden dat de vreemdeling zo snel

mogelijk na zijn ontslag uit de inrichting uit Nederland wordt verwijderd, zodat voorkomen wordt dat de vreemdeling, na expiratie van zijn straf, krachtens de bepalingen van de Vw in bewaring moet worden gesteld. In het onderhavige

geval heeft verweerder ongeveer één maand voor het einde van de strafrechtelijke detentie de eerste maatregel genomen om tot uitzetting van de vreemdeling over te kunnen gaan.

Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de vreemdeling bij zijn aanhouding in het bezit was van een Algerijns paspoort, geldig tot 1999. Verweerder kon er derhalve van uitgaan dat de uitzetting in het

onderhavige geval voorspoedig zou verlopen. Gelet op het vorenoverwogene en met name gelet op het feit dat de vreemdeling in het bezit was van een (verlopen) Algerijns paspoort, is de rechtbank van oordeel dat verweerder gedurende

de strafrechtelijke detentie met voldoende voortvarendheid de verwijdering van de vreemdeling ter hand heeft genomen.

De vreemdeling is op 20 april 2000 gelicht voor een presentatie bij de Algerijnse autoriteiten. De vreemdeling weigerde hieraan mee te werken.

Vervolgens is de vreemdeling op 25 april 2000 geclaimd bij de Franse autoriteiten. Op 16 mei 2000 gaven de Franse autoriteiten te kennen dat de claim niet kon worden gehonoreerd. Hierop zijn de Algerijnse autoriteiten op verzoek van

verweerder op 23 juni 2000 een onderzoek begonnen naar aanleiding van een kopie van het (verlopen) paspoort van de vreemdeling. Verweerder verwacht binnen enkele maanden een reactie.

Gelet hierop bestaat er naar het oordeel van de rechtbank vooralsnog voldoende zicht op uitzetting en kan niet worden gesteld dat verweerder onvoldoende voortvarend aan de uitzetting werkt.

Ook overigens is de rechtbank van oordeel, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de bewaring niet in strijd is met de Vw en evenmin bij afweging van alle daarbij betrokken

belangen in redelijkheid ongerechtvaardigd is te achten.

Het namens de vreemdeling ingediende verzoek om schadevergoeding zal worden afgewezen, nu in gevolge artikel 34j van de Vw een dergelijk verzoek slechts kan worden toegewezen indien de rechtbank de opheffing van de bewaring beveelt,

hetgeen in casu niet het geval is.

Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.

Mitsdien wordt als volgt beslist.

III. BESLISSING

De rechtbank,

verklaart het beroep gericht tegen de bewaring ongegrond;

wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus gewezen door mr. L.C. Michon als rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.Th. Lenting als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2000.

Mr. J.Th. Lenting is buiten staat deze uitspraak te ondertekenen.

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage, voorzover het betreft de beslissing inzake schadevergoeding.

Verweerder kan binnen veertien dagen na de uitspraak en de vreemdeling binnen een maand na de betekening van de uitspraak hoger beroep instellen door het indienen van een verklaring als bedoeld in de artikelen 449 en 451a van het

Wetboek van Strafvordering bij de Arrondissementsrechtbank te

's-Gravenhage (zittingplaats: 's-Hertogenbosch).

Afschriften verzonden: 13 juli 2000

IS