Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA8415

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-11-2000
Datum publicatie
31-03-2005
Zaaknummer
09-754004/98
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 'S-GRAVENHAGE, STRAFSECTOR

MEERVOUDIGE KAMER

VERKORT VONNIS

parketnummer 09-754004/98

's-Gravenhage, 21 november 2000.

De arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op 10 mei 1956 te 's-Gravenhage,

en wonende te [woonplaats], [adres],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting, Huis van Bewaring De Geniepoort te Alphen aan den Rijn,

in verzekering gesteld op 9 februari 2000,

in voorlopige hechtenis gesteld op 11 februari 2000.

De terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 19 mei 2000, 7 augustus 2000, 30 en 31 oktober, 1, 2, 6 en 7 november 2000.

De verdachte, bijgestaan door de raadsman mr Hattinga Verschure, is verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr Van Boetzelaer heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding onder 8 primair, subsidiair en meer subsidiair en 10 primair en subsidiair wordt vrijgesproken en dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding onder 1, 2 primair, 3 primair, 4, 5, 6 primair, 7 primair, 9 primair en 11 primair telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 jaar, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, alsmede een geldboete van f 1.000.000,-- , subsidiair 1 jaar vervangende hechtenis (te weten f 250.000,- terzake de onder 2 en 3 telastgelegde feiten, f 250.000,- terzake het onder 6 telastgelegde feit, f 250.000,- terzake het onder 7 telastgelegde feit, f 250.000,- terzake het onder 9 telastgelegde feit, telkens subsidiair 3 maanden vervangende hechtenis).

De telastlegging

Aan verdachte is telastgelegd - na wijzigingen van de telastlegging ter terechtzitting - hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopiën van de dagvaarding, gemerkt A, en van de vordering wijziging telastlegging, gemerkt A1.

Geldigheid van de dagvaarding

De raadsman heeft aangevoerd dat de dagvaarding ten aanzien van het onder 1 telastgelegde feit nietig is, nu uit de telastlegging niet duidelijk wordt welke organisatie wordt bedoeld en wie daaraan deelnamen. Subsidiair is aangevoerd dat de dagvaarding partieel nietig is voor wat betreft de zinsnede “en/of in Spanje en/of elders buiten Nederland”.

De rechtbank verwerpt het verweer en overweegt hieromtrent dat de stelling dat uit de telastlegging ter zake van artikel 140 Wetboek van Strafrecht duidelijk zou moeten worden welke organisatie wordt bedoeld en wie daaraan deelnemen in zijn algemeenheid geen steun vindt in het recht. Het criterium is of de verdachte heeft begrepen waarvoor hij terecht moet staan. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval sprake. Mede gelet op de feitelijke uitwerking in de telastlegging en het op dit feit toegespitste opsporingsdossier Z-11 moet het voor verdachte in redelijkheid duidelijk zijn geweest wat hem telastgelegd werd. Dat de plaatsaanduiding te vaag zou zijn vermag de rechtbank ook niet in te zien, nu de plaatsaanduiding “en/of in Spanje en/of elders buiten Nederland”, welke zinsnede overigens door de officier van justitie ter terechtzitting is gewijzigd in "en/of Spanje en/of in Europa", wordt voorafgegaan door de plaatsaanduiding “te Voorburg en/of Den Haag en/of Rotterdam en/of Delft en/of Veenendaal en/of Zevenhuizen en/of Malden, gemeente Heunen en/of Mook en/of Udenhout en/of Utrecht en/of Amsterdam althans in Nederland”.

Namens verdachte is verder aangevoerd dat ten aanzien van de zaak Cerberus (feit 8) de dagvaarding nietig moet worden verklaard.

De rechtbank verwerpt ook dit verweer, nu niet nader wordt aangegeven waarom de telastlegging ter zake van dit feit onvoldoende duidelijk zou zijn.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Namens de verdachte is aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging om de volgende redenen:

1. Ten tijde van het zogenaamd verkennend onderzoek was er nog geen sprake van een verdenking als bedoeld in artikel 27 Wetboek van Strafvordering. De ten tijde van het verkennend onderzoek gehanteerde opsporingsmethoden, met name het stelselmatig inwinnen van informatie en het onderzoek naar printgegevens, zijn dan ook onrechtmatig. Verder konden/moesten [verdachte] en [medeverdachte1] ten tijde van de deelonderzoeken al als verdachten worden aangemerkt, waardoor zij door de late aanhouding in hun verdediging zijn geschaad.

2. De observaties hebben een meer dan beperkte inbreuk gemaakt op het privé-leven van de verdachte, de officier van justitie heeft geen voorafgaande toestemming gegeven voor de observaties en in strijd met de geldende richtlijnen is niet onmiddellijk proces-verbaal opgemaakt van de observaties.

3. Er is gehandeld in strijd met artikel 152 Wetboek van Strafvordering, aangezien geen proces-verbaal is opgemaakt van het door de CID gehouden uitgebreid milieuonderzoek.

4. De samenwerking met de banken was onrechtmatig.

5. Het voegen in het dossier van verdachte van gegevens uit andere gerechtelijke vooronderzoeken is niet gebaseerd op een reglement als bedoeld in de Wet op de persoonsregistratie.

6. De officier van justitie heeft geen volledige openheid van zaken gegeven met betrekking tot het infiltratietraject.

7. Er is sprake geweest van langdurige telefoontaps. Op grond van jurisprudentie van het Europese Hof levert dit schending van artikel 8 EVRM op.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende:

1. Blijkens het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van F.W. van Winsen, inspecteur van politie Haaglanden, van 20 oktober 2000 is het verkennend onderzoek in de zaak Zeearend gestart in december 1996. Blijkens zijn verklaring bij de rechter-commissaris op 19 oktober 2000 is dit onderzoek geëindigd op of kort voor 7 oktober 1997. Op grond van de door Van Winsen opgestelde nota d.d. 2 april 1997, waarin de resultaten van het verkennend onderzoek zijn gerelateerd (gehecht aan de vordering gerechtelijk vooronderzoek inzake [medeverdachte1]), welke nota is gevolgd door het proces-verbaal van 7 oktober 1997 (proces-verbaal Zeearend A-1-16 t/m A-1-25), is op 3 april 1997, op vordering van de officier van justitie, een gerechtelijk vooronderzoek geopend tegen verdachte [medeverdachte1].

De rechtbank is van oordeel dat in december 1996 ten aanzien van de verdachte [medeverdachte1] sprake was van een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit als bedoeld in artikel 27 Wetboek van Strafvordering. Dit vermoeden was met name gebaseerd op in de maand november 1996 bij de RCID van politie IJsselland ingekomen informatie dat [verdachte], [medeverdachte1] en [medeverdachte2] met elkaar samenwerkten in de XTC-, amfetamine- en hashhandel (proces-verbaal Zeearend A-1-1 t/m A-1-4). Dat verbalisant Van Winsen mogelijk van mening was dat eerst ten tijde van de vordering gerechtelijk vooronderzoek sprake zou zijn van een verdachte in de zin van artikel 27 Wetboek van Strafvordering, doet hieraan niet af, aangezien het aan de rechtbank is om vast te stellen of en zo ja wanneer iemand als verdachte kan/moet worden aangemerkt.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van deze informatie een verkennend onderzoek kon worden gestart, waarbij de rechtbank het verdachte-criterium heeft toegepast en niet het criterium dat er slechts sprake hoefde te zijn van aanwijzingen, zoals dat sinds 1 februari 2000 voorkomt in artikel 126gg Wetboek van Strafvordering. De tijdens dit onderzoek gebruikte opsporingsmethoden, zoals het (stelselmatig) inwinnen van informatie en het - met machtiging van de rechter-commissaris - doen van onderzoek naar printgegevens, waren dan ook niet onrechtmatig.

Als iemand tijdens een opsporingsonderzoek naar voren komt als mogelijke verdachte betekent dit nog niet dat ook direct tot aanhouding zou moeten worden overgegaan. Het opsporingsbelang kan meebrengen dat eerst nader onderzoek wordt verricht, teneinde een duidelijker beeld te krijgen van de betrokkenheid van een verdachte bij een zaak. Met name is dit van belang, omdat voor een eventuele vordering tot bewaring een redelijk vermoeden van schuld niet voldoende is, maar dan sprake moet zijn van ernstige bezwaren.

Het is in eerste instantie aan de officier van justitie - in casu de zaaksofficier in de zaak Zeearend - om het moment te bepalen, waarop het onderzoek een zodanig compleet beeld tegen een met name genoemde verdachte heeft opgeleverd dat tot aanhouding moet worden overgegaan. Slechts als de officier van justitie het moment van aanhouding uitstelt om daardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte tekort te doen aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak, zou dit de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie kunnen raken.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting uitvoerig uitgelegd waarom is besloten pas op 9 februari 2000 tot aanhouding van de verdachte over te gaan. De overwegingen van de officier van justitie komen erop neer dat [medeverdachte1] en [verdachte] in de deelonderzoeken wel (incidenteel) in beeld kwamen, maar dat voor een succesvolle vervolging nog geen voldoende bewijs was verzameld. Daarbij heeft mede een rol gespeeld de - achteraf juist gebleken - verwachting van de officier van justitie dat de verdachten geen verklaringen zouden afleggen en dat ook niet veel te verwachten zou zijn van getuigenverklaringen. Eerst na de zaken Wok en Roadrunner, die speelden in de loop van 1999, was er volgens de officier van justitie voldoende zicht op een succesvolle vervolging, waarna werd besloten tot aanhouding over te gaan. Dat de uiteindelijke aanhoudingen pas op 9 februari 2000 hebben plaatsgevonden had te maken met de tijd die nodig was om een dergelijke grootschalige actie, waarbij op veel plaatsen in het land tegelijk huiszoeking moet worden gedaan, voor te bereiden.

De rechtbank is, gelet op de door de officier van justitie geschetste loop van het onderzoek, van oordeel dat de officier van justitie haar beslissing om de verdachten eerst in februari 2000 aan te houden op redelijke gronden heeft kunnen nemen. Van een doelbewuste of grove veronachtzaming van de rechten van de verdachte is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.

Weliswaar wordt het voor de verdachte moeilijker om zich na enkele jaren de exacte inhoud van de telefoongesprekken nog te kunnen herinneren, maar dit levert niet een zodanige schending op van de belangen van de verdediging dat dit tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie zou moeten leiden.

Dat door de aanhouding uit te stellen harddrugs op de markt zouden zijn gekomen is een stelling van de raadsman, die op geen enkele manier is onderbouwd of aannemelijk geworden. De rechtbank vermag verder niet in te zien dat de verdachte in zijn verdediging is geschaad, doordat hij niet als verdachte is aangemerkt in de onderliggende deelonderzoeken en daardoor geen rechten geldend heeft kunnen maken in gerechtelijke vooronderzoeken in die deelonderzoeken. Tegen verdachte is immers een gerechtelijk vooronderzoek geopend in de Zeearend zaak, welk gerechtelijk vooronderzoek in de loop van de tijd is uitgebreid tot de telastgelegde deel-onderzoeken. In dit gerechtelijk vooronderzoek heeft de verdachte van alle rechten gebruik kunnen maken, met name het horen van getuigen, en daarvan in voorkomende gevallen ook gebruik gemaakt.

2. Op grond van de beschikbare stukken is duidelijk geworden dat de verdachte zeer regelmatig en in sommige gevallen langdurig onderwerp is geweest van observatie. Slechts door de grote hoeveelheid aan observatieverslagen naast elkaar te leggen is een exact beeld te krijgen over de duur, de intensiteit, de plaats, het doel en de wijze van de observaties. Ook zonder hiervan een exact beeld te hebben gekregen is de rechtbank van oordeel dat door middel van de observaties - gecombineerd met de vele en langdurige telefoontaps - een meer dan beperkte inbreuk is gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte.

Voor wat betreft de juridische consequenties acht de rechtbank van belang dat de verdachte het tot op zekere hoogte aan zichzelf heeft te wijten dat deze opsporingsmethoden ten opzichte van hem werden toegepast. Verdachte heeft zich immers, zoals uit het navolgende zal blijken, gedurende een lange periode schuldig gemaakt aan ernstige misdrijven, voornamelijk overtredingen van de Opiumwet. Kennelijk was hij gedurende die periode zich ervan bewust dat hij voorwerp van onderzoek zou kunnen zijn. Dit volgt met name uit de vele telefoontaps, waaruit blijkt dat verdachte en zijn gesprekspartners zich veelal bedienden van versluierend taalgebruik, met name ook met betrekking tot de plaatsen waar afspraken werden gemaakt. De rechtbank acht aannemelijk dat dit mede is gedaan teneinde te voorkomen dat een observatieteam hem zou weten te traceren. Hoewel niet gezegd kan worden dat de verdachte hierdoor zijn recht op een ongestoord privéleven geheel heeft prijsgegeven, is de rechtbank van oordeel dat de inbreuk in het onderhavige geval niet zodanig ernstig is dat dit zou moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. De rechtbank heeft daarbij tevens in aanmerking genomen dat aannemelijk is geworden dat minder vergaande opsporingsmethoden niet tot resultaten hadden geleid.

De rechtbank ziet wel aanleiding om bij de strafmaat rekening te houden met de gepleegde inbreuk op het privé-leven van verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank hoeven, gelet op het voorgaande, de observaties niet van het bewijs te worden uitgesloten.

De stelling van de raadsman dat de officier van justitie geen voorafgaande toestemming voor de observaties heeft gegeven, onderschrijft de rechtbank niet, nu de officier van justitie ter terechtzitting heeft verklaard dat elke observatie is voorafgegaan door mondelinge toestemming van de officier van justitie. Voor wat betreft de observaties die hebben plaatsgevonden na 1 februari 2000 is gehandeld overeenkomstig artikel 126g Wetboek van Strafvordering. De officier van justitie heeft tevens verklaard dat van iedere observatie een verslag is opgemaakt en dat vanaf begin 1999 van iedere observatie een proces-verbaal is opgemaakt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat in zoverre is voldaan aan de geldende richtlijnen.

De stelling van de raadsman dat de observatie van de woning van verdachte [medeverdachte1] wel met een camera móet zijn gebeurd, terwijl dit niet is gerelateerd, is op geen enkele manier aannemelijk geworden.

3. De rechtbank is hieromtrent van oordeel dat op geen enkele manier aannemelijk is geworden dat er sprake is geweest van een actief milieuonderzoek.

4. Op grond van de mededeling van officier van justitie ter terechtzitting - refererend aan het nader opgemaakte proces-verbaal van H. Ketellapper, inspecteur van politie Haaglanden, van 25 oktober 2000 - dat in het proces-verbaal inzake ambtshandelingen onderzoek Zeearend (proces-verbaal Zeearend, AH-1) de samenwerking met de banken “te mooi” is omschreven, is aannemelijk geworden dat de samenwerking met de banken heeft bestaan uit het bij een viertal gelegenheden opvragen en verkrijgen van diverse (bank)bescheiden op grond van een bevel uitlevering stukken, als bedoeld in artikel 105 Wetboek van Strafvordering op een moment waarop, naar de rechtbank hiervoor onder 1 heeft overwogen, reeds sprake was van een verdenking in de zin van artikel 27 Wetboek van Strafvordering. De uitlevering van de stukken is nader gerelateerd in het hiervoor genoemde proces-verbaal van Ketellapper. Dat de samenwerking met de banken verder zou zijn gegaan is op geen enkele manier aannemelijk geworden.

De rechtbank ziet niet in dat de verkrijging van informatie onrechtmatig zou zijn, omdat het hier zou gaan om gegevensbestanden die in een computer zijn opgeslagen. Dat de registratiekamer hier mogelijk anders over zou denken is in dit kader niet relevant, nu de rechtbank zelfstandig heeft te oordelen over de vraag of een bepaalde opsporingsmethode rechtmatig is.

5. De rechtbank is van oordeel dat gegevens uit een gerechtelijk vooronderzoek niet kunnen worden aangemerkt als een samenhangende verzameling van op verschillende personen betrekking hebbende persoongegevens, die langs geautomatiseerde weg wordt gevoerd of met het oog op een doeltreffende raadpleging van die gegevens systematisch is aangelegd, zoals bedoeld in artikel 1 van de Wet persoonsregistraties, zodat die wet hier niet van toepassing is. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat telkens door de rechter-commissaris toestemming is verleend voor het gebruikmaken van gegevens uit andere zaken. Weliswaar is het verzoek van de officier van justitie om in het kader van het Condoronderzoek tapgegevens te gebruiken, verkregen uit het gerechtelijk vooronderzoek tegen [X.Y.], niet door de rechter-commissaris voor akkoord getekend (proces-verbaal Zeearend, AH-B-5 t/m AH-B-6), maar bij de stukken bevindt zich wel een door de rechter-commissaris voor akkoord getekend verzoek van de officier van justitie d.d. 15 juni 1998 om diezelfde gegevens te verstrekken (proces-verbaal Zeearend, AH-B-3 t/m AH-B-4).

6. Zoals de rechtbank reeds ter terechtzitting van 30 oktober 2000 heeft overwogen heeft de verbalisant A. Nievaart op 28 januari 2000 omtrent het infiltratietraject een duidelijk en uitvoerig proces-verbaal opgemaakt. Verder heeft de officier van justitie op 11 augustus 2000 een ambtsedig proces-verbaal opgemaakt, waarin zij verantwoording aflegt over de subsidiariteit en proportionaliteit met betrekking tot de infiltratie. Op geen enkele manier is aannemelijk geworden dat de verslaglegging omtrent de gang van zaken rond de infiltratie onjuist of onvolledig zou zijn.

7. In de onderhavige zaak is sprake geweest van het langdurig aftappen van vele telefoonaansluitingen. Voor wat betreft telefoonaansluitingen op naam van of in gebruik bij verdachte heeft dit aftappen plaatsgevonden vanaf 16 januari 1998, waarbij de rechtbank verwijst naar het overzicht in het proces-verbaal Zeearend, AH-11 t/m AH-35. Voor alle telefoontaps is machtiging verleend door de rechter-commissaris. Ook in de afzonderlijke deelonderzoeken zijn telefoongesprekken afgeluisterd, waaraan de verdachte heeft deelgenomen, maar dit betroffen veelal geen telefoonaansluitingen op naam van of in gebruik bij verdachte.

Ten tijde van het afgeven van de machtigingen door de rechter-commissaris was telkens sprake van een dringende noodzakelijkheid, als bedoeld in artikel 125g (oud) Wetboek van Strafvordering. Desalniettemin is de rechtbank van oordeel dat, zoals zij reeds hiervoor onder 2 heeft overwogen, door de vele en langdurige telefoontaps, gecombineerd met de vele observaties, een zodanige inbreuk is gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte dat dit moet leiden tot strafvermindering. De niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie is naar het oordeel van de rechtbank hier niet aan de orde, nu van een doelbewuste of grove veronachtzaming van de rechten van de verdachte geen sprake is.

Ten aanzien van het feit dat is getapt in een openbare telefooncel gaat de rechtbank uit van de mededeling van de officier van justitie ter terechtzitting dat het hierbij ging om een rechtmatige telefoontap in de Pakrolo-zaak.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging.

De raadsman heeft aangevoerd dat in de zaak Bamboe (feit 6) het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de redelijke ter-mijn is overschreden, nu sinds de belastende verklaring van getuige Poots 3 jaar en 8 maanden zijn verstreken.

Bij de vraag of sprake is van schending van de redelijke termijn moet worden gerekend vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. In de onderhavige zaak gaat de rechtbank ervan uit dat dit was op de dag van aanhouding van verdachte, te weten 9 februari 2000. Nu niet is aangevoerd, noch aannemelijk geworden, dat in dit geval bij verdachte al eerder een redelijke verwachting bestond dat hij terzake van de Bamboe-zaak zou worden vervolgd, is geen sprake van schending van de redelijke termijn. Ook het subsidiaire verweer dat dit zou moeten leiden tot strafvermindering wordt dan ook verworpen.

Met betrekking tot de zaak Cerberus (feit 8) is namens verdachte aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging nu in strijd met het gelijkheidsbeginsel verdachte voor dit feit wel is vervolgd en [medeverdachte2] niet.

De rechtbank verwerpt dit verweer, nu op grond van hetgeen de officier van justitie ter terechtzitting hierover heeft verklaard, aannemelijk is geworden dat geen sprake was van gelijke gevallen.

Immers op het moment dat de officier van justitie ten aanzien van [medeverdachte2] de beslissing nam om van verdere vervolging af te zien, was de informatie dat de vrachtauto met daarin lege verpakkingen met resten BMK en PMK, welke waren terug te voeren op de vanuit China ingevoerde container, nog niet bekend bij het Haagse parket.

Ook ten aanzien van de zaak Condor (feiten 10 en 11) heeft de raadsman aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Volgens de raadsman zou in strijd met het gelijkheidsbeginsel verdachte wel zijn vervolgd en [Y.Z.] en [Z.X.] niet.

De rechtbank verwerpt ook dit verweer, nu geen omstandigheden zijn aangevoerd, waaruit zou volgen dat er sprake was van gelijke gevallen. Uit het dossier valt juist op te maken dat de rol van [Y.Z.] en [Z.X.] een geheel andere was dan de rol van verdachte.

Onrechtmatig verkregen bewijs

Namens de verdachte is aangevoerd dat het tijdens het verkennend onderzoek verkregen bewijsmateriaal onrechtmatig is verkregen. Dit bewijsmateriaal en het daaruit voortvloeiende bewijsmateriaal kunnen volgens de raadsman dan ook niet voor het bewijs worden gebezigd.

Zoals bij de bespreking van het niet-ontvankelijkheidverweer onder 1. is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat geen sprake was van onrechtmatig verkregen bewijs. Het verweer wordt dan ook verworpen.

Vrijspraak

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte bij

- gewijzigde - dagvaarding onder onder 2 primair, 3 primair,

8 primair, subsidiair en meer subsidiair, 9 primair en subsidiair, 10 primair en subsidiair en 11 primair is telastgelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

Verzoeken om nader onderzoek

De raadsman heeft namens verdachte gepersisteerd bij zijn ter terechtzitting van 30 oktober 2000 gedane verzoek tot het horen van de leiders van de deelonderzoeken en de zaaksofficieren van justitie.

De rechtbank wijst dit verzoek (wederom) af, nu de beslissing tot aanhouding van de verdachte is genomen door de officier van justitie in de zaak Zeearend en niet door voornoemde leiders en/of zaaksofficieren van justitie in de deelonderzoeken. De rechtbank acht het horen van deze getuigen dan ook niet noodzakelijk.

De raadsman heeft verzocht om nader proces-verbaal te laten opmaken over de gang van zaken rond het actief milieuonderzoek, zoals dat zou hebben plaatsgevonden door de CID.

De rechtbank wijst dit verzoek af, nu de noodzaak daarvan niet is gebleken. Er is op geen enkele manier aannemelijk geworden dat er sprake is geweest van een actief milieuonderzoek.

De rechtbank wijst het door de verdediging gedane verzoek om een deskundige van de registratiekamer te horen omtrent de gang van zaken rond de verkrijging van gegevens van banken af, nu de rechtbank zelfstandig heeft te oordelen over de vraag of een bepaalde opsporingsmethode rechtmatig is. Ditzelfde geldt voor het horen van een deskundige van de registratiekamer omtrent de vraag of er voor het verstrekken van gegevens uit een ander gerechtelijk vooronderzoek een reglement in de zin van de Wet persoonsregistraties nodig is. De noodzaak van het verzochte is dan ook niet gebleken.

De bewijsmiddelen

P.M.

De bewezenverklaring

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast en is de rechtbank op grond daarvan tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding onder 1, 2 subsidiair, 3 subsidiair, 4, 5, 6 primair, 7 primair en 11 subsidiair vermelde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat het na te melden misdrijven oplevert.

Verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden, waaronder zij zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank overweegt met betrekking tot de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf als volgt.

Verdachte heeft zich gedurende een periode van enige jaren op zeer grote schaal en op professionele wijze schuldig gemaakt aan handelingen met betrekking tot grote hoeveelheden softdrugs, harddrugs (amfetamine, XTC-pillen), grondstoffen ter bereiding van die harddrugs, alsmede het leiding geven aan een criminele organisatie die zich met vorenstaande handelingen bezighield.

Ter terechtzitting is duidelijk geworden dat verdachte aan het hoofd stond van deze organisatie, die uit wisselende samenstellingen bestond. Medeverdachten moesten aan hem verantwoording afleggen en verdachte had op cruciale momenten een beslissende stem in de verboden activiteiten. Verdachte opereerde veelal achter de schermen, waar hij de beslissingen nam, en liet de feitelijke uitvoering over aan anderen.

Amfetamine, XTC, hash en hennep zijn stoffen waarvan het gebruik schadelijk is voor de volksgezondheid en die direkt en indirekt leiden tot vele vormen van criminaliteit. Een en ander veroorzaakt veel schade aan en onrust in de maatschappij. Handelingen die tot doel hebben deze stoffen te produceren, in- of uit te voeren of te verhandelen dienen dan ook streng te worden bestraft.

Verdachte heeft bij zijn activiteiten slechts oog gehad voor zijn eigen geldelijk gewin.

De rechtbank heeft voorts in haar oordeel betrokken dat verdachte -blijkens een op zijn naam staand uittreksel uit het algemeen documentatieregister - in 1995 is veroordeeld wegens onder andere het als bestuurder deelnemen aan een criminele organisatie. Verdachte is hiermee derhalve vrijwel direkt na zijn vrijlating doorgegaan.

De rechtbank rekent verdachte dit alles ernstig aan.

Gezien het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 9 jaar in beginsel passend en geboden is. Gelet echter op de lange periode van tappen en observeren en de inbreuk die dit heeft veroorzaakt op verdachtes persoonlijke levenssfeer, zal de rechtbank een gevangenisstraf van 8 jaar en 6 maanden opleggen.

Bij de vaststelling van de vermogensstraf heeft de rechtbank rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

De toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 23, 24, 24c, 45, 47, 57, 140 (oud) en 140 van het Wetboek van Strafrecht;

de artikelen 2, 3, 10, 10a en 11 van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijsten I en II.

BESLISSING

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem bij - gewijzigde - dagvaarding onder 2 primair, 3 primair, 8 primair, subsidiair en meer subsidiair, 9 primair en subsidiair, 10 primair en subsidiair en 11 primair telastgelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart in voege als overwogen wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding onder 1, 2 subsidiair, 3 subsidiair, 4, 5, 6 primair, 7 primair en 11 subsidiair telastgelegde feiten heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

HET DEELNEMEN AAN EEN ORGANISATIE DIE TOT OOGMERK HEEFT HET PLEGEN VAN MISDRIJVEN, TERWIJL VERDACHTE AAN DIE ORGANISATIE LEIDING HEEFT GEGEVEN;

ten aanzien van feit 2 subsidiair:

MEDEPLEGEN VAN OPZETTELIJK HANDELEN IN STRIJD MET EEN IN ARTIKEL 2, EERSTE LID, ONDER B, VAN DE OPIUMWET GEGEVEN VERBOD;

ten aanzien van feit 3 subsidiair:

MEDEPLEGEN VAN OPZETTELIJK HANDELEN IN STRIJD MET EEN IN ARTIKEL 3, EERSTE LID, ONDER B, VAN DE OPIUMWET GEGEVEN VERBOD;

ten aanzien van feit 4:

MEDEPLEGEN VAN OPZETTELIJK HANDELEN IN STRIJD MET HET IN ARTIKEL 2, EERSTE LID, ONDER C VAN DE OPIUMWET GEGEVEN VERBOD;

ten aanzien van feit 5:

MEDEPLEGEN VAN OPZETTELIJK HANDELEN IN STRIJD MET HET IN ARTIKEL 3, EERSTE LID, ONDER C, VAN DE OPIUMWET GEGEVEN VERBOD;

ten aanzien van feit 6 primair:

MEDEPLEGEN VAN EEN FEIT, BEDOELD IN HET DERDE LID VAN ARTIKEL 10 VAN DE OPIUMWET VOORBEREIDEN OF BEVORDEREN, DOOR ZICH OF EEN ANDER MIDDELEN TOT HET PLEGEN VAN DAT FEIT TRACHTEN TE VERSCHAFFEN EN STOFFEN VOORHANDEN TE HEBBEN, WAARVAN HIJ WEET OF ERNSTIGE REDEN HEEFT OM TE VERMOEDEN DAT ZIJ BESTEMD ZIJN TOT HET PLEGEN VAN DAT FEIT;

ten aanzien van feit 7 primair:

MEDEPLEGEN VAN POGING TOT OPZETTELIJK HANDELEN IN STRIJD MET EEN IN ARTIKEL 2, EERSTE LID, ONDER A, VAN DE OPIUMWET GEGEVEN VERBOD;

ten aanzien van feit 11 subsidiair:

MEDEPLEGEN VAN POGING TOT OPZETTELIJK HANDELEN IN STRIJD MET EEN IN ARTIKEL 3, EERSTE LID, ONDER A, VAN DE OPIUMWET GEGEVEN VERBOD;

verklaart het bewezene en verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt verdachte te dier zake tot:

gevangenisstraf voor de duur van 8 JAAR EN 6 MAANDEN;

bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht bij de uitvoering van de hem onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

veroordeelt verdachte voorts tot:

betaling van een geldboete van ƒ 250.000,=;

bepaalt dat de boete bij gebreke van betaling en verhaal zal worden vervangen door hechtenis voor de tijd van 1 jaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard;

spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door mrs Timmermans, voorzitter, Tammes en Knol, rechters,

in tegenwoordigheid van mr Pattiata en Rietbroek, griffiers, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 november 2000.