Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA8381

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-05-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 99/7111
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

enkelvoudige kamer

Uitspraak

artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht

jo artikel 33a Vreemdelingenwet

reg.nr.: AWB 99/7111 VRWET

inzake : A, wonende te B, eiser,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eiser, geboren op [...] 1942, bezit de Indonesische

nationaliteit. Hij verblijft sedert 3 januari 1999 als vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet (Vw) in Nederland. Op 24 februari 1999 heeft eiser bij de korpschef van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland een aanvraag ingediend

om verlening van een vergunning tot verblijf met als doel: "verblijf bij Nederlandse echtgenote C" (hierna:

referente). Bij besluit van 20 april 1999 heeft verweerder de aanvraag buiten behandeling gesteld. Eiser heeft tegen dit besluit op 28 april 1999 bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is bij besluit van 9 juni 1999 ongegrond verklaard.

2. Bij beroepschrift van 5 juli 1999, aangevuld bij brieven van 1 augustus 1999, 17 september 1999 en 13 april 2000, heeft eiser tegen dit afwijzende besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. In beroep heeft eiser verzocht het

bestreden besluit te vernietigen en te bepalen dat eiser alsnog dient te worden vrijgesteld van het vereiste van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv), dat zijn aanvraag in behandeling wordt genomen of dat aan hem een

vergunning tot verblijf wordt verleend. De rechtbank heeft partijen meegedeeld het beroep versneld te zullen behandelen. Op 11 oktober 1999 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het

verweerschrift van 21 april 2000 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep. Bij brief van 25 april 2000 heeft verweerder een kopie van het evaluatierapport ten aanzien van artikel 16a van de Vw

ingezonden.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 april 2000.

Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door

mr. R.J. Hamerslag, advocaat te Amsterdam. Verweerder heeft zich doen

vertegenwoordigen door gemachtigde

mr. A.G.J. van Ouwerkerk, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van verweerders ministerie. Tevens was ter zitting aanwezig C.

II. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

2. Eiser meent dat klemmende redenen van humanitaire aard tot toelating nopen. Daartoe voert hij aan dat hij dient te worden vrijgesteld van het mvv-vereiste, omdat er sprake is van bijzondere individuele omstandigheden. Eiser doet

een beroep op TBV 98/28 3.19, waarin de zogenaamde hardheidsclausule van artikel 16a, zesde lid, van de Vw is verwoord. Eiser is met een geldig bezoekersvisum Nederland binnengereisd, wat impliceert dat er in ieder geval onderzoek

is verricht naar de mogelijkheid van opvang tijdens eisers bezoek aan Nederland. De Nederlandse ambassade in Indonesië heeft tegen eiser en referente gezegd dat, indien eiser een mvv zou aanvragen, het visum zou worden ingetrokken.

Gezien de roerige situatie op dat moment hebben eiser en referente besloten naar Nederland te gaan en aldaar de mvv aan te vragen. Het is evident dat, indien eiser zich na het besluit in primo van 20 april 1999 had gemeld bij een

aanmeldcentrum voor een asielaanvraag, hem zou zijn tegengeworpen dat hij zich niet tijdig (tot

twee dagen na binnenkomst) zou hebben gemeld en dat verzoek vervolgens niet-ontvankelijk zou zijn verklaard. Eiser en referente kennen elkaar al zeer lang en hebben elkaar vanwege zeer betreurenswaardige omstandigheden uit het oog

verloren. Referente dacht zelfs dat eiser was overleden en heeft eerst een aantal jaren geleden vernomen dat eiser in leven was. Zowel eiser als referente hebben in een politiek zeer beladen positie verkeerd, die voor beiden in

Indonesië verregaande consequenties zou kunnen hebben. Eiser zelf blijft nog steeds kwetsbaar, omdat zijn verblijf in China nog immer in verband kan worden gebracht met PKI-sympathieën. Voorts heeft eiser gesteld dat de hoorplicht

is geschonden. Ten slotte heeft eiser gesteld dat hij in 1942 in Padang is geboren en valt onder de categorie "Nederlands onderdaan niet Nederlander", zodat hij de mogelijkheid heeft als oud-Nederlands onderdaan, zodra hij een vtv

heeft, het Nederlanderschap aan te vragen.

Het is dan de vraag of eiser onder TBV 1998/28 nr. 16 valt, welke ook de mogelijkheid tot vrijstelling opent. Eiser voldoet, afgezien van het mvv-vereiste, aan de overige voorwaarden voor toelating.

3. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat eiser niet in het bezit is van een geldige mvv en niet behoort tot één van de categorieën die is vrijgesteld van het mvv-vereiste. Er is geen sprake van een zeer

bijzonder individueel geval, daar niet is gebleken dat het voor eiser niet mogelijk is in het land van herkomst een vergunning tot verblijf aan te vragen. Ten aanzien van de stelling dat een aanvraag om verlening van een mvv een

onaanvaardbaar risico met zich zou brengen wijst verweerder op de mogelijkheid een asielaanvraag in te dienen. De stelling dat de Nederlandse ambassade eiser heeft aangeraden met een visum naar Nederland te reizen is niet door

middel van relevante documenten onderbouwd en kan niet worden gevolgd. Gelet op artikel 32, tweede lid, van de Vw is in dit geval beslist zonder eiser in de gelegenheid te stellen zich te doen horen.

In het verweerschrift heeft verweerder nog gesteld dat, ook als de aanvraag om toelating als vluchteling niet-ontvankelijk is, verweerder in verband met het refoulementverbod alsnog de asielmotieven inhoudelijk moet beoordelen.

Bovendien wordt bij een asielaanvraag ambtshalve door verweerder beoordeeld of de aangedragen feiten en omstandigheden dienen te leiden tot het verlenen van een vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire

aard.

De rechtbank overweegt het volgende.

4. Artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat, indien een aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag of indien de verstrekte gegevens en bescheiden

onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van het besluit, het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad om binnen een door het

bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag aan te vullen.

5. In het eerste lid van artikel 16a van de Vw, dat in werking is getreden op 11 december 1998, is bepaald dat een aanvraag om toelating slechts in behandeling wordt genomen indien de vreemdeling beschikt over een geldige mvv, welke

de vreemdeling heeft aangevraagd bij en welke aan de vreemdeling is verstrekt door de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het land van herkomst of het land van bestendig verblijf van de vreemdeling. In

artikel 16a, derde lid, van de Vw en in artikel 16a, vierde lid van de Vw jo artikel 52 van het Vb is een aantal categorieën van vreemdelingen genoemd die van het mvv- vereiste zijn vrijgesteld. Voorts kan krachtens artikel 16a,

zesde lid, van de Vw in zeer bijzondere individuele gevallen voor het in behandeling nemen van een aanvraag om toelating worden afgezien van het mvv-vereiste.

6. In geschil is of eiser in aanmerking komt voor vrijstelling van bovengenoemd mvv-vereiste. De rechtbank gaat eerst in op de vraag of er in de onderhavige zaak sprake is van een zeer bijzonder, individueel geval, waarin ingevolge

artikel 16a, zesde lid, van de Vw van het mvv-vereiste kan worden afgezien ("de hardheidsclausule").

7. Eiser heeft gesteld dat hij niet terug kan keren naar Indonesië om een mvv aan te vragen vanwege de dreigende situatie aldaar en vanwege zijn politieke verleden. De rechtbank is van oordeel dat de enkele verwijzing door

verweerder naar de asielprocedure onvoldoende is om het beroep op de hardheidsclausule te verwerpen. Eisers standpunt moet naar het oordeel van de rechtbank als een beroep op artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de

rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) worden opgevat. Dit artikel kan er aan in de weg staan dat van een vreemdeling gevergd wordt dat hij terugkeert naar het land van herkomst om een mvv aan te vragen. Verweerder

had eisers stellingen dan ook in dit licht moeten bezien.

8. Nu verweerder het beroep op de hardheidsclausule heeft verworpen door de enkele verwijzing naar de asielprocedure berust het bestreden besluit op een ondeugdelijke motivering. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het bestreden

besluit niet in stand kan blijven. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd, onder gegrondverklaring van het beroep.

Verweerder zal opnieuw op het bezwaar moeten beslissen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Gelet op vorenstaande rechtsoverwegingen acht de rechtbank geïndiceerd dat eiser wordt gehoord op zijn bezwaar.

9. Daar het bestreden besluit reeds hierom wordt vernietigd, behoeven de overige stellingen van eiser thans geen bespreking.

10. In dit geval ziet de rechtbank aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten, welke zijn begroot op f 1420,-, als kosten van rechtsbijstand. Tevens dient het betaalde

griffierecht geheel te worden vergoed door de rechtspersoon, aangewezen door de rechtbank.

III. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4. bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan eiser het griffierecht ad f 225,- (zegge: tweehonderdvijfentwintig gulden) vergoedt;

5. veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag groot f 1420,- (zegge: veertienhonderdtwintig gulden) te betalen door de Staat der Nederlanden aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2000, door mr. D. Radder, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. J.Th.H. Zimmerman, griffier.

Afschrift verzonden op: 30 mei 2000

Conc.:AZ

Coll:

Bp:-

D:B

110497