Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA8837

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-06-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 00/4426
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te 's-Hertogenbosch

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

--------------------------------

Uitspraak

--------------------------------

AWB 00/4426 V3

Uitspraak van de rechtbank ingevolge artikel 34a van de Vreemdelingenwet (Vw) in het geschil tussen:

A, volgens zijn verklaring geboren op [...] 1965

en van Algerijnse nationaliteit, thans verblijvende in het Justitieel Complex Koning Willem II te Tilburg, hierna te noemen: de vreemdeling

en

de Staatssecretaris van Justitie te 's-Gravenhage, hierna te noemen:

verweerder.

Zitting: 26 juni 2000.

De vreemdeling is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. S.A.M.

Fikken, kantoorgenoot van zijn gemachtigde mr. R.E.J.M. van den Toorn, advocaat te Made.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde C.M.E. Bakker.

I. PROCESVERLOOP

Bij bevel tot bewaring van 5 november 1999 is de vreemdeling op grond van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw in bewaring gesteld, terwijl op diezelfde datum zijn uitzetting is gelast.

Bij uitspraken van de rechtbank, zittinghoudende te 's-Hertogenbosch, van 24 november 1999 en 17 mei 2000, zijn eerdere beroepen, strekkende tot opheffing van de vreemdelingenbewaring, ongegrond verklaard.

Bij beroepschrift van 14 juni 2000, ontvangen ter griffie van de rechtbank op 15 juni 2000, is namens de vreemdeling verzocht de bewaring met onmiddellijke ingang op te heffen.

II. OVERWEGINGEN

Bij uitspraak van 24 november 1999 heeft de rechtbank geoordeeld dat de inbewaringstelling op een juiste grondslag berust, terwijl ook bij uitspraak van 17 mei 2000 is geoordeeld dat voortzetting van de bewaring tot dan toe

rechtmatig is geweest. Thans dient derhalve beoordeeld te worden of er - nog steeds - voldoende zicht op uitzetting van de vreemdeling bestaat en of verweerder voldoende voortvarend handelt teneinde de uitzetting te kunnen

effectueren.

Voorts is van belang te beoordelen of voortzetting van de bewaring ook overigens, bij afweging van alle daarbij betrokken belangen, in redelijkheid nog gerechtvaardigd is.

Namens de vreemdeling is aangevoerd dat er geen zicht op spoedige uitzetting van de vreemdeling bestaat. Voorts is betoogd dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt om de uitzetting te kunnen effectueren.

Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende.

Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de vreemdeling in het kader van een eerdere inbewaringstelling op 20 mei 1999 is gepresenteerd bij de Algerijnse autoriteiten. Gebleken is dat de vreemdeling niet

de Algerijnse nationaliteit bezit. De vreemdeling is vervolgens op 28 mei 1999 bij de Marokkaanse autoriteiten gepresenteerd, waarna een onderzoek is ingesteld door deze autoriteiten. Gebleken is dat dit onderzoek nog immer gaande

is. Zijdens verweerder wordt maandelijks gerappelleerd.

Gezien het vorenstaande bestaat er, naar het oordeel van de rechtbank, nog voldoende zicht op uitzetting van de vreemdeling. Daarbij neemt de rechtbank in overweging dat het haar ambtshalve bekend is dat ook na een langdurig

onderzoek bij de Marokkaanse autoriteiten laissez passers worden afgegeven. Het enkele feit dat de eerdere bewaring van de vreemdeling op 15 juli 1999 is opgeheven in verband met het ontbreken van zicht op uitzetting, kan niet tot

een ander oordeel leiden. In dit kader overweegt de rechtbank dat, blijkens de brief van verweerder de dato 27 juni 2000, de bewaring destijds is opgeheven omdat het in verband met de personele bezetting van de Vreemdelingendienst

niet mogelijk was de vreemdeling binnen een aanvaardbare termijn nader te horen. Uit deze brief kan evenwel niet worden afgeleid dat er in het geheel geen zicht op uitzetting van de vreemdeling aanwezig zou zijn.

Voorts kan niet met vrucht worden gesteld dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt om de uitzetting te kunnen effectueren.

Ten aanzien van de lange duur van de bewaring overweegt de rechtbank dat de Vw geen maximum stelt aan de duur van de bewaring van vreemdelingen wier uitzetting is gelast. Dit betekent evenwel niet dat de bewaring onbeperkt zou mogen

voortduren. In dit kader verwijst de rechtbank naar de uitspraken van de Rechtseenheidskamer van deze rechtbank (REK) van 21 augustus 1997 (AWB nrs. 97/4847 en 97/4849) waarin wordt overwogen dat

naarmate de bewaring voortduurt het belang van de vreemdeling bij opheffing van de bewaring in beginsel zwaarder dient te wegen dan het belang van verweerder om de vreemdeling ter fine van uitzetting nog langer in bewaring te

houden. In de jurisprudentie wordt er doorgaans van uitgegaan dat na zes maanden bewaring het belang van de vreemdeling zwaarder dient te wegen, doch onder omstandigheden kan deze termijn evenwel korter of langer zijn. De termijn

van zes maanden kan naar het oordeel van de REK worden overschreden indien sprake is van contra- indicaties, zoals het door de vreemdeling frustreren van het onderzoek naar zijn identiteit of nationaliteit of het hebben van (zware)

criminele antecedenten.

De rechtbank overweegt in dit verband dat uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de Algerijnse autoriteiten, na presentatie van de vreemdeling op 20 mei 1999, hebben aangegeven dat de vreemdeling niet de

Algerijnse nationaliteit bezit. De vreemdeling blijft desondanks volharden de Algerijnse nationaliteit te bezitten, terwijl hij deze stelling op geen enkele wijze kan onderbouwen.

Daarenboven onderneemt de vreemdeling zelf niets dat zou kunnen bijdragen om het onderzoek naar zijn nationaliteit en identiteit te bespoedigen. Voorts heeft de vreemdeling bij zijn aanvraag om toelating als vluchteling de dato 21

oktober 1999 verklaard te zijn genaamd B, te zijn geboren op [...] 1965 en van Algerijnse

nationaliteit te zijn. Uit onderzoek bij de Centrale Recherche Informatiedienst bleek de vreemdeling evenwel bekend te zijn onder de naam A, geboren op [...] 1965 en van Algerijnse

nationaliteit. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de vreemdeling het onderzoek naar zijn identiteit en nationaliteit actief frustreert.

Hierdoor is het mede aan de houding van de vreemdeling te wijten dat de bewaring langere tijd voortduurt.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder het belang om de vreemdeling ter fine van uitzetting in bewaring te houden in redelijkheid heeft kunnen laten prevaleren boven dat van de vreemdeling om in

vrijheid te worden gesteld.

Ook overigens is de rechtbank van oordeel, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de bewaring niet in strijd is met de Vw en evenmin bij afweging van alle daarbij betrokken

belangen in redelijkheid ongerechtvaardigd is te achten.

Van omstandigheden op grond waarvan één van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank,

verklaart het beroep gericht tegen de bewaring ongegrond.

Aldus gedaan door mr. Th.C.M. Hendriks-Jansen als rechter in tegenwoordigheid van mr. E.A. Vermunt als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2000.

Afschriften verzonden: 10 juli 2000

IS