Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA8314

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-10-2000
Datum publicatie
25-01-2005
Zaaknummer
AWB 00/04792 MAWKMA
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2002:AE8039
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Immateriële schadevergoeding; aan betrokkene toe te rekenen omstandigheid leidt tot beperking van toegekende vergoeding.

Besluit verweerder tot toekenning immateriële schadevergoeding van f. 10.000,- in verband met longcarcinoom als gevolg van blootstelling aan asbest tijdens in dienst van defensie verrichte werkzaamheden.

Door de erkenning door verweerder staat vast dat verweerder aansprakelijk is voor de schade die het gevolg is van het longcarcinoom. Gelet op de medische gegevens is de rechtbank met verweerder van oordeel dat de behandeling van het longcarcinoom curatief is geweest en dat er geen sprake is geweest van een voortschrijdende achteruitgang van de gezondheid van betrokkene door het longcarcinoom.

Verweerder heeft op grond van de AMA-richtlijnen de mate van invaliditeit vastgesteld op 10%.

De rechtbank dient de vragen te beantwoorden in hoeverre het longcarcinoom invaliderend geweest is, tot welk bedrag aan immateriële schadevergoeding die mate van invaliditeit leidt, of betrokkene gerookt heeft en of het -door eiseres betwiste- roken van betrokkene van invloed dient te zijn op de toe te kennen schadevergoeding.

De rechtbank volgt verweerder in het standpunt dat de AMA-richtlijnen een grondslag bieden voor het vaststellen van de mate van invaliditeit van de gehele mens, maar stelt de mate van invaliditeit vast op 25%, het hoogste percentage dat onbestreden volgens de AMA-richtlijn bij een curatieve behandeling van een longcarcinoom door een pneumonectomie geldt. Immers, het invaliderend effect van het verwijderen van één long zal groter zijn, indien de behouden long reeds door vrij fors CARA-lijden in functie beperkt is. Deze schadevergrotende omstandigheid door de predispositie van betrokkene dient voor risico van verweerder te blijven.

Verweerder volgt ter bepaling van het bedrag aan immateriële schadevergoeding het Convenant Instituut Asbestslachtoffers (verder: Convenant) waarin de immateriële schade bij overlijden op f. 90.000,-- gesteld wordt. (per 01-01-2000 geïndexeerd). Het bedrag ad f. 90.000,- wordt betaald aan (gewezen) werknemers die als gevolg van een door asbest veroorzaakt longcarcinoom zullen komen te overlijden of aan hun nabestaanden.

In het onderhavige geval is er geen sprake geweest van een mesothelioom waaraan betrokkene zeker zou overlijden, maar van een carcinoom dat curatief behandeld is.

Hierin ziet de rechtbank aanleiding om niet het door eiseres gevraagde volledige bedrag ad f 90.000,- toe te wijzen. Nu verweerder bij een mate van invaliditeit van 10% het bedrag aan immateriële schadevergoeding op f 10.000,-- gesteld heeft, zou bij een mate van invaliditeit van 25% en bij een volledige toerekening van de schade aan verweerder een immateriële schadevergoeding ad f 25.000,-- in de rede liggen.

Gelet op het feit dat zowel asbest als het roken zelfstandig de oorzaak van het longcarcinoom kan zijn, dat ook in het onderhavige geval medisch niet vast te stellen valt of de asbest of het roken uiteindelijk de oorzaak is geweest van het ontstane longcarcinoom, dat derhalve geen der partijen kan bewijzen welke oorzaak aan het longcarcinoom ten grondslag ligt en dat het daarom niet in de rede ligt van een der partijen in het onderhavige geval te verlangen op dit punt enig bewijs te leveren, is de rechtbank van oordeel dat er aanleiding bestaat om analoog aan art. 6:101 BW bij de vaststelling van het bedrag aan immateriële schadevergoeding rekening te houden met de mogelijkheid dat een aan betrokkene toerekenbare omstandigheid, te weten zijn tabaksconsumptie, mogelijk de oorzaak van de schade is geweest. In verband met het roken dient een deel van de schade aan betrokkene toegerekend te worden in die zin dat verweerder het 55/66ste deel van het bedrag aan immateriële schade dient te vergoeden.

