Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA8376

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-08-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 99/11541
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

enkelvoudige kamer

Uitspraak

artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 33a Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr.: AWB 99/11541 VRWET

Inzake: A, wonende te B, eiser,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eiser, geboren op [...] 1962, is burger van de Democratische Republiek Congo (DRC). Op 16 mei 1997 heeft hij aanvragen ingediend om toelating als vluchteling en verlening van een vergunning tot verblijf op grond van klemmende

redenen van humanitaire aard. Bij besluit van 20 augustus 1998, heeft verweerder op deze aanvragen afwijzend beslist.

De aanvraag om toelating als vluchteling is niet ingewilligd vanwege kennelijke ongegrondheid. Eiser heeft tegen het besluit bezwaar gemaakt bij bezwaarschrift van 14 september 1998, aangevuld bij brieven van 5 oktober 1998 (met

bijlage), 9 februari 1999 (met bijlage) en 14 september 1999 (met bijlagen). Bij besluit van 24 september 1999 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Het besluit is bij brief van gelijke datum aan de gemachtigde van eiser

gezonden.

2. Bij beroepschrift van 21 oktober 1999, aangevuld bij brieven van 2 december 1999 (met bijlagen) en 1 februari 2000 (met bijlage) heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft partijen

meegedeeld het beroep versneld te zullen behandelen. Op 21 februari 2000 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 28 juni 2000 heeft verweerder geconcludeerd tot

ongegrondverklaring van het beroep.

Eiser heeft bij schrijven van 25 juli 2000 de gronden van het beroep nog aangevuld.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juli 2000. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. F.H. Bruggink, advocaat te Amsterdam. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. D. van den

Berg, ambtenaar bij de Immigratie- en

Naturalisatiedienst van verweerders ministerie.

II. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

2. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

Eiser heeft zich op 12 juli 1993 gemeld bij het hoofd van plaatselijke politie te Zeewolde en aldaar die dag aanvragen ingediend om toelating als vluchteling en verlening van een vergunning tot verblijf. Bij besluit van 13 augustus

1993 heeft verweerder deze aanvragen afgewezen.

Bij verzoekschrift van 10 september 1993, aangevuld bij brief van 18 september 1995, heeft eiser tegen dit besluit een herzieningsverzoek ingediend. Bij besluit van 27 september 1995 heeft verweerder afwijzend op dit verzoek

beslist. Dit besluit is op 10 oktober 1995 aan eiser in persoon uitgereikt. Bij beroepschrift van

16 oktober 1995, aangevuld bij brief van 13 november 1995, heeft eiser

tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij uitspraak van 9 augustus 1996 heeft deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, het beroep ongegrond verklaard.

Op 16 mei 1997 heeft eiser de onderhavige aanvragen ingediend.

In het dossier bevindt zich onder meer een brief van 24 juni 1998 van S. Paulussen, arts medische opvang in het AZC B waarin wordt vermeld dat eiser bij deze arts bekend is met klachten die kunnen passen bij een depressie of een

post-traumatische stress-stoornis (PTSS).

Ook bevindt zich in het dossier een brief van 9 november 1998 van S. Paulussen. Daarin is onder meer vermeld dat eiser psychische problemen heeft die aanvankelijk leken te wijzen in de richting van een depressie, maar dat deze

diagnose in de loop van de maanden niet is geverifieerd aan de hand van klachten. Voorts wordt vermeld dat eiser op eigen initiatief met zijn medicatie is gestopt.

In het dossier bevindt zich voorts een brief van 14 september 1999 van eisers gemachtigde waarin deze verklaart dat eiser op 9 oktober 1999 een afspraak heeft bij de RIAGG in Diemen.

In het dossier bevindt zich tevens een brief van 27 januari 2000 van mevrouw H. Hooijer, sociaal psychiatrisch verpleegkundige, en mevrouw K.P. van de Wiel, psychiater. Hierin is vermeld dat eiser sinds oktober 1999 onder

behandeling is wegens een depressieve stoornis en een post- traumatische stress-stoornis (PTSS).

3. Eiser stelt zich -onder verwijzing naar zijn aanvragen van 12 juli 1993- op het standpunt dat hij in aanmerking komt voor toelating als vluchteling dan wel voor verlening van een vergunning tot verblijf op grond van klemmende

redenen van humanitaire aard. Daartoe heeft hij - zakelijk weergegeven- in het nader gehoor naar aanleiding van zijn aanvragen van 12 juli 1993 het navolgende naar voren gebracht.

In januari/februari 1993 is zijn moeder bij onlusten om het leven gekomen. Nadat eiser dit in juni 1993 had vernomen, heeft hij -tezamen met zijn zuster- een rouwperiode ingesteld. Op of rond 13 of 14 juni 1993 is de groep rouwenden

door de Zaïrese autoriteiten uiteen gedreven en gewaarschuwd te stoppen met de rouwplechtigheid. Korte tijd later hebben de autoriteiten de woning van eisers broer en zuster, waar eiser op dat moment aanwezig was, doorzocht en

daarbij materiaal van de Union Démocratique et Parti Social (UDPS) aangetroffen. Eiser is -tezamen met zijn broer- op verdenking van oppositionele activiteiten gearresteerd en overgebracht naar de Circo gevangenis. Daar heeft hij

twee dagen vastgezeten, in welke periode hij is gemarteld. Na twee dagen is hij met hulp van een hem onbekende bewaker de gevangenis ontvlucht. Hij heeft eerst een paar dagen doorgebracht in de woning van zijn zuster in Kinshasa.

Vervolgens is hij bij kennissen ondergedoken tot hij op 25 juni 1993 Zaïre is ontvlucht.

In het nader gehoor naar aanleiding van de onderhavige aanvragen heeft eiser zijn verklaringen herhaald en voorts -kort weergegeven- het navolgende verklaard.

Na de uitspraak van 9 augustus 1996 heeft hij getracht Nederland te verlaten. In zijn land van herkomst is evenwel oorlog uitgebroken en heeft een machtswisseling plaatsgevonden.

Hij is actief geweest voor de UDPS door het uitdelen van flyers om mensen te mobiliseren.

In beroep heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat verweerder in het thans bestreden besluit ten onrechte niet inhoudelijk is ingegaan op hetgeen eiser naar voren heeft gebracht met betrekking tot de geloofwaardigheid van zijn

asielrelaas. Het besluit is op dat punt onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd. Gelet op de uitermate zorgwekkende mensenrechtensituatie in de DRC had het voor de hand gelegen eiser in de gelegenheid te stellen gedurende de

bezwaarfase te worden gehoord.

Eiser heeft een aanspraak op een vergunning tot verblijf gelet op het relevante tijdsverloop. Voor Congolezen geldt in ieder geval de periode van 21 september 1991 tot en met 3 november 1994 als relevant tijdsverloop. Daarnaast is

onweerlegbaar sprake van relevant

tijdsverloop in de periode van 16 mei 1997 tot 24 september 1999.

Gelet op het feit dat eiser onder behandeling is bij de RIAGG is het besluit in strijd met artikel 3:2 van de Awb genomen nu nadere gegevens omtrent de behandeling niet zijn afgewacht.

4. Ter zitting heeft eiser nog aangevoerd dat hij vanwege zijn geografische en etnische afkomst niet naar de DRC kan worden teruggestuurd. Verweerders standpunt met betrekking tot de in beroep overgelegde medische verklaring in

verhouding tot het ex tunc beginsel is, gelet op de uitspraak van 10 januari 1999 (AWB 98/2410 VRWET) van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zwolle, niet houdbaar.

5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet voor toelating als vluchteling dan wel verlening van een vergunning tot verblijf in aanmerking komt. Daartoe overweegt verweerder als volgt.

Verweerder verwijst naar zijn besluit van 13 augustus 1993 en de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, van 9 augustus 1996, welke verweerder als ingelast beschouwd. Daarin is overwogen dat het relaas van eiser

op belangrijke punten, met name wat betreft zijn ontsnapping uit detentie, ongeloofwaardig is.

Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij te vrezen heeft van het nieuwe regime in de DRC. Zijn asielmotieven hebben betrekking op de situatie van vóór de machtswisseling. Eisers stelling dat hij wegens de oorlogssituatie in de

DRC niet naar zijn land kan terugkeren is een beroep op de algemene situatie en kan niet tot vluchtelingschap leiden.

Weliswaar is de veiligheids- en mensenrechtensituatie in de DRC zorgwekkend, maar die is niet zodanig dat terugkeer onverantwoord moet worden geacht. Eiser heeft voor de UDPS hooguit activiteiten van ondergeschikt belang verricht,

zodat die activiteiten geen grond opleveren om hem als vluchteling toe te laten. Eisers beroep op langdurig tijdsverloop faalt, nu de onderhavige procedure zijn tweede asielprocedure is en het tijdsverloop uit de eerste procedure

bij de bepaling van het tijdsverloop niet meetelt.

