Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA8835

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-02-2000
Datum publicatie
23-10-2003
Zaaknummer
AWB 98/4840
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:20, geldigheid: 2000-02-15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te 's-Hertogenbosch

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

--------------------------------

Uitspraak

--------------------------------

AWB 98/4840 VRWET

Uitspraak van de rechtbank ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 33a van de Vreemdelingenwet (Vw) in het geschil tussen

A, wonende te B, eiser,

gemachtigde mr. R.S. Nandoe, advocaat te Alkmaar,

en

de Staatssecretaris van Justitie te 's-Gravenhage, verweerder.

I. PROCESVERLOOP

Eiser bezit de Somalische nationaliteit en is vreemdeling in de zin van de Vw.

Op 13 november 1994 heeft eiser aanvragen ingediend om toelating als

vluchteling en om verlening van een vergunning tot verblijf.

Bij besluit van 27 april 1995 heeft verweerder de aanvraag van eiser om toelating als vluchteling op grond van artikel 15c, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw niet ingewilligd wegens kennelijke ongegrondheid ervan. Tevens heeft verweerder afwijzend beslist op de aanvraag om een vergunning tot verblijf.

Dit besluit is aan eiser uitgereikt op 18 mei 1995. Daarbij is eiser aangezegd dat hij Nederland binnen vier weken dient te verlaten.

Op 13 juni 1995 is namens eiser tegen voornoemd besluit bezwaar gemaakt bij verweerder.

Voorts is namens eiser om een voorlopige voorziening verzocht, inhoudende dat het verweerder wordt verboden maatregelen te nemen om tot verwijdering van eiser over te gaan, totdat op het bezwaar zal zijn beslist. Bij schrijven van

27 december 1995 heeft eiser het verzoek ingetrokken.

Op het bezwaarschrift heeft verweerder niet tijdig een besluit genomen.

Tegen het niet tijdig nemen van een besluit heeft eiser op 29 mei 1996 bij deze rechtbank beroep ingesteld.

Bij besluit van 17 oktober 1997 heeft verweerder het bezwaar van eiser alsnog ongegrond verklaard en aan eiser een voorwaardelijke vergunning tot verblijf verleend, met ingang van 13 november 1994, onder gelijktijdige verlenging

geldig tot 13 november 1997.

Bij besluit van 26 oktober 1997 is aan eiser een vergunning tot verblijf zonder beperkingen verleend wegens relevant tijdsverloop.

Bij uitspraak van 23 januari 1998 heeft deze rechtbank -voor zover hier van belang- het beroep van eiser gericht tegen het besluit van 17 oktober 1997 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat verweerder een nieuw

besluit dient te nemen.

Op het bezwaarschrift heeft verweerder niet tijdig een besluit genomen.

Tegen het niet tijdig nemen van een besluit is namens eiser bij schrijven van 5 juni 1998 bij deze rechtbank beroep ingesteld. Het beroep is op 9 juni 1998 ter griffie van de rechtbank ontvangen.

Op 30 juli 1998 is eiser omtrent zijn bezwaar gehoord door de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken (ACV). De ACV heeft verweerder geadviseerd het bezwaar voor wat betreft de toelating als vluchteling ongegrond te verklaren en voor wat betreft de vergunning tot verblijf gegrond te verklaren.

Bij besluit van 9 december 1998 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

In verband hiermee heeft eiser bij schrijven van 5 januari 1999 het petitum van het beroepschrift van 5 juni 1998 in die zin gewijzigd dat thans om vernietiging althans nietigverklaring van het besluit van 9 december 1998 wordt verzocht. Bij schrijven van 11 februari 1999 zijn namens eiser de daartoe strekkende gronden aangevoerd.

Verweerder heeft naar aanleiding van het voornoemde beroep de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van 9 november 1999, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde drs. P.M. Beishuizen, ambtenaar ten departemente.

II. OVERWEGINGEN

Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit van 9 december 1998, waarbij het bezwaar van eiser tegen de niet-inwilliging van zijn aanvraag om toelating als vluchteling ongegrond is verklaard, in rechte stand kan houden.

Eiser legt aan zijn beroep ten grondslag dat hij met name vanwege de omstandigheid dat hij behoort tot een kleine kwetsbare clan in Somalië en dientengevolge problemen heeft ondervonden, gegronde redenen heeft te vrezen voor vervolging.

Daartoe heeft eiser ten overstaan van de contact-ambtenaar van het Ministerie van Justitie, zoals blijkt uit het daarvan opgemaakte rapport van gehoor van 5 december 1994, onder meer het volgende verklaard.

Eiser heeft de Somalische nationaliteit en behoort tot de bevolkingsgroep der Toumal (ook wel Tumaal genoemd). Eiser werd vanwege zijn stam-afkomst gediscrimineerd en onderdrukt in Somalië. Eiser werd tijdens het bewind van President Siad Barre ontelbare keren gearresteerd door de militairen van Siad Barre. Eiser werd dan naar de gevangenis genaamd "Araf" gebracht, alwaar hij door de militairen werd geslagen.

Ook tijdens het bewind van Aidid werd eiser vanwege zijn afkomst ontelbare keren opgepakt en gevangen gezet. De eerste keer dat eiser door de rebellen van Aidid werd opgepakt was in maart 1991. Eiser werd van maart 1991 tot september 1991 gevangengehouden in kamers in de huizen van de rebellen. Eiser moest voor hen auto's repareren. Eiser werd daartoe verschillende malen naar de garages van de rebellen in Mogadishu gebracht, waar hij soms enige tijd werd opgesloten. Ook na zijn vrijlating in september 1991 werd eiser nog verscheidene malen gearresteerd. Soms werd hij één dag en soms een week gevangengehouden.

Eiser moest steeds de auto's van rebellen repareren, anders zou hij gedood worden.

Eiser werd door de rebellen regelmatig mishandeld. Hij werd daarbij met stokken en geweerkolven geslagen. Ook werd hij een keer met een bajonet in zijn buik gestoken en in zijn been geschoten. In 1993 werd eisers moeder door de rebellen van Aidid vermoord. Eiser wilde zijn land van herkomst al vóór de oorlog in 1991 verlaten. Het was voor hem echter erg moeilijk zijn land te verlaten. Hij had geen geld en dacht in het begin dat na de val van Siad Barre de oorlog zou ophouden. In september 1994 heeft eiser te voet Somalië verlaten. Eiser liep in 17 dagen van Mogadishu naar Dhagahbur, alwaar hij twee weken bij een stamgenoot verbleef. De stamgenoot gaf eiser geld en regelde voor hem een reisagent. Eiser reisde via Ethiopië naar Nederland alwaar hij op 12 november 1994 aankwam.

Voorts heeft eiser in zijn aanvullend bezwaarschrift gedetailleerd beschreven waaruit de discriminatie van de Toumal-bevolkingsgroep zo al bestond. Eiser werd voor de val van Siad Barre regelmatig thuis opgepikt door de militairen

en meegenomen naar hun kamp, waar hij als slaaf gebruikt en mishandeld werd. Eiser werd gedwongen wapens te maken en te repareren. Pas nadat de familie of stamgenoten hadden getraceerd waar eiser gevangen werd gehouden en zij

voldoende geld hadden ingezameld om hem vrij te kopen, werd eiser vrijgekocht. Dit kon soms maanden duren.

Voorts werden de vrouwelijke familie-leden van eiser regelmatig door de rebellen verkracht. De problemen voor eiser en zijn bevolkingsgroep verdwenen niet na de val van president Siad Barre. Na de oorlog werd eiser immers regelmatig

door USC-strijders opgepakt voor wie hij dan dwangarbeid moest verrichten. Tijdens zijn detenties werd eiser op zeer ernstige wijze mishandeld en gemarteld. Zo werd eiser door het USC enige tijd met één arm aan het plafond gehangen of werden beide armen en benen op zijn rug gebonden, zodat hij op een MIG-vliegtuig leek. De moeder van eiser werd in 1993 vermoord nadat eiser uit een garage van de rebellen van Aidid had weten te ontsnappen. De rebellen vroegen de moeder naar de verblijfplaats van eiser en toen deze liet weten niet te weten waar haar zoon verbleef werd zij vermoord. Eiser heeft dit van zijn buurvrouw vernomen. Eiser had niet eerder de mogelijkheid te vluchten aangezien zijn spaargeld telkens moest worden aangewend om zichzelf of familieleden vrij te kopen. Ook had eiser in eerste instantie de hoop dat de situatie zou verbeteren als het USC aan de macht kwam.

Tenslotte heeft eiser op 30 juli 1998 ten overstaan van de ACV verklaard dat de garage waar hij gevangen werd gehouden op slot ging en dat er bewakers omheen liepen. Er zaten meerdere mensen in de garage gevangen, die ook tot zijn stam behoorden. Eiser is één keer vrijgekocht door stamleden, één keer door vrienden en een andere keer heeft hij zelf geld bij elkaar heeft weten te krijgen en een bewaker omgekocht. Familieleden

van eiser die naar Nederland zijn gekomen zijn toegelaten als vluchteling.

Verweerder stelt zich blijkens het bestreden besluit, het verweerschrift en het verhandelde ter zitting, op het standpunt dat de positie van eiser niet wezenlijk verschilde van die van zijn landgenoten die in het Mogadishu van die tijd vergelijkbare problemen hebben ondervonden en waarbij algemeen erkend wordt dat deze problemen hun oorsprong vonden in hun economische verworvenheden en niet in de etnische achtergrond van deze personen. In het bestreden besluit verwijst verweerder naar het algemeen ambtsbericht van 23 oktober 1998 van de Minister van Buitenlandse Zaken waarin een beschrijving wordt gegeven van de situatie van minderheden (waaronder de Toumal) en clanlozen in Somalië. In het ambtsbericht wordt onder meer aangegeven dat in de huidige situatie van grotere stabiliteit ook de positie van de minderheden lijkt te verbeteren en in het algemeen minder problemen met de reïntegratie van leden van minderheidsgroeperingen lijken te bestaan. Tevens verwijst verweerder naar de vaststelling in het ambtsbericht dat er ten aanzien van geheel Somalië geen meldingen bekend zijn van vervolging alleen op grond van clan-afkomst, evenmin

als van clanlozen en tot minderheidsgroepen behorende personen enkel op grond van hun afkomst, noch van zodanige stelselmatige discriminatie van bepaalde (minderheids)groepen dat sprake is van een onveilige situatie.

Hetgeen overigens uit de stukken naar voren is gekomen en ter zitting door partijen is aangevoerd, wordt hier als herhaald en ingelast beschouwd.

Ten aanzien van het beroep op vluchtelingschap overweegt de rechtbank als volgt.

Ingevolge artikel 1(A) van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen van Genève van 28 juli 1951, zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 31 januari 1967 (hierna te noemen: het Verdrag) geldt, voor zover hier van belang, voor de toepassing van het Verdrag als vluchteling elke persoon die uit gegronde vrees voor vervolging wegens ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en die de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de Vw kunnen vreemdelingen die afkomstig zijn uit een land waarin zij gegronde reden hebben te vrezen voor vervolging wegens hun godsdienstige of politieke overtuiging of hun nationaliteit, dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of tot een bepaalde sociale groep, als vluchteling worden toegelaten.

In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat de toelating niet kan worden geweigerd dan om gewichtige redenen aan het algemeen belang ontleend, indien de vreemdeling door de weigering genoopt zou worden zich onmiddellijk te begeven naar een land als bedoeld in het eerste lid.

De rechtbank merkt allereerst op dat zij eisers stelling dat het ambtsbericht van 23 oktober 1998 buiten beschouwing dient te blijven omdat het ambtsbericht dateert van na de datum waarop beroep is ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar, niet volgt. Verweerder heeft na het instellen van het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit alsnog een (reëel) besluit genomen, waartoe verweerder in dit geval ingevolge artikel 6:20, eerste en tweede lid, van de Awb ook gehouden was. Dit reële besluit ligt, gelet op het bepaalde in artikel 6:20, vierde lid, van de Awb en de wijziging van het petitum van het ingestelde beroep, zoals aangegeven in het schrijven van 5 januari 1999, thans ter toetsing voor.

De rechtbank stelt voorts vast dat verweerder in beginsel gehouden is om in het kader van de volledige heroverweging van de primaire besluiten zoals die wordt voorgeschreven door artikel 7:11 van de Awb, rekening te houden met alle feiten en omstandigheden die op het moment van heroverweging bekend zijn. Ook het Verdrag verzet zich naar het oordeel van de rechtbank niet tegen een dergelijke heroverweging van besluiten ter zake van de toelating van vluchtelingen. Bedoeld Verdrag biedt immers slechts bescherming aan vluchtelingen, zolang zij als zodanig kunnen worden aangemerkt, waarbij die bescherming zich bovendien niet uit in een aanspraak op toelating doch slechts in een verbod op refoulement. Nu verweerder - na de eerdere ex tunc werkende vernietiging - opnieuw op het bezwaar heeft beslist op 9 december 1998, brengt het vorenstaande mee dat verweerder daarbij het ambtsbericht van 23 oktober 1998 kon betrekken.

Eiser stelt zich voorts op het standpunt dat, indien de rechtbank zou oordelen dat verweerder meergenoemd ambtsbericht in zijn beoordeling kon betrekken, dit ambtsbericht -zoals blijkt uit bepaalde aangehaalde passages- onvoldoende

gedetailleerd ingaat op de positie van de Toumal en uiteraard al helemaal niet op de positie van eiser, zodat het ambtsbericht niet in de plaats kan worden gesteld van een onderzoek zoals bedoeld in de uitspraak van deze rechtbank

van 23 januari 1998.

Het is ook de rechtbank niet gebleken dat in de zaak van eiser dan wel in de zaken van andere leden van de Toumal enig specifiek onderzoek is verricht. Verweerder heeft er in het bestreden besluit op gewezen dat weliswaar geen onderzoek is gedaan naar de individuele bejegening van eiser in zijn land van herkomst, maar dat de Minister van Buitenlandse Zaken middels het reeds vaker genoemde ambtsbericht van 23 oktober 1998 een beschrijving heeft gegeven van de algemene situatie in Somalië en dat in dit gedetailleerde ambtsbericht ook op de positie van minderheidsgroepen (waaronder de Toumal) en clanlozen in Somalië is ingegaan. De rechtbank is van oordeel dat, mede gelet op de verschillende vragen over de situatie in Somalië waarmee verweerder zich in de loop van de tijd geconfronteerd zag, in beginsel kan worden aanvaard dat op deze wijze uitvoering is gegeven aan de eerderbedoelde uitspraak van 23 januari 1998. Thans staat dan ook ter beoordeling of verweerder op goede gronden, het relaas van eiser beziende in het licht van dit ambtsbericht, heeft vastgesteld dat niet aannemelijk is gemaakt dat eiser in zijn land van herkomst gegronde reden heeft om te vrezen voor vervolging in de zin van het Verdrag.

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit allereerst op het standpunt gesteld dat gegeven de in het ambtsbericht van 23 oktober 1998 opgenomen en door verweerder in het bestreden besluit aangehaalde en hiervoor weergegeven informatie over clanlozen en minderheidsgroepen (waaronder de Toumal) er geen aanleiding bestaat om aan te nemen dat er in Somalië sprake is van een zodanige stelselmatige discriminatoire bejegening van leden van de Toumal-clan dat het leven voor hen in Somalië onhoudbaar is geworden. Dit standpunt van verweerder aangaande het zogeheten prima facie-vluchtelingschap is in beroep niet bestreden en ook de rechtbank onderschrijft het door verweerder ten aanzien van de positie van de Toumal-clan als geheel ten tijde van het bestreden besluit ingenomen standpunt.

Verweerder heeft voorts aangegeven dat er geen aanwijzingen zijn dat hiervan in het bijzondere geval van eiser wel sprake zal zijn.

Verweerder heeft zijn oordeel met name doen steunen op de omstandigheid dat niet aannemelijk is gemaakt dat de door eiser in Mogadishu ondervonden problemen enkel en alleen het gevolg zijn geweest van de etnische afkomst van eiser

doch dat de interesse voor de persoon van eiser kennelijk vooral lag in zijn bekwaamheid in metaalbewerking en voorts dat hij er tot op zekere hoogte zelf voor heeft gekozen om tot september 1994 in Mogadishu te blijven.

De geloofwaardigheid van eisers asielrelaas is niet in geschil. Eiser heeft verklaringen afgelegd over gebeurtenissen die zonder meer als ernstig kunnen worden beoordeeld. Deze verklaringen zijn consistent en voldoende gedetailleerd.

Verweerders stelling dat niet aannemelijk is gemaakt dat de door eiser in Mogadishu ondervonden problemen enkel en alleen een gevolg zijn geweest van de etnische afkomst van eiser en dat eerder aannemelijk is dat de interesse voor

eiser was gelegen in zijn bekwaamheid in metaalbewerking en dat zijn positie dan ook niet wezenlijk verschilde van die van zijn landgenoten die in het Mogadishu van die tijd vergelijkbare problemen hebben ondervonden en waarbij algemeen erkend wordt dat deze problemen hun oorsprong vonden in de economische verworvenheden en niet in de etnische achtergrond van deze personen miskent naar het oordeel van de rechtbank de toch kwetsbare positie van de Toumal

zoals die in de uitspraak van 23 januari 1998 ook naar voren is gekomen, het ontbreken van de mogelijkheid van clanbescherming en de ernst en stelselmatigheid van hetgeen eiser gedurende een langere periode is overkomen. In dit

verband acht de rechtbank van belang dat de vaardigheden waarover eiser beschikte (metaalbewerking) en waardoor hij ernstige problemen heeft ondervonden juist samenhingen met zijn etnische afkomst, zodat een en ander niet van elkaar

is te scheiden. Het gaat er niet om of het behoren tot een bepaalde etnische (minderheids)groep de enige drijfveer is achter de voorkomende aantastingen van lijf en goed maar of de ondervonden bejegening heeft plaatsgevonden op

discriminatoire gronden. Dat is het geval zodra en zolang een lid van een bepaalde clan met zoals in dit geval specifieke bekwaamheden die aan de clan eigen zijn deswege geen problemen ondervindt van clangenoten maar wel van leden

van andere clans, die op hun beurt het desbetreffende gedrag niet mede ten aanzien van clangenoten ten toon spreiden. Voorts dient het leven door de ondervonden problemen onhoudbaar te zijn geworden. Uit het relaas van eiser blijkt

dat hij tijdens het bewind van Aidid veelvuldig is opgepakt en is vastgehouden. De eerste keer zat hij van maart 1991 tot september 1991 gevangen. Daarna werd hij soms één dag, soms één week gevangen genomen. Weliswaar is hij niet

opgepakt vanwege zijn afkomst maar hij is vervolgens wel, nadat hij had aangegeven Toumal te zijn en metaal te kunnen bewerken, langdurige periodes vastgehouden. Daarbij heeft zijn afkomst (mede) een rol gespeeld. Omdat hij tot de

Toumal behoorde was het niet mogelijk zich - eventueel met behulp van stamgenoten - aan deze behandeling te onttrekken. Het duurde soms langere tijd voordat familieleden en/of stamgenoten hem hadden getraceerd en voldoende geld

hadden ingezameld om hem vrij te kopen. Weliswaar bleek het mogelijk om hem dan tegen betaling van geld vrij te kopen, doch het is niet bij een eenmalige gebeurtenis gebleven. Eiser is op deze wijze verschillende keren opgepakt en

vastgehouden. In de periodes waarin hij onder bewaking werd vastgehouden diende hij zonder betaling gedwongen arbeid te verrichten en werd hij mishandeld. De rechtbank acht het standpunt van verweerder dat de positie van eiser niet

wezenlijk verschilde van die van zijn landgenoten die in het Mogadishu van die tijd vergelijkbare problemen hebben ondervonden dan ook onvoldoende onderbouwd.

Aan de omstandigheid dat eiser eerst in september 1994 het land heeft verlaten en er zoals verweerder stelt tot op zekere hoogte zelf voor heeft gekozen om tot dat tijdstip in Mogadishu te blijven, kan naar het oordeel van de rechtbank geen doorslaggevende betekenis worden toegekend. Eiser is blijkens het schrijven van 24 juli 1998 tot maart 1993 nog vastgehouden. Ook in de periode van maart 1993 tot september 1994 heeft hij blijkens dit schrijven nog soortgelijke problemen als voorheen ondervonden. Gelet op eisers verklaringen over de redenen waarom hij eerst in september 1994 het land heeft verlaten acht de rechtbank het niet onbegrijpelijk dat eiser in zijn situatie eerst in september 1994 daartoe is gekomen. Eiser heeft aanvankelijk willen afwachten of na het aan de macht komen van de USC de situatie zich in positieve zin zou ontwikkelen en toen dit niet het geval bleek heeft hij zich moeten oriënteren op de mogelijkheden om als Toumal met nauwelijks financiële middelen het land te kunnen verlaten.

Gelet op het bovenstaande berust het bestreden besluit voor wat betreft de geweigerde toelating als vluchteling niet op een voldoende draagkrachtige motivering, zodat het op die grond voor vernietiging in aanmerking komt. Hieruit vloeit voort dat het onderhavige beroep gegrond is. Hetgeen overigens nog namens eiser is aangevoerd behoeft gezien het voorgaande geen bespreking meer.

De rechtbank ziet in het onderhavige geval, mede gelet op de tijdsduur waarin eiser in de procedure zit en de eerdere vernietiging door de rechtbank bij uitspraak van 23 januari 1998, aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien in die zin dat verweerder wordt opgedragen eiser hier te lande toe te laten als vluchteling.

De rechtbank acht termen aanwezig verweerder onder toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de

daarbij behorende bijlage begroot op in totaal f 1.420,-- voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

* 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

* 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

* waarde per punt f 710,--;

* wegingsfactor 1.

Tevens zal de rechtbank bepalen dat door verweerder aan eiser het door hem gestorte griffierecht dient te worden vergoed.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank,

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

draagt verweerder op eiser toe te laten als vluchteling;

gelast de Staat der Nederlanden aan eiser te vergoeden het door hem gestorte griffierecht;

veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten vastgesteld op f 1.420,--, te vergoeden door de Staat der Nederlanden en te voldoen aan de griffier.

Aldus gedaan door mr. Y.J. Klik als rechter in tegenwoordigheid van mr. F.C. Meulemans als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2000.

mr. Y.J. Klik is buiten staat de uitspraak te ondertekenen.

Afschriften verzonden: 29 februari 2000

EL