Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA8385

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-09-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 00/7899, 00/7901, 00/7902
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:86, geldigheid: 2000-09-07
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Haarlem

fungerend president

enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken

U I T S P R A A K

artikel 8:81 en 8:86 Algemene Wet Bestuursrecht (Awb)

artikel 33a, 34a en 34j Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr: AWB 00/7899 VRWET H (voorlopige voorziening)

AWB 00/7901 VRWET H (beroepszaak)

AWB 00/7902 VRWET H (vrijheidsontneming)

inzake: A, geboren op [...] 1966, van

Nigeriaanse nationaliteit, verblijvende in het Grenshospitium te Amsterdam, verzoeker,

gemachtigde: mr H.M. Pot, advocaat te Amsterdam,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr A. de Mik, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te 's-Gravenhage.

1. GEGEVENS INZAKE HET GEDING

1.1 Aan de orde is het verzoek om voorlopige voorziening hangende het beroep van verzoeker tegen de beschikking van verweerder van 26

augustus 2000. Deze beschikking is genomen in het kader van de zogenoemde AC-procedure en behelst de niet-inwilliging van de aanvraag om toelating als vluchteling en strekt tevens tot het niet verlenen van een vergunning tot

verblijf wegens klemmende redenen van humanitaire aard. Verzocht wordt om schorsing van de beslissing van verweerder om uitzetting niet achterwege te laten totdat op het beroep tegen voormelde beschikking is beslist.

1.2 Voorts is aan de orde het beroep gericht tegen de

vrijheidsontnemende maatregel van artikel 7a Vw die verweerder verzoeker met ingang van 23 augustus 2000 heeft opgelegd. Dit beroep strekt tevens tot toekenning van schadevergoeding.

1.3 De openbare behandeling van de geschillen heeft plaatsgevonden op 5 september 2000. Daarbij hebben verzoeker en verweerder bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader uiteengezet. Voorts is verzoeker ter zitting

gehoord.

2. OVERWEGINGEN

2.1 Ingevolge artikel 8:81 Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed,

gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Op grond van artikel 8:86 van de Awb heeft de president na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen

aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.3 De AC-procedure voorziet in een afdoening van asielverzoeken binnen 48 uur.

Deze procedure leent zich slechts voor die verzoeken waaromtrent binnen deze korte termijn procedureel en inhoudelijk naar behoren kan worden beslist. Dat laatste is het geval indien in redelijkheid buiten twijfel is dat bij

terugzending van verzoeker naar het land van herkomst geen gevaar voor vervolging c.q. schending van artikel 3 EVRM bestaat.

De president stelt vast dat er sprake is van een zodanig verzoek.

2.4 Verzoeker heeft als formele grief naar voren gebracht dat hij in het aanvullend gehoor op 26 augustus 2000 niet op de juiste wijze is bejegend en daardoor in zijn belangen is geschaad. Zijn gemachtigde heeft in de gronden van

het beroep van 2 september 2000 in dit verband gewezen op een uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, zittinghoudende te Haarlem, van 12 mei 2000, Awb 00/4214, 00/4215, 00/4216, welke uitspraak ter zitting is overgelegd. In die

uitspraak, waarin zich een vergelijkbare situatie zou hebben voorgedaan, heeft de desbetreffende president geoordeeld dat niet is uitgesloten dat verzoeker hierdoor in zijn belangen is geschaad, waarna de beroepen gegrond zijn

verklaard en de voorlopige voorziening is afgewezen.

De president oordeelt in de onderhavige zaak als volgt.

Uitgangspunt behoort te zijn dat asielzoekers tijdens het nader gehoor naar behoren hun relaas kunnen uiteenzetten. Door een te stringente of te confronterende opstelling van de contactambtenaar kan onder omstandigheden aan dat

uitgangspunt niet zijn voldaan. In het onderhavige geval heeft de president evenwel onvoldoende aanknopingspunten verkregen dat dit het geval zou zijn. Verzoeker heeft bij de correcties en aanvullingen namelijk wel aangegeven dat

hij het idee heeft dat hij door de gang van zaken bij het aanvullend gehoor niet veel heeft kunnen vertellen, maar hij heeft een en ander niet nader kunnen concretiseren. Ook ter zitting heeft verzoeker desgevraagd niet duidelijk

kunnen maken welke - voor de beoordeling van zijn asielaanvraag - wezenlijke informatie hij niet heeft kunnen vertellen. Onder deze omstandigheden moet aan het beroep van verzoeker worden voorbijgegaan. Het beroep op de hiervoor

genoemde uitspraak leidt niet tot een ander oordeel. In die zaken was namelijk ook door de vertegenwoordiger van vluchtelingenwerk, die bij het verhoor aanwezig was, verklaard dat het verhoor niet op de juiste wijze was verlopen.

Een dergelijke

situatie heeft zich in het onderhavige geval niet voorgedaan.

2.5 Verzoeker heeft ter onderbouwing van zijn asielaanvraag het volgende naar voren gebracht. Verzoeker is van gemengde afkomst, Haussa/Yoruba, en sinds drieënhalf jaar lid van de Odua People's Congress (OPC), een Yoruba groepering.

Verzoeker heeft in de OPC vanaf medio 1999 als assistent-secretaris gefunctioneerd en bij afwezigheid van de secretaris tijdens de vergaderingen genotuleerd.

Omstreeks februari/maart 2000 zijn verzoekers vader, een christen van Haussa afkomst, en verzoekers broer B in hun woning in C vanwege hun christelijke geloof vermoord door

islamitische Haussa-mensen. Verzoeker heeft hiervan aangifte gedaan bij de plaatselijke politie die het onderzoek in behandeling heeft genomen. Kort na de begrafenis heeft verzoeker vernomen dat de Haussa-mensen in het noorden van

Nigeria bezig waren de christenen te vermoorden. Verzoeker is hierop naar de leider van de OPC, Ganiu Adams, gegaan. Adams verklaarde van de problemen van verzoeker op de hoogte te zijn. Vervolgens is naar aanleiding van het

vermoorden van christenen een vergadering belegd. Verzoeker heeft zijn terrein beschikbaar gesteld voor de vergadering. Tijdens die vergadering, ongeveer twee weken later, hebben zich ongeveer 2000 leden van de OPC bij verzoeker op

het terrein verzameld. Geconcludeerd werd dat de Haussa-mensen moesten worden afgeslacht vanwege de vele Yoruba's die door hen waren gedood. Verzoeker kon zich vanwege zijn gemengde afkomst niet verenigen met dit besluit. De

afslachting van Haussa-mensen is desalniettemin in maart 2000, buiten aanwezigheid van verzoeker, op de Ketu-markt (Lagos) uitgevoerd waarbij 200 mensen zijn omgekomen. De Nigeriaanse regering heeft naar aanleiding van de slachting

een onderzoek ingesteld. Aangezien verzoeker zijn terrein ter beschikking had gesteld voor de vergadering van de OPC, was hij één van de verdachten. De Nigeriaanse autoriteiten zijn bij verzoeker aan de deur geweest en hebben naar

aanleiding van zijn afwezigheid een mondelinge boodschap bij de buren achtergelaten dat hij zich bij de politie moest melden. Verzoeker is vervolgens, tot zijn vertrek uit Nigeria op 22 augustus 2000, ondergedoken bij zijn zeer

goede vriend, D, die ook OPC-lid is en die een eind verderop in dezelfde straat als verzoeker woont. Op 19 augustus 2000 heeft verzoeker van D vernomen dat de OPC hem vanwege zijn (gedeeltelijke) Haussa-afkomst en zijn

terughoudendheid Haussa-mensen te vermoorden, als verrader beschouwde en hij onmiddellijk geëxecuteerd diende te worden. Omdat de situatie voor verzoeker, alsmede voor D gevaarlijk werd, heeft D via zijn contacten bij de KLM

geregeld dat verzoeker zonder papieren te hoeven laten zien, met de KLM naar Nederland kon vliegen.

2.6 Verweerder heeft zich in de bestreden beschikking - voorzover van belang en kort samengevat - op het standpunt gesteld dat verzoeker geen identiteitsdocumenten en reisbescheiden kan overleggen en evenmin een afdoende verklaring

heeft aangevoerd voor het ontbreken daarvan, zodat getwijfeld wordt aan de geloofwaardigheid van zijn vluchtmotieven. Voorts is overwogen dat de door verzoeker aangevoerde vluchtmotieven op zichzelf onvoldoende zijn om te

concluderen tot vluchtelingschap. Alhoewel verzoeker heeft verklaard dat hij drieënhalf jaar lid is geweest van de OPC, is de door hem gestelde negatieve aandacht voor zijn persoon van de zijde van de Nigeriaanse autoriteiten niet

aannemelijk omdat - gelet op zijn summiere kennis over de OPC - geen aanwijzingen bestaan dat hij binnen de OPC een belangrijk persoon is geweest en als zodanig door de autoriteiten is aangemerkt. Voorts zijn de door verzoeker

verrichte werkzaamheden voor de OPC louter ondersteunend en ondergeschikt geweest en heeft hij evenmin problemen ondervonden tijdens die activiteiten. Omdat verzoeker geen andere verklaring heeft kunnen geven voor de wetenschap van

de autoriteiten dat hij zijn erf beschikbaar heeft gesteld voor de vergadering dan dat dit

via informanten is gebeurd, is verweerder van oordeel dat niet aannemelijk is gemaakt dat die autoriteiten hiervan op de hoogte zijn geraakt. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat de vergadering probleemloos en zonder

interventies door de

autoriteiten heeft plaatsgevonden. De stelling van verzoeker dat hij in verband met de slachting op de Haussa-mensen door de politie wordt gezocht, is enkel van derden afkomstig en dus op vermoedens gebaseerd. Verzoeker komt hierom

niet voor vluchtelingschap in aanmerking. Hierbij is verder van belang dat verzoeker bij de moord op de 200 Haussa-mensen niet aanwezig is geweest. Dat verzoeker pas op 22 augustus 2000 is vertrokken, duidt er voorts niet op dat

sprake is geweest van een acute vluchtsituatie. Daaraan doet niet af dat verzoeker is ondergedoken. Vreemd is dat verzoeker in zijn eigen straat en bovendien bij een actief OPC-lid is ondergedoken.

Wat hier ook van zij, niet gebleken is dat verzoeker in deze periode problemen heeft ondervonden. De gestelde vervolging door de OPC is niet aannemelijk gemaakt nu deze enkel is gebaseerd op informatie van derden. Nu van vervolging

door de Nigeriaanse autoriteiten geen sprake is, kan verzoeker zich aan dreiging van problemen met de OPC onttrekken door zich elders in Nigeria te vestigen. Gelet op verzoekers verklaringen bestaat er geen bijzonder risico dat hij

bij terugkeer in Nigeria aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM zal worden onderworpen.

2.7 In de gronden van het beroep van 2 september 2000 heeft verzoeker - voorzover relevant en kort samengevat - hiertegen het volgende aangevoerd. Ten aanzien van de reisroute wordt aangevoerd dat iemand van de "senior-staff" van

het hoofdkantoor van de KLM in Lagos hem na overleg in het vliegtuig heeft toegelaten. Verder is er op gewezen dat de controles op het vliegveld van Lagos niet waterdicht zijn. Verweerder is na onzorgvuldige besluitvorming tot de

bestreden beschikking gekomen nu het Mosa-criterium onjuist is toegepast. Dienaangaande wordt verwezen naar een uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, zittinghoudende te Haarlem, van 21 januari 2000, Awb 00/191, 00/192 en 00/193,

welke uitspraak ter zitting is overgelegd. Weliswaar waren de werkzaamheden van verzoeker bij de OPC niet van groot politiek belang maar hij is hierdoor wel in gevaar gebracht nadat zijn gemengde afkomst bekend was geworden.

Verweerder heeft hiermee onvoldoende rekening gehouden en daarmee het Mosa-criterium onderbelicht. Vanwege zijn gemengde afkomst loopt verzoeker overal in Nigeria gevaar. De maatregel ex artikel 18a, Vw (lees: artikel 7a, Vw) dient

primair te worden opgeheven nu individuele feiten en omstandigheden die een dergelijke vergaande maatregel indiceren, ontbreken. Subsidiair dient de maatregel in duur te worden beperkt.

2.8 De president overweegt als volgt.

De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting gesteld dat het standpunt van verweerder in de bestreden beschikking zo gelezen dient te worden dat het relaas van verzoeker primair onaannemelijk is en subsidiair onvoldoende

zwaarwegend. Voor wat betreft het primaire standpunt heeft verweerder zich daarbij gebaseerd op het ontbreken van identiteits- en reisdocumenten en de onaannemelijke verklaringen hiervoor. Wat betreft het laatstgenoemde vermag de

president op te merken dat - wat er ook zij van de gestelde contacten van verzoekers vriend met een medewerker van de "senior staff" van de KLM-vestiging in Lagos - het hem ook zeer heeft verwonderd dat verzoeker zonder in het bezit

te zijn van een instapkaart en identiteitsdocument met medewerking van het cabinepersoneel aan boord van het KLM-vliegtuig in Lagos zou zijn gekomen. Dat de controles op het vliegveld van Lagos (nog) niet waterdicht zouden zijn, kan

niet als afdoende verklaring hiervoor gelden.

De president volgt verweerder echter niet in zijn standpunt dat bij het ongeloofwaardig zijn van het reisverhaal, het asielrelaas dit lot automatisch moet delen. In de terzake geldende TBV 1999/3 van

22 januari 1999 is dienaangaande vermeld dat indien de identiteit, nationaliteit en reisroute niet (kunnen) worden vastgesteld vanwege het toerekenbaar ontbreken van documenten, ook het vluchtrelaas in geloofwaardigheid wordt

aangetast. Aantasting van de

geloofwaardigheid van het vluchtverhaal is echter niet hetzelfde als dit vluchtverhaal als geheel ongeloofwaardig bestempelen. Voor dit laatste is naar het oordeel van de president noodzakelijk dat er ook andere redenen zijn om aan

de geloofwaardigheid te twijfelen.

Wat de vervolging door de autoriteiten betreft constateert de president dat verweerder naast het reisverhaal geen argumenten heeft kunnen aandragen die de geloofwaardigheid aantasten. De president gaat in het navolgende dan ook uit

van de door verweerder subsidiair gestelde onvoldoende zwaarwegendheid van de door verzoeker aangevoerde vluchtmotieven voor wat betreft zijn gestelde vervolging door de Nigeriaanse autoriteiten. Verzoeker heeft in dit verband naar

voren gebracht dat hij bij een zeer goede vriend en actief OPC-lid is ondergedoken nadat hij van de buren had vernomen dat de autoriteiten hem zochten in verband met zijn vermeende betrokkenheid bij de massaslachting van de

Haussa-mensen omstreeks maart 2000. Indien verzoeker door de Nigeriaanse autoriteiten daadwerkelijk als belangrijk politiek tegenstander is gezien, valt niet in te zien waarom zij het hebben gelaten bij een mondelinge mededeling aan

verzoekers buurman dat hij zich moest melden bij het politiebureau. Indien het de autoriteiten werkelijk ernst was geweest om verzoeker te arresteren, had het bovendien voor de hand gelegen dat zij hem bij zijn goede vriend en

tevens OPC-lid zouden hebben kunnen achterhalen. Dit klemt temeer nu genoemde vriend weliswaar een stuk verderop woonde, maar toch in dezelfde straat als verzoeker en dat verzoeker gedurende de vijf maanden dat hij bij deze vriend

is ondergedoken, nimmer problemen van de zijde van de autoriteiten heeft ondervonden. Bovendien is van belang dat ook indien verzoeker daadwerkelijk zou zijn gezocht door de

autoriteiten, er geen aanwijzingen zijn dat hier sprake is van vervolging in de zin van het Verdrag. Verzoeker heeft immers enkel zijn erf voor een vergadering van de OPC ter beschikking gesteld terwijl de leden van de fractie onder

leiding van Ganiyu Adams van de OPC, blijkens het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 7 april 2000 inzake de situatie in Nigeria, niet vanwege hun politieke gedachtengoed worden vervolgd doch enkel indien

hiervoor een criminele c.q. strafrechtelijke aanleiding voor bestaat. Nu de vergadering - blijkens de verklaringen van verzoeker - in goede orde en zonder interventies van overheidszijde is verlopen, zijn de door verzoeker verwachte

problemen niet te herleiden tot de gronden van het Verdrag. Daar verzoeker ook nog heeft verklaard dat hij niet bij het doden van de Haussa-mensen op de Ketu-markt aanwezig is geweest, zijn voor problemen met de autoriteiten sowieso

geen aanknopingspunten aanwezig. Gelet op vorenstaande overwegingen is de president van oordeel dat verweerder op juiste gronden heeft overwogen dat verzoekers motieven om te vrezen voor vervolging van de zijde van de Nigeriaanse

autoriteiten, onvoldoende zwaarwegend zijn.

2.9 In navolging van verweerders standpunt in de bestreden beschikking, is de president van oordeel dat de gestelde vervolging van de zijde van de OPC inderdaad niet aannemelijk is gemaakt. Hiertoe is het volgende redengevend.

Tijdens het aanvullend gehoor heeft verzoeker verklaard dat na zijn bezoek aan Ganiyu Adams, hetgeen blijkens zijn eerdere verklaring tijdens het nader gehoor op 25 augustus 2000 vlak na de dood van zijn vader en broer omstreeks

maart 2000 moet zijn geweest, bedoelde Adams er achter zou zijn gekomen dat verzoeker deels van Haussa-afkomst is. Hiervan uitgaande is niet aannemelijk dat verzoeker eerst bijna vijf maanden later vanwege zijn gemengde afkomst (en

zijn terughoudendheid Haussa-mensen te

doden) door de OPC als verrader wordt beschouwd. Verzoekers verklaring in dit verband dat eerst na de massaslachting van de Haussa-mensen op de Ketu-markt in maart 2000 de verhoudingen tussen de Haussa- en Yoruba-mensen zouden zijn

verslechterd, is niet aannemelijk gemaakt. Dienaangaande wordt gewezen op een krante-artikel uit de African Research Bulletin van januari 2000 met de titel "Call for Sovereign National Conference" waarin onder meer is vermeld dat op

25 en 26 november 1999 in Ketu (Lagos, Nigeria) ongeveer 100 mensen om het leven zijn gekomen bij conflicten tussen Haussa- en Yoruba-mensen. Nadat verzoeker hiermee ter zitting is geconfronteerd, heeft hij gesteld dat strubbelingen

tussen deze etnische groepen vaker voorkomen, hetgeen evenwel strijdt met zijn eerdere verklaring dat eerst na de slachting in maart 2000 de verhoudingen tussenbeide groepen zouden zijn geradicaliseerd.

2.10 Nu hiervoor reeds is overwogen dat vervolging van verzoeker door de OPC niet aannemelijk is gemaakt, is het tegenwerpen van een vestigingsalternatief om zich te onttrekken aan

vervolging door de OPC niet meer aan de orde. Bovendien heeft verzoeker tijdens het nader gehoor verklaard dat hij noch vanwege zijn godsdienst, noch vanwege zijn etnische afkomst - afgezien van de door hem gestelde problemen -

overigens problemen heeft ondervonden. Gelet hierop valt niet in te zien waarom verzoeker niet naar zijn woonplaats, Lagos, kan

terugkeren. Het beroep op de overgelegde en hiervoor genoemde uitspraak van 21 januari 2000 faalt derhalve.

2.11 Uit het voorgaande volgt dat in redelijkheid buiten twijfel is dat bij terugzending van verzoeker naar het land van herkomst geen gevaar voor vervolging c.q. schending van artikel 3 EVRM bestaat.

2.12 Uit het voorgaande volgt tevens dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan beoordeling van de hoofdzaak en dat deze slechts in ongegrondverklaring van het beroep kan eindigen. De president ziet derhalve

aanleiding om met toepassing van artikel 8:86 Awb onmiddellijk op dat beroep te beslissen.

Dat brengt mee dat het verzoek om voorlopige voorziening bij gebrek aan belang dient te worden afgewezen.

2.13 Voorts ziet de rechtbank geen grond om de oplegging dan wel de voortduring van de aan verzoeker opgelegde maatregel

onrechtmatig te achten. De toepassing ervan is in

overeenstemming met het terzake door verweerder gevoerde beleid dat is neergelegd in hoofdstuk B7/14 van de

Vreemdelingencirculaire (Vc). Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de belangen van verzoeker bij invrijheidstelling zwaarder wegen dan het belang van verweerder bij de toepassing en voortduring van de maatregel is niet

gebleken.

2.14 Niet gesteld of gebleken is dat de aan verzoeker na zijn inreis opgelegde maatregel van artikel 7a Vw onrechtmatig is geweest. Voorts ziet de rechtbank geen grond om de oplegging dan wel de voortduring van de aan verzoeker

opgelegde

vrijheidsbeperkende maatregel in het kader van artikel 18a, eerste lid, Vw onrechtmatig te achten. De toepassing ervan is in overeenstemming met terzake geldende eisen, neergelegd in artikel 18a Vw.

2.15 Ook het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel is derhalve ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt dan ook afgewezen.

2.16 Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is niet gebleken.

3. BESLISSING

De fungerend president:

3.1 verklaart het beroep ongegrond;

3.2 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

De rechtbank:

3.3 verklaart het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel ongegrond;

3.4 wijst het verzoek om toekenning van schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr G.F.H. Lycklama à Nijeholt,

fungerend president, tevens lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken, en uitgesproken in het openbaar op 7 september 2000, in tegenwoordigheid van mr D.C.G. Laagland als griffier.

afschrift verzonden op: 7 september 2000

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage, voor zover het betreft de beslissing inzake schadevergoeding. De Officier van Justitie kan binnen veertien dagen na de uitspraak en de vreemdeling

binnen een maand na de betekening van de uitspraak hoger beroep instellen door het indienen van een verklaring als bedoeld in de artikelen 449 en 451a van het Wetboek van Strafvordering bij de Arrondissementsrechtbank te

's-Gravenhage, zittingsplaats Haarlem.

Voor het overige staat geen gewoon rechtsmiddel open.