Eisers gezondheidstoestand is niet zodanig slecht dat uitzetting achterwege moet blijven. Verweerder verwijst daarbij naar de brief van 9 november 1998. De eerst in beroep overgelegde verklaring van 27 januari 2000 kan gelet op het

ex tunc karakter van de toesting in beroep geen rol spelen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht of gekomen op basis waarvan eiser om klemmende redenen van humanitaire aard in het bezit zou moeten worden gesteld van een vergunning tot verblijf. Er zijn onvoldoende

aanknopingspunten om aan te nemen dat eiser bij terugkeer het reële risico loopt te worden onderworpen aan een behandeling die wordt verboden door artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de

fundamentele vrijheden (EVRM). Eiser is niet gehoord omdat daartoe, gelet op artikel 7:3 van de Awb geen verplichting bestaat en het evenmin door de zorgvuldigheid wordt gevorderd.

6. Ter zitting heeft verweerder nog het navolgende naar voren gebracht.

Eiser verblijft reeds zeven jaar in Nederland en heeft eerst nu medische stukken overgelegd. Zijn behandeling is aangevangen nadat hij reeds zes jaar hier te lande had verbleven. Het is onaannemelijk dat eiser na een zo lange tijd

medische klachten gebaseerd op traumatische ervaringen krijgt. Onder die omstandigheden was het niet nodig de Medisch Adviseur (MA) in te schakelen. De brief van 24 juni 1998 geeft slechts weer dat het mogelijk is dat eiser PTSS

heeft. Niet valt in te zien waarom eiser niet eerder naar een psychiater is gegaan.

De rechtbank overweegt het volgende.

7. Ingevolge artikel 1(A) van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (het Vluchtelingenverdrag) in combinatie met artikel 15 Vw kunnen als vluchteling worden toegelaten vreemdelingen die afkomstig

zijn uit een land waar zij gegronde reden hebben te vrezen voor vervolging wegens ras, godsdienstige of

levensbeschouwelijke overtuiging, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep.

8. Ingevolge artikel 11 lid 5 Vw kan het verlenen van een vergunning tot verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend. Verweerder voert bij de toepassing van dit artikellid het beleid dat

vreemdelingen niet voor toelating in aanmerking komen, tenzij met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel klemmende redenen van humanitaire aard of verplichtingen voortvloeiende uit

internationale overeenkomsten tot toelating nopen. Dit beleid is neergelegd in de Vreemdelingencirculaire (Vc).

9. Voorop wordt gesteld dat de algehele situatie in de DRC in het algemeen noch voor personen als eiser, die afkomstig zijn uit de Kasai, zodanig is dat vreemdelingen die afkomstig zijn uit dat land dan wel die regio zonder meer als

vluchteling zijn aan te merken. Het beroep op het vluchtelingschap moet mitsdien worden beoordeeld aan de hand van eiser persoonlijk betreffende feiten en omstandigheden.

10. De rechtbank constateert dat bij uitspraak van 9 augustus 1996 door deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, onherroepelijk is beslist op de asielaanvraag van eiser. Nu de onderhavige procedure er niet toe kan strekken de

vorige -afgeronde- procedure te herhalen, dient als uitgangspunt te gelden het oordeel zoals vervat in de uitspraak van 9 augustus 1996. Slechts door eiser naar voren gebrachte nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel

4:6 van de Awb kunnen thans nog tot een ander oordeel leiden. Van dergelijke feiten of omstandigheden is de rechtbank echter niet gebleken. Voor zover eiser zijn stelling dat hij thans als tegenstander van het nieuwe regime in de

DRC heeft te vrezen als een dergelijk nieuw feit wenst aan te merken, wordt overwogen dat eiser dienaangaande slechts gesteld heeft tegenstander van dit regime te zijn. Eiser heeft evenwel deze stelling op geen enkele manier

onderbouwd, noch heeft hij aangegeven of en hoe hij door dat regime als tegenstander wordt beschouwd en wat hij van dat regime te vrezen heeft.

Onder die omstandigheden kan thans niet worden geoordeeld dat sprake is van een nieuw feit of een nieuwe omstandigheid.

11. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat verweerder zich met recht op het standpunt heeft gesteld dat eiser geen vluchteling is. Uit het voorgaande volgt tevens dat verweerder op goede gronden heeft kunnen oordelen dat eiser bij

terugkeer niet zal worden onderworpen aan een behandeling die strijd zou kunnen opleveren met artikel 3 EVRM.

Weliswaar heeft eiser in dat kader ter zitting nog naar voren gebracht dat hij, gelet op zijn afkomst, bij terugkeer een verhoogd risico loopt op een onmenselijke behandeling, maar de rechtbank ziet in hetgeen eiser daaromtrent

heeft gesteld onvoldoende aanleiding voor een ander oordeel.

Daarbij is van belang dat eiser slechts heeft verwezen naar de algemene situatie in zijn land van herkomst en niet naar hem zelf betreffende feiten of omstandigheden.

12. Evenmin is gebleken van overige klemmende redenen van humanitaire aard op grond waarvan aan eiser verblijf hier te lande zou moeten worden toegestaan.

13. Eiser heeft tevens een beroep gedaan op zijn medische situatie en gesteld dat verweerder daarin aanleiding had moeten zien eiser te (doen) onderzoeken.

Dienaangaande overweegt de rechtbank het navolgende.

14. In beginsel ligt het op de weg van eiser om door middel van bescheiden of anderszins aan te tonen dat bij hem klachten van medische aard aanwezig zijn die er op duiden dat hij traumata heeft opgelopen van zodanige aard dat in

zijn verblijf in Nederland dient te worden berust.

De rechtbank stelt voorop dat de stelling namens verweerder ter zitting dat het niet aannemelijk is dat zodanige klachten zich eerst na een ruim verblijf in Nederland kunnen openbaren, niet kan worden aanvaard. Het

betreft hier een medisch oordeel dat slechts aan de hand van medische adviezen kan worden gegeven. Deze ontbreken.

Erkend moet worden dat eiser slechts op uiterst summiere wijze zijn stelling ten aanzien van de door hem opgelopen traumata heeft onderbouwd. Desniettemin had verweerder met name in de brief van 24 juni 1998 aanleiding moeten vinden

eiser in de gelegenheid te stellen door middel van een hoorzitting zijn stellingen nader -al dan niet door het overleggen van nadere bescheiden- toe te lichten. In deze brief wordt immers voor zoveel hier van belang het medisch

oordeel uitgesproken dat de klachten van eiser kunnen passen in een PTSS. In de brief van 9 november 1998 wordt weliswaar gesteld dat de diagnose in de loop van de maanden niet aan de hand van klachten is geverifieerd, maar daarbij

wordt uitsluitend gedoeld op de depressie van eiser. Deze brief rept niet van een PTSS. Ook de omstandigheid dat eiser met zijn medicatie is gestopt houdt niet zonder meer in dat zijn klachten op laatstgenoemd gebied zijn verdwenen.

Een en ander wordt versterkt door het medische oordeel als vervat in de brief van 27 januari 2000, nu daarin wordt vermeld dat eiser onder meer wegens een PTSS wordt behandeld. De stelling van verweerder dat deze brief niet bij de

beoordeling van het beroep kan worden betrokken omdat deze na het nemen van het besluit op bezwaar is overgelegd, kan niet worden aanvaard. De inhoud van deze brief moet namelijk naar het oordeel van de rechtbank worden opgevat als

een onderbouwing van een reeds daarvoor ingenomen standpunt.

Bij dit alles tekent de rechtbank aan dat waar mogelijk vermeden moet worden dat personen die op grond van het traumatabeleid voor een vergunning tot verblijf in aanmerking dienen te komen, worden teruggestuurd. Hierbij ligt ook een

taak voor verweerder om zelfs bij summiere aanwijzingen na te gaan of deze hout snijden.

15. Gelet op het voorgaande heeft verweerder in redelijkheid niet tot het oordeel kunnen komen dat nader onderzoek naar de medische situatie van eiser niet noodzakelijk was. Het bestreden besluit is dan ook onzorgvuldig voorbereid

en dient te worden vernietigd wegens strijd met het bepaalde in artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is dan ook gegrond.

De overige grieven van eiser behoeven in verband met het vorenstaande geen bespreking.

16. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken.

Deze kosten zijn begroot op f 1. 420,- als kosten van verleende rechtsbijstand.

17. Ingevolge artikel 8:74, eerste lid, van de Awb, dient het griffierecht te worden vergoed door de rechtspersoonj, aangewezen door de rechtbank.

De rechtbank beslist daarom als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad f 50,- (zegge vijftig gulden);

5. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op f 1.420,- (zegge veertienhondertwintig gulden), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier van deze rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2000, door mr. F. Salomon, rechter, in tegenwoordigheid van mr. P.P. Zweedijk, griffier.

Afschrift verzonden op: 5 september 2000

Conc.: PZ

Coll:

Bp:

D: B