De rechtbank zal ten aanzien van het bedrag aan immateriële schade zelf in de zaak voorzien en het bedrag aan immateriële schade vaststellen op f 20.833,-- (55/66* f. 25.000,--). De factor 55/66 leidt de Rechtbank af uit zogenaamde incidentiecijfers.

De Staatssecretaris van Defensie, verweerder.

mr. L.P. Bosma

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2000/151
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank ’s-Gravenhage

Sector Bestuursrecht

Tweede kamer, enkelvoudig

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Reg.nr.: AWB 00/04792 MAWKMA

Inzake: A, wonende te B, eiseres,

Tegen: de Staatssecretaris van Defensie, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit.

Het besluit van verweerder van 27 maart 2000, kenmerk P200033418.

2. Zitting.

Datum: 22 augustus 2000.

Eiseres is in persoon verschenen en werd bijgestaan door haar gemachtigde mr. N. van Popta.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde mr. K.J. van Oijen.

3. Feiten.

Eiseres is de weduwe van C (verder C), die overleden is op 20 oktober 1995. C is van 1945 tot en met 1975 werkzaam geweest bij de Koninklijke Marine, laatstelijk in de functie van machinist. In die functie is hij langdurig blootgesteld geweest aan asbeststof.

C heeft in 1991 in verband met een kleincellig bronchuscarcinoom een pneumonectomie ondergaan. In 1992 werd bij hem een prostaatcarcinoom gediagnostiseerd. Later traden skeletmetastasen op, die zeer wel verklaard konden worden door disseminatie van zijn prostaatcarcinoom.

C heeft verweerder bij schrijven van 29 augustus 1995 aansprakelijk gesteld en verzocht hem een schadevergoeding toe te kennen in verband met het door de langdurige blootstelling aan asbest veroorzaakte longcarcinoom.

In een bij deze rechtbank aanhangig geweest zijnde beroepsprocedure, waarbij centraal stond de vraag of er enigerlei verband bestond tussen de longaandoening en de uitoefening van de militaire dienst, heeft de door deze rechtbank benoemde deskundige dr. J.P.A.M. van Meerbeeck, als longarts-oncoloog verbonden aan het Daniël den Hoedkliniek/Academisch Ziekenhuis Rotterdam, op 21 april 1997 gerapporteerd dat er voldaan is aan voldoende criteria om een verband te kunnen leggen tussen het longcarcinoom van de inmiddels overleden echtgenoot van eiseres en zijn in dienst van defensie verrichte werkzaamheden. Deze rechtbank heeft het beroep van eiseres bij uitspraak van 4 november 1998 (reg.nr. AWB 96/00176 MPWMA) gegrond verklaard.

Bij besluit van 9 februari 1999 heeft verweerder eiseres meegedeeld:

- dat hij aansprakelijk is voor de gevolgen van het bij haar echtgenoot geconstateerde longcarcinoom;

- dat de verwijdering van de linkerlong heeft kunnen leiden tot een percentage invaliditeit van de gehele mens van maximaal 10%;

- dat hij bereid is een immateriële schadevergoeding te betalen ad ¦ 10.000,- en dat hij graag een met stukken onderbouwd overzicht zou willen krijgen van de materiële schadeposten.

Eiseres heeft hiertegen op 17 maart 1999 bezwaar gemaakt.

Na een overzicht van de schadeposten ontvangen te hebben heeft verweerder bij besluit van 30 maart 1999 meegedeeld:

- nadere informatie te behoeven over het berekende bedrag aan reiskosten, het bed, de hometrainer, de handschoenen en de gezinshulp;

- niet te vergoeden de dieetkosten en de kosten van de uitvaart;

- wel te vergoeden de kosten voor rechtsbijstand voor het verkrijgen van de schadevergoeding, de kosten voor de verklaring van erfrecht en het uittreksel uit het overlijdensregister en de kosten voor het opvragen van medische informatie.

Bij schrijven van 5 mei 1999 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen het besluit van 30 maart 1999.

Tevens heeft eiseres verweerder op 15 juli 1999 de gevraagde nadere informatie verstrekt. Naar aanleiding van die informatie heeft verweerder bij besluit van 24 augustus 1999 eiseres meegedeeld;

- te vergoeden de reiskosten gedeeltelijk voor een bedrag ad ¦ 500,-, de kosten geheel van de hometrainer en handschoenen ad ¦ 1.148,- en de kosten gedeeltelijk voor gezinshulp ad ¦ 4.160,-;

- niet te vergoeden de dieetkosten.

Eiseres heeft hiertegen op 1 oktober 1999 bezwaar gemaakt.

Eiseres heeft er van afgezien om in het kader van de bezwaarprocedure gehoord te worden.

Bij besluit van 27 maart 2000 heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard.

Eiseres heeft bij schrijven van 27 april 2000 beroep ingesteld tegen het ongegrondverklaren van haar bezwaren en de gronden van het beroep aangevuld op 6 juni 2000.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingestuurd en op 5 juli 2000 een verweerschrift ingediend.

4. Motivering.

Beantwoord dient te worden de vraag of verweerder bij het bestreden besluit op goede gronden de besluiten niet of niet geheel tot betaling van de door eiseres genoemde schadeposten over te gaan, gehandhaafd heeft.

Eiseres stelt in beroep dat er wel degelijk een achteruitgang van de gezondheid van C heeft plaatsgevonden ten gevolge van het longcarcinoom en de ontstekingen na de verwijdering van de linkerlong en dat er wel een oorzakelijk verband bestaat tussen het overlijden van C en het longcarcinoom. C heeft in ieder geval sinds 1969 en mogelijk sinds 1950 niet meer gerookt, zodat zijn tabakconsumptie niet van invloed is geweest op het risico van het ontstaan van het longcarcinoom. In ieder geval rookte hij al langer dan 15 jaar niet meer voor het longcarcinoom werd geconstateerd en derhalve heeft de tabakconsumptie geen of nauwelijks invloed gehad op de kans op het ontstaan van longcarcinoom. Met verwijzing naar de arresten van de Hoge Raad van 26 januari 1996 (NJ 1996,607) en 24 december 1999 (NJ 2000,428) stelt eiseres primair dat verweerder tot vergoeding van de opgegeven kosten zou moeten overgaan. Subsidiair zouden deskundigen moeten bepalen in welke mate de blootstelling aan asbest bijgedragen heeft aan het ontstaan van het longcarcinoom bij C. De stelling van verweerder dat de invaliditeit van C maar voor 10% veroorzaakt werd door de blootstelling aan asbest is niet juist.

Verweerder stelt dat de behandeling van het longcarcinoom curatief was en dat ingevolge de Guides to the Evaluation of permanent Impairment van de American Medical Association (AMA-richtlijnen) de mate van invaliditeit kan variëren van 10% tot 25%. Omdat C gerookt heeft en met name het combinatie-effect roken en asbestblootstelling het risico op longcarcinoom doet stijgen, zijn beide factoren even zwaar meegewogen. Daar C tevens CARA-patiënt was, waardoor er reeds een vermindering van de longfunctie bestond, is het percentage invaliditeit van 10% als gevolg van asbestblootstelling uiterst redelijk te achten. De achteruitgang van de gezondheid van C en diens overlijden zijn het gevolg van het voortschrijdende ziekteproces van de uitgezaaide prostaattumor. De door eiseres opgegeven kosten staan niet, dan wel niet volledig in verband met het longcarcinoom. De infectie bij C ter plaatse van het litteken van de longoperatie was van voorbijgaande aard en staat volgens de in de eerdere beroepsprocedure ingeschakelde deskundige niet in verband met het longcarcinoom. Alhoewel door eiseres geen bewijsstukken zijn overgelegd van de kosten van de gemaakte reizen en verleende verzorging zijn op basis van redelijkheid en billijkheid vergoedingen toegekend. Voor de aanschaf van een nieuw bed bestond geen medische noodzaak en evenmin heeft eiseres een aankoopbon overgelegd.

De rechtbank overweegt als volgt.

In het onderhavige geval staat in rechte vast dat er een dienstverband aanwezig is tussen het bij C geconstateerde longcarcinoom en de door hem tijdens zijn militaire dienst verrichte werkzaamheden, waarbij hij langdurig is blootgesteld aan asbeststof. Tevens staat door de erkenning van verweerder vast dat verweerder aansprakelijk is voor de schade die het gevolg is van het bij C gediagnostiseerde longcarcinoom.

Allereerst dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of het voortschrijdend ziekteproces dat tot het overlijden van C geleid heeft, het gevolg was van het longcarcinoom.

In een schrijven van C.S. de Graaff, longarts van C, van 2 december 1991 aan de huisarts van C staat beschreven, dat bij röntgenonderzoek van de thorax er geen aanwijzingen gevonden werden voor een tumorrecidief of metastasen. Bij een longfunctie-meting werden wel afwijkingen van de longfunctie gevonden, maar die zouden passen bij een status na pneumonectomie gecombineerd met een vrij fors CARA-lijden. Dezelfde longarts heeft in een schrijven van 26 april 1993 gemeld dat bij een bronchoscopie geen aanwijzingen gevonden werden voor een recidief van het longcarcinoom. Dezelfde mededelingen staan ook vermeld in de brieven van deze longarts van 7 februari 1994 en 8 december 1994. In de rapportage van de door de rechtbank in de vorige beroepsprocedure ingeschakelde deskundige Dr. J.P.A.M. van Meerbeeck, longarts-oncoloog, heeft deze met betrekking tot de bij C opgetreden ontstekingshaard aan de ribvliezen vermeld dat deze ontsteking een minder frequent, doch gekend gevolg is van de pneumonectomie.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank met verweerder van oordeel dat de behandeling van het longcarcinoom curatief geweest is en dat er geen sprake is geweest van een voortschrijdende achteruitgang van de gezondheid van C door het longcarcinoom.

Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden in hoeverre het longcarcinoom invaliderend geweest is, tot welk bedrag aan immateriële schadevergoeding die mate van invaliditeit leidt, of C gerookt heeft en of het -door eiseres betwiste- roken van C van invloed dient te zijn op de toe te kennen schadevergoeding.

Verweerder heeft voor de bepaling van de immateriële schadevergoeding aangeknoopt bij de AMA-richtlijnen. Door eiseres is niet bestreden dat - indien de rechtbank tot de conclusie zou komen dat er van een tengevolge van het longcarcinoom voortschrijdende achteruitgang van de gezondheid geen sprake zou zijn, tot welke conclusie de rechtbank hierboven is gekomen - de AMA-richtlijnen een juiste grondslag bieden voor het vaststellen van de mate van invaliditeit van de gehele mens en dat ingevolge de AMA-richtlijnen de mate van invaliditeit vast te stellen valt op 10 tot 25%.

De rechtbank volgt verweerder derhalve in het standpunt dat de AMA-richtlijnen een grondslag bieden voor het vaststellen van de mate van invaliditeit van de gehele mens, maar ziet in het onderhavige geval geen aanleiding om de mate van invaliditeit op een lager percentage vast te stellen dan 25%, het hoogste percentage dat onbestreden volgens de AMA-richtlijn bij een curatieve behandeling van een longcarcinoom door een pneumonectomie geldt. Immers, het invaliderend effect van het verwijderen van één long zal groter zijn, indien de behouden long reeds door vrij fors CARA-lijden in functie beperkt is. Deze schadevergrotende omstandigheid door de predispositie van C dient voor risico van verweerder te blijven.

Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat bij de bepaling van het bedrag aan immateriële schadevergoeding het Convenant Instituut Asbestslachtoffers (verder: Convenant) gevolgd wordt, in welk Convenant vastgelegd is dat de immateriële schade bij overlijden op ¦ 90.000,-- gesteld wordt. Dit bedrag zou per 1 januari 2000 geïndexeerd worden.

In artikel 2, aanhef en sub b, van het Convenant is bepaald dat het Instituut Asbestslachtoffers tot taak heeft onderzoek te verrichten naar de gegrondheid van de vorderingen van mesothelioom-slachtoffers aan de hand van door partijen vastgestelde protocollen voor medische causaliteit en arbeidsverleden. Het betreft nabestaanden van mesothelioom-slachtoffers, die op of na 5 juni 1997 in leven waren dan wel zijn en die op grond van werkgevers-aansprakelijkheid een claim hebben ingediend of nog zullen indienen, respectievelijk wier nabestaanden nog een claim op basis van de artikel 6:107 en 6:108 BW zullen indienen.

De rechtbank concludeert hieruit dat het bedrag ad ¦ 90.000,- betaald wordt aan (gewezen) werknemers die als gevolg van een door asbest veroorzaakt longcarcinoom zullen komen te overlijden of aan hun nabestaanden. In het onderhavige geval is er geen sprake geweest van een mesothelioom waaraan C zeker zou overlijden, maar van een kleincellig anaplastisch longcarcinoom, welk carcinoom curatief behandeld is. Hierin ziet de rechtbank aanleiding om niet het door eiseres gevraagde volledige bedrag ad ¦ 90.000,- toe te wijzen. Nu verweerder bij een mate van invaliditeit van 10% het bedrag aan immateriële schadevergoeding op ¦ 10.000,-- gesteld heeft, zou bij een mate van invaliditeit van 25% en bij een volledige toerekening van de schade aan verweerder een immateriële schadevergoeding ad ¦ 25.000,-- in de rede liggen.

De vraag of C gerookt heeft beantwoordt de rechtbank bevestigend. De behandelend longarts van C, C.S. de Graaff, heeft in zijn schrijven van 31 juli 1991 aan de huisarts van C verslag gedaan van de door hem verrichte medische handelingen. Daarbij heeft de longarts de anamnese en de voorgeschiedenis verwoord. Bij de paragraaf "voorgeschiedenis" heeft de longarts vermeld: "roken 1 pakje sigaretten per week. Sinds 10 jaar daarvoor een pakje shag per dag." Gelet op deze beschrijving van het rookgedrag van C uit objectieve bron komt de rechtbank tot de conclusie dat C inderdaad gerookt heeft. Nu uit de beschrijving van de longarts tevens blijkt dat C ook na het verlaten van de militaire dienst en ook nadat publiekelijk bekend werd dat tabaksmiddelen kankerverwekkende middelen bevatten, is blijven roken passeert de rechtbank de stelling van eiseres dat verweerder C heeft aangezet tot zijn rookgedrag door onder andere het belastingvrij laten kopen van sloffen sigaretten en dat verweerder daardoor het rookgedrag niet zou mogen laten meewegen bij de bepaling van de schadevergoeding.

Verweerder heeft de aansprakelijkheid voor de mate van invaliditeit erkend, maar heeft bij de vaststelling van het bedrag aan immateriële schadevergoeding rekening gehouden met het rookgedrag van C. Verweerder heeft zich daarbij beroepen op een artikel van A.J. Van en H.G.T. Nijs in TMA '96-3, blz 45 e.v., in welk artikel de auteurs tot de conclusie komen dat personen die zowel aan asbeststof als aan tabaksrook zijn blootgesteld in beginsel recht hebben op vergoeding van 45,5% van hun totale schade, aangezien dit percentage overeenstemt met de kans dat hun longcarcinoom werkelijk het gevolg is van asbest.

Eiseres heeft dit standpunt van verweerder bestreden en met verwijzing naar hiervoor genoemde jurisprudentie gesteld dat, indien door een als onrechtmatige daad aan te merken gedraging een risico ter zake van het ontstaan van schade in het leven is geroepen en dit risico zich vervolgens verwezenlijkt, daarmee het causaal verband tussen die gedraging en de aldus ontstane schade in beginsel is gegeven en dat het aan degene die op grond van die gedraging wordt aangesproken, is om te stellen en te bewijzen dat die schade ook zonder die gedraging zou zijn ontstaan.

Gelet op het feit dat zowel asbest als het roken zelfstandig de oorzaak van het longcarcinoom kan zijn, dat ook in het onderhavige geval medisch niet vast te stellen valt of de asbest of het roken uiteindelijk de oorzaak is geweest van het ontstane longcarcinoom (het door eiseres aangevoerde bestaan van pleuraplaques geeft aan dat er blootstelling aan asbest heeft plaatsgevonden; het bewijst niet dat het carcinoom het gevolg is van asbestvezels), dat derhalve geen der partijen kan bewijzen welke oorzaak aan het longcarcinoom ten grondslag ligt en dat het daarom niet in de rede ligt van een der partijen in het onderhavige geval te verlangen op dit punt enig bewijs te leveren, is de rechtbank van oordeel dat er aanleiding bestaat om analoog aan artikel 6:101 Burgerlijk Wetboek inderdaad bij de vaststelling van het bedrag aan immateriële schadevergoeding rekening te houden met de mogelijkheid dat een aan C toerekenbare omstandigheid, te weten zijn tabakconsumptie, mogelijk de oorzaak van de schade is geweest.

Verweerder heeft zich bij de vaststelling van het bedrag aan immateriële schadevergoeding beroepen op de cijfers, zoals die vermeld staan in het eerder genoemde artikel van Van en Nijs in TMA '96-3, blz. 45 e.v. Daarbij heeft verweerder onweersproken gesteld dat dezelfde cijfers door dezelfde gemachtigde die eiseres in deze procedure bijstaat, in een andere procedure zijn overgelegd ter onderbouwing van zijn in die procedure geponeerde stellingen. De rechtbank knoopt voor de vaststelling van de hoogte van het bedrag aan immateriële schadevergoeding dan ook aan bij de in voornoemd artikel gehanteerde cijfers.

In voornoemd artikel staat vermeld dat de incidentie van longcarcinoom per 100.000 persoonsjaren als volgt luidt: bij enkel blootstelling aan asbest 5, bij roken 10, bij roken en blootgesteld zijn aan asbest 50 en bij andere oorzaken 1. De totale incidentie bedraagt volgens deze cijfers dus 66. Uit deze cijfers valt af te leiden dat de blootstelling aan asbest de kans op het krijgen van longcarcinoom vervijfvoudigt, welke vervijfvoudiging onafhankelijk is van de factor roken.

De kantonrechter te Middelburg heeft in zijn uitspraak van 1 februari 1999, TMA '99-6, blz. 191 e.v., vastgesteld dat de combinatie van de factoren asbestvezels en tabaksrook het risico op longcarcinoom extra verhogen, de zogenaamde effectmodificatie. Gelet op de onrechtmatigheid van de langdurige blootstelling aan asbest, de bijzondere zorgplicht die verweerder jegens C heeft gehad, de vervijfvoudiging van de kans op het krijgen van longcarcinoom ten gevolge van de blootstelling aan asbest en de effectmodificatie die plaatsvindt indien men naast het roken tevens aan asbest wordt blootgesteld, is de rechtbank van oordeel dat het redelijk en billijk is om verweerder een vergoedingsplicht op te leggen voor zowel de gevallen waarbij het longcarcinoom enkel door blootstelling aan asbest ontstaan is, als voor de gevallen waarbij de combinatie van roken en blootstelling aan asbest het longcarcinoom veroorzaakt heeft. Dit aantal van gezamenlijk 55 (5 alleen asbest en 50 combinatie van asbest en roken) ten opzichte van het totale aantal van 66, derhalve het 55/66ste deel, is het evenredige deel waarvoor verweerder naar het oordeel van de rechtbank gehouden is de immateriële schade te vergoeden.

Hierboven heeft de rechtbank aangegeven dat bij een mate van invaliditeit van 25% van de gehele mens een immateriële schadevergoeding ad ¦ 25.000,- in de rede zou liggen bij een volledige toerekening van de schade aan verweerder. Zoals hiervoor aangegeven is de rechtbank van oordeel dat in verband met het roken van C een deel van de schade aan C toegerekend dient te worden en dat verweerder het 55/66ste deel van het bedrag aan immateriële schade dient te vergoeden. De rechtbank zal ten aanzien van het bedrag aan immateriële schade zelf in de zaak voorzien en het bedrag aan immateriële schade vaststellen op ¦ 20.833,-- (55/66 * ¦ 25.000,-).

Verweerder heeft zich slechts ten aanzien van de immateriële schadevergoeding beroepen op het rookgedrag van C en bij de verzoeken om vergoeding van de materiële schade geen evenredige verdeling toegepast. De rechtbank zal dat standpunt van verweerder in deze procedure volgen.

Ter beoordeling liggen voorts nog voor de afwijzende besluiten van verweerder ten aanzien de verzoeken om vergoeding van de uitvaartkosten, van de reiskosten boven de door verweerder toegekende vergoeding ad ¦ 500,--, van de aanschafkosten van het bed, van de kosten van de gezinshulp boven de door verweerder toegekende vergoeding ad ¦ 4.160,-- en voor de dieetkosten.

Ten aanzien van de uitvaartkosten is de rechtbank van oordeel dat deze niet voor vergoeding in aanmerking komen, aangezien uit de in het geding gebrachte medische verslagen blijkt dat de behandeling van het longcarcinoom curatