Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA8833

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-06-2000
Datum publicatie
09-04-2003
Zaaknummer
AWB 98/10779
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

enkelvoudige kamer

Uitspraak

artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 33a Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr.: AWB 98/10779 VRWET

inzake: A, wonende te B, eiser,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eiser, geboren op [...] 1967, bezit de Surinaamse nationaliteit.

Eiser verblijft sedert 4 mei 1998 als vreemdeling in de zin van de Vw in Nederland. Op 19 juni 1998 heeft eiser bij de korpschef van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland een aanvraag ingediend om verlening van vergunning tot

verblijf bij Nederlandse partner, C. Bij besluit van 14 juli 1998 heeft de korpschef van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland namens verweerder op deze aanvraag afwijzend beslist. Eiser heeft tegen dit besluit op 5 augustus 1998

bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is bij besluit van 10 december 1998 ongegrond verklaard.

2. Bij beroepschrift van 21 december 1998 heeft eiser tegen dit afwijzende besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft partijen toegezegd het beroep versneld te behandelen. Op 22 februari 1999 zijn de op de zaak

betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen.

In het verweerschrift van 9 februari 2000 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2000. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr.S. Gahar-Ramcharan, advocaat te Amsterdam. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. J. Prins,

ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van verweerders ministerie. Tevens was ter zitting aanwezig C, partner van eiser.

II. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

Bij de beantwoording van die vraag gaat de rechtbank uit van de volgende feiten. Eiser verblijft sedert 4 mei 1998 als vreemdeling in de zin van de Vw in Nederland. Eiser heeft vergunning tot verblijf gevraagd bij C, die zich op 23

september 1997 garant heeft gesteld voor haar toenmalige partner D. C is, blijkens de overgelegde

arbeidsovereenkomst, sedert 1 mei 1996 werkzaam als stadswacht bij de gemeente Amsterdam en heeft, blijkens salarisspecificaties van april 1998, mei 1998 en juli 1998 ten tijde van het bestreden besluit een inkomen van f. 2.203,02

netto per maand.

3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de partner van eiser thans nog steeds gebonden is aan haar garantstelling voor haar vorige partner, zodat zij zich niet garant kan stellen voor eiser, waardoor aan hem geen vergunning

tot verblijf dient te worden verleend. Opzegging van de garantstelling indien de relatie is verbroken is niet mogelijk. De garantstelling wordt voor vijf jaar aangegaan. De garantsteller wordt slechts ontheven van zijn

verplichtingen indien de vreemdeling Nederland definitief heeft verlaten of hem verblijf wordt toegestaan voor een ander doel. Hiervan is in het onderhavige geval geen sprake. Op verweerder rust geen plicht om D te verwijderen, doch

deze heeft de rechtsplicht om zelf Nederland te verlaten.

4. Eiser meent dat klemmende redenen van humanitaire aard dan wel internationale verplichtingen tot toelating nopen. Daartoe voert hij aan dat de partner van eiser ontheven moet worden geacht van de garantstelling die verbonden was

aan haar vorige relatie, zodat zij thans garant kan staan voor eiser. Daarbij beroept hij zich op hoofdstuk A4 onder 6.6.1 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 1994. C heeft haar relatie met D in december 1997 verbroken en hiervan de

korpschef

in maart 1998 op de hoogte gesteld. Zij moet derhalve vanaf die datum geacht worden te zijn ontslagen van haar verplichtingen voortvloeiend uit de garantverklaring. Als D thans illegaal in Nederland verblijft, kan dit de partner van

eiser niet kan worden aangerekend. D heeft volgens verweerder op 3 september 1998 een nieuwe aanvraag om een vergunning tot verblijf voor een ander verblijfsdoel ingediend, zodat C in ieder geval op die datum is ontheven van de

verplichtingen die voortvloeien uit de garantverklaring. Het is niet redelijk om C tot maart 2002 te houden aan een in 1997 aangegane verplichting tot garantstelling.

Ter zitting heeft eiser nog aangevoerd dat het niet reëel is om te verwachten dat C aangesproken wordt voor een aan D te

verstrekken uitkering ten laste van de openbare kas. D kan geen aanvraag voor een vergunning tot verblijf indienen en op grond daarvan een uitkering ontvangen, gelet op de invoering van de Koppelingswet en de invoering per 11

december 1998 van het vereiste bezit van een machtiging tot voorlopig verblijf. C verdient thans f. 2.750,00 netto per maand, zodat zij, nu eiser en zij voornemens zijn om te trouwen, voldoende inkomsten heeft om zowel aan de

garantstelling als aan de middeleneis voor gehuwden te voldoen. Eiser verwijst voorts nog naar een uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 13 november 1997, JV 1998/58 met noot van L. Jordens-Cotran en naar een artikel in

Migrantenrecht (99/5 blz.138).

Jordens-Cotran acht de Vc op het punt van de garantstelling in strijd met het Burgerlijk Wetboek. De gehoudenheid aan de garantverklaring is begrensd in die zin dat bij een wijziging van de duur en/of het verblijfsdoel de garant om

instemming dient te worden gevraagd met het voortduren van de garantstelling. Bij het afwegen van belangen dient het belang van eiser bij het uitoefenen van het gezinsleven ex artikel 8 van het Europees Verdrag ter bescherming van

de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) met C te prevaleren boven het mogelijk nadeel dat de Staat kan lijden bij een voortijdige beëindiging van de garantverklaring. Eiser komt niet ten laste van de openbare kas.

De rechtbank overweegt het volgende.

5. Ingevolge artikel 11 lid 5 Vw kan het verlenen van een vergunning tot verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend.

6. Verweerder voert bij de toepassing van dit artikellid het beleid dat vreemdelingen niet voor toelating in aanmerking komen, tenzij met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel klemmende

redenen van humanitaire aard of verplichtingen voortvloeiende uit internationale overeenkomsten tot toelating nopen. Dit beleid is neergelegd in de Vreemdelingencirculaire 1994 (Vc).

7. Ingevolge artikel 11, derde en vierde lid van de Vw jo artikel 48 eerste lid aanhef en onder b van het Vreemdelingenbesluit (Vb) kan een garantverklaring worden verbonden aan een vergunning tot verblijf.

8. In de hoofdstukken A4/6.12.1 Vc en B1/3.3. van de Vc 1994 is voorts bepaald dat aan de vergunning tot verblijf met als doel verblijf bij partner het voorschrift kan worden verbonden dat de in Nederland wonende partner een

garantverklaring ondertekent waarmee hij zich garant stelt voor de kosten die voor de Staat en voor andere openbare lichamen voortvloeien uit het verblijf in Nederland van de buitenlandse partner, alsmede voor de kosten van

terugkeer naar een land waar de toelating is gewaarborgd, voor zover deze kosten zijn veroorzaakt binnen vijf jaar nadat de vergunning tot verblijf is verleend of zoveel korter als het verblijf van de vreemdeling in Nederland duurt.

De kosten waarvoor garant wordt gestaan bedragen maximaal f. 10.000,00 op jaarbasis verhoogd met de (bruto) maandelijkse kosten van bijstand voor een alleenstaande indien de vreemdeling, waarvoor een garantstelling is afgegeven een

uitkering krachtens de Algemene Bijstandswet geniet.

Een garantsteller wordt van rechtswege ontheven van zijn verplichtingen op het moment dat:

- de vreemdeling Nederland definitief heeft verlaten;

- de vreemdeling verblijf in Nederland wordt toegestaan voor een ander doel dan het doel waarvoor de garantverklaring in eerste instantie diende te worden ondertekend.

De rechtbank overweegt het volgende.

9. Het door verweerder gevoerde beleid betreffende garantstelling heeft ten doel om te garanderen dat in bepaalde gevallen uit het verblijf van vreemdelingen geen kosten voortvloeien voor de Nederlandse Staat. Niet alleen wordt aan

de partner van een vreemdeling een middeleneis gesteld om gedurende de relatie in ieder geval in aanvang te voorzien in de kosten van het onderhoud, doch ook in geval van verbreking van de relatie wordt de voormalige partner

aangesproken voor de kosten van onderhoud van de vreemdeling tot op het moment dat deze een andere verblijfstitel hier te lande bemachtigt of het land verlaat. De rechtbank acht dit beleid op zichzelf niet onredelijk. De

omstandigheid dat in het Burgerlijk Wetboek een andere verdeling van de verantwoordelijkheid, of zorgplicht, tussen borg (garant) en Staat zou worden gehanteerd leidt naar het oordeel van de rechtbank niet tot een ander oordeel, met

het oog op de in het vreemdelingenrecht met een dergelijke constructie te dienen doelen. Niet is gebleken dat C bij de garantstelling ten behoeve van de relatie met D niet op de hoogte was van de door haar op zich te nemen

verplichting. Ook is nadien geen verzwaring gekomen in de eventuele geldelijke verplichtingen, bijvoorbeeld door onverwachte omstandigheden, zodat niet valt in te zien waarom het in casu onredelijk zou zijn om haar voor de

afgesproken termijn aan de aangegane verplichting te houden.

Eiser heeft aangevoerd dat de relatie met D inmiddels is verbroken, dat C de Vreemdelingendienst hiervan in maart 1998 op de hoogte heeft gesteld en dat dit voldoende moet worden geacht om C te ontslaan van haar garantstelling, doch

de rechtbank volgt deze stelling, gelet op het hiervoor overwogene, niet. De verbreking van de relatie is immers de situatie waarvoor het beleid omtrent garantstelling is bedoeld, zodat de verbreking van de relatie op zichzelf geen

grond is voor beëindiging van de garantstelling. Voor wat betreft de stelling van eiser dat het niet redelijk is C aan de garantstelling te houden nu D geen beroep doet op de openbare kas, overweegt de rechtbank dat verweerder

weliswaar heeft erkend dat D op dit moment geen beroep doet op de openbare kas, doch zoals verweerder ter zitting heeft aangevoerd en de rechtbank tevens ambtshalve bekend is, is het niet uitgesloten dat D, die thans zonder titel in

Nederland verblijft, alsnog aanspraak zal kunnen maken op een dergelijke uitkering, in het bijzonder in

het kader van een nieuwe aanvraag. De rechtbank is dan ook met verweerder en op de door verweerder aangevoerde gronden van oordeel dat C nog aan de in september 1997 aangegane garantstelling gebonden moet worden geacht.

Het inkomen dat C ten tijde van de bestreden beslissing verkreeg (f. 2.203,02 netto per maand) is niet voldoende om zowel aan de middeleneis in het kader van haar relatie met eiser, als aan de garantstelling die zij is aangegaan

voor haar relatie met D, te voldoen. De rechtbank deelt niet de stelling van eiser ter zitting, dat C thans voldoende inkomsten heeft om zowel aan de garantstelling als aan de middeleneis voor gehuwden te voldoen, nu eiser niet is

gehuwd en bij toelating van partners andere beleidsregels op dit punt gelden. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat verweerder zich met recht op het standpunt heeft gesteld dat eiser geen aanspraak op toelating kan ontlenen aan

het door verweerder gevoerde beleid inzake relatievorming.

10. Evenmin is gebleken dat eiser aan enige andere door verweerder gehanteerde beleidsregel aanspraak op toelating kan ontlenen.

11. Met name is niet gebleken van zodanige klemmende redenen van humanitaire aard dat verweerder op grond daarvan aan eiser verblijf hier te lande had moeten toestaan.

12. Met betrekking tot het, eerst ter zitting aangevoerde, beroep van eiser op artikel 8 EVRM overweegt de rechtbank het volgende. In de onderhavige zaak staat vast dat tussen eiser en C familie- of gezinsleven bestaat in de zin van

artikel 8 EVRM.

Voorop staat dat het hun toekomende recht op respect voor het familie- of gezinsleven evenwel nog niet met zich meebrengt dat verweerder zonder meer gehouden is eiser hier te lande toe te laten. In dit verband is van belang dat op

grond van vaste jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens als uitgangspunt geldt dat artikel 8 EVRM voor de staat geen algemene verplichting met zich meebrengt de domiciliekeuze van een vreemdeling te

eerbiedigen of gezinsvorming of -hereniging op haar grondgebied mogelijk te maken door immigratie toe te staan.

Gelet op het feit dat aan eiser nimmer verblijf in Nederland is toegestaan is in dit geval geen sprake van inmenging in het familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM.

Of in dit geval uit het recht op eerbiediging van het familie- of gezinsleven niettemin voor verweerder een (positieve) verplichting voortvloeit om eiser verblijf in Nederland toe te staan moet worden vastgesteld aan de hand van een

redelijke afweging tussen de belangen van het individu en die van de gemeenschap in zijn geheel.

Bij die belangenafweging zijn in onderhavige zaak de volgende omstandigheden van belang. Het is voor eiser en C niet definitief onmogelijk om aan de middeleneis te voldoen. Immers, C is volgens verweerder slechts tot maart 2002

gebonden aan de garantstelling. Ook zijn zij naar eigen zeggen voornemens te huwen. Voorts is niet gebleken van objectieve belemmeringen om het gezinsleven in Suriname uit te oefenen.

Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verweerder het door de overheid te behartigen algemeen belang van de bescherming van het economisch welzijn heeft kunnen stellen boven het belang van eiser bij (de

voortzetting van de) uitoefening van het familie- of gezinsleven met C hier te lande.

Het beroep op artikel 8 EVRM slaagt derhalve niet.

13. De conclusie is dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen.

14. Voorts is niet gebleken dat het bestreden besluit in aanmerking komt om te worden vernietigd wegens strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.

15. Op grond van het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

16. Van omstandigheden op grond waarvan verweerder het griffierecht zou moeten vergoeden dan wel een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet

gebleken.

III. BESLISSING

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2000, door mr. Y.A.A.G de Vries, rechter, in tegenwoordigheid van mr.

I.H.H. Krajenbrink , griffier.

Afschrift verzonden op: 21 juli 2000

Conc.:

Coll:

Bp:

D:

110497