Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA8374

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-10-2000
Datum publicatie
05-07-2002
Zaaknummer
AWB 00/11192
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

fungerend president

__________________________________________________

UITSPRAAK ingevolge artikel 8:84 Algemene wet

bestuursrecht

__________________________________________________

Reg.nr : AWB 00/11192 VRWET

Inzake : A, verzoeker, woonplaats kiezende ten kantore van zijn gemachtigde, mr. R.P van Empel, juridisch medewerker Stichting Rechtsbijstand Asiel te 's-Hertogenbosch

tegen : Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA), verweerder, gemachtigde mr. B. Huijts, juridisch medewerker COA te Rijswijk.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Verzoeker, geboren op [...] 1940, bezit de Armeense

nationaliteit. Op 11 september 1995 is verzoeker de eerste keer Nederland ingereisd en heeft hij een aanvraag ingediend om toelating als vluchteling. Op deze aanvraag is op 24 oktober 1995 afwijzend beslist.

Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Eveneens heeft verzoeker een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend. Bij uitspraak van 15 september 1996 heeft de fungerend president van de rechtbank

's-Gravenhage het verzoek toegewezen. Op 27 mei 1997 is verzoeker op eigen verzoek naar Armenië teruggekeerd en heeft hij zijn bezwaarschrift ingetrokken. Nadat verzoeker op 15 augustus 2000 opnieuw Nederland was ingereisd heeft hij

op 30 augustus 2000 een aanvraag ingediend om toelating als vluchteling. Op deze aanvraag is nog niet beslist.

2. Bij brief van 31 augustus 2000 heeft verzoeker de Staatssecretaris van Justitie verzocht hem te melden bij verweerder en daarbij aan verweerder het advies te geven om verzoeker opvang te bieden. Bij brief van 1 september 2000

heeft de Staatssecretaris van Justitie aan verzoeker medegedeeld dat het verzoek om opvang aan verweerder is doorgeleid en heeft de Staatssecretaris van Justitie eveneens bij brief van 1 september 2000 verweerder geadviseerd om

verzoeker geen opvang te verlenen daar het een herhaalde aanvraag betreft. Tegen deze brieven heeft verzoeker een bezwaarschrift ingediend op 13 september 2000.

Voorts heeft verzoeker op 13 september 2000 een bezwaarschrift ingediend tegen de weigering van verweerder tijdig te beslissen op diens verzoek opvang te verlenen. Op 20 september 2000 heeft verweerder inhoudelijk afwijzend beslist.

3. Eveneens op 13 september 2000 heeft verzoeker de president van de rechtbank verzocht een voorziening te treffen die ertoe strekt dat verweerder wordt opgedragen verzoeker opvang te bieden. Verweerder heeft de op de zaak

betrekking hebbende stukken ingezonden en geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek.

4. De openbare behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 28 september 2000. Verzoeker is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Het verzoek is gevoegd behandeld met verzoekers verzoek om een voorlopige voorziening die ertoe strekt dat de Staatssecretaris van Justitie wordt opgedragen aan verweerder het advies te geven verzoeker opvang te verstrekken,

geregistreerd onder nummer AWB 00/10506. Verwerend orgaan ten aanzien van dit verzoek is de Staatssecretaris van Justitie.

II. OVERWEGINGEN

1. Ingevolge artikel 8:81 Algemene wet bestuursrecht kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is

ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Ingevolge artikel 6:20, vierde lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt het bezwaar geacht mede te zijn gericht tegen de afwijzende beslissing van 20 september 2000.

3. Artikel 12 Wet COA bepaalt dat de Minister van Justitie regels kan stellen met betrekking tot verstrekkingen aan asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen als bedoeld in artikel 3, tweede lid. De minister (namens hem de

Staatssecretaris van Justitie) heeft van deze bevoegdheid gebruik gemaakt door vaststelling van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 1997 (Rva). Bij besluit van 9 oktober 1998 is de Rva met

ingang van 12 oktober 1998 gewijzigd. Het nieuwe artikel 4, tweede lid, Rva bepaalt dat de indiening van een tweede of volgende asielaanvraag geen recht geeft op opvang. Hiervan kan afgeweken worden indien de asielzoeker in zeer

schrijnende humanitaire omstandigheden verkeert. Of daarvan sprake

is wordt beslist door verweerder op advies van de IND. Dit beleid is thans neergelegd in de Vreemdelingencirculaire (Vc) 1994 in Hoofdstuk B7/6.1.2.

4. Bij brief van 9 oktober 1998 heeft de Staatssecretaris van Justitie de Tweede Kamer omtrent deze wijziging van de Rva geïnformeerd (TK 1998- 1999, 19637, nr. 367, pag. 14). De Staatssecretaris van Justitie heeft in deze brief

medegedeeld dat het Kabinet heeft besloten om, in lijn met het regeerakkoord, de regelgeving voor de opvang aan te passen met als doel het verblijf in de opvang uitsluitend te relateren aan de afhandeling van het eerste

asielverzoek. De Staatssecretaris van Justitie heeft daarbij opgemerkt dat het indienen van een tweede of volgend asielverzoek door asielzoekers die nog in de opvang verblijven, alsdan niet langer aanspraak doet ontstaan op

voortgezet verblijf in de opvang. Ook uitgeprocedeerde asielzoeker wier opvang reeds is beëindigd en die een tweede of volgend asielverzoek indienen, zullen niet herhaald tot de opvang worden toegelaten.

5. De president overweegt het volgende. Gezien de parlementaire geschiedenis, met name uit de door de Staatssecretaris gegeven toelichting op de gewijzigde tekst van artikel 4, tweede lid, Rva, stelt de president vraagtekens bij de

beoordeling van verweerder dat het hier een herhaalde asielaanvraag betreft. Verzoeker behoort niet tot één van de categorieën zoals genoemd in de toelichting. Uit de toelichting blijkt immers dat de Staatssecretaris van Justitie

het recht op opvang uitdrukkelijk heeft voorbehouden aan asielzoekers tijdens de eerste asielprocedure, omdat de asielzoeker tijdens deze procedure in de gelegenheid is (gesteld) de gronden voor zijn aanvraag om toelating als

vluchteling naar voren te brengen. Hieruit blijkt dat een koppeling bestaat tussen het voor de eerste keer in de gelegenheid (gesteld) zijn om de asielmotieven naar voren te brengen en het recht opvang te verkrijgen. Nu verzoeker op

27 mei 1997 op eigen verzoek is teruggekeerd naar Armenië, daarbij zijn bezwaarschrift heeft ingetrokken, op 15 augustus 2000 opnieuw Nederland is ingereisd en met nieuwe asielmotieven is gekomen, is het zeer de vraag of verweerder

niet heeft miskend dat verzoeker nog niet in de gelegenheid is geweest de gronden van de thans ingediende asielaanvraag naar voren te brengen en daarmee of verzoeker niet reeds uit dien hoofde toegelaten had moeten worden tot de

opvang.

6. Daargelaten het voorgaande is de president van oordeel dat verzoeker in zeer schrijnende humanitaire omstandigheden verkeert. De president deelt de mening van verweerder niet dat daarvan alleen sprake kan zijn in geval van

noodzaak tot directe medische noodhulp en dat verweerder naast die toets geen beslissingsvrijheid heeft. De president baseert haar oordeel op Vc B7/6.1.2 waarin is opgenomen dan van zeer schrijnende humanitaire omstandigheden met

name sprake kan zijn in geval van medische omstandigheden waarin ten behoeve van de direct medisch noodzakelijke noodhulp, opvang van de betreffende vreemdeling noodzakelijk is. In het bijzonder de zinsnede "met name" duidt er naar

het oordeel van de president op dat medische noodhulp slechts één van de situaties is op grond waarvan zeer schrijnende humanitaire omstandigheden aangenomen kunnen worden. De president wordt in dit oordeel bevestigd door de

omschrijving in Vc B7/6.1.2 van andere situaties die kunnen leiden tot een beoordeling of er sprake is van zeer schrijnende humanitaire omstandigheden.

De president heeft bij haar oordeelsvorming betrokken het op verzoek van de Staatssecretaris van Justitie uitgebrachte rapport van de GGD-arts van 1 september 2000. Gelet hierop is de president vooralsnog van oordeel dat de

scheiding van de echtelieden niet wenselijk is en bovendien onzekerheid biedt over eventueel toekomstige noodhulp vanwege onder andere de psychische gesteldheid van de vrouw van verzoeker. Daarbij komt dat zij twee zelfmoordpogingen

heeft ondernomen op momenten dat

verzoeker in Nederland was ten tijde van de eerdere asielaanvraag.

Voorts is de vrouw van verzoeker slechthorend. Derhalve is zij in hoge mate afhankelijk van verzoeker. Ook hecht de president waarde aan de leeftijd van verzoeker en diens vrouw in het kader van de beoordeling of er sprake is van

zeer schrijnende humanitaire omstandigheden.

7. Op grond van het voorgaande moet ervan worden uitgegaan dat het bezwaarschrift van verzoeker tegen de afwijzing van verweerder van 20 september 2000 (ook indien ervan kan worden uitgegaan dat het een tweede asielaanvraag betreft)

een redelijke kans van slagen heeft. Gelet hierop en in aanmerking genomen hetgeen in artikel 8:81 eerste lid Awb is bepaald, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen.

8. De president ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de kosten die verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs

heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op f 1420,- (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van f

710,- en wegingsfactor 1).

Aangezien ten behoeve van verzoeker een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, Awb de betaling aan de griffier te geschieden.

III. BESLISSING:

De president:

1. wijst het verzoek toe en bepaalt dat verweerder wordt opgedragen verzoeker binnen een week na datum uitspraak opvang te verlenen;

2. veroordeelt verweerder in de proceskosten ad f 1420,- onder aanwijzing van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers als rechtspersoon die deze kosten dient te vergoeden en aan de griffier dient te betalen;

3. gelast dat het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers als rechtspersoon het door verzoeker betaalde griffierecht ad f 50,- vergoedt.

IV. RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Aldus gedaan door mr. M.A.A. Mondt-Schouten en uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2000 in tegenwoordigheid van E.E. Repelius-van der Mei, griffier.

afschrift verzonden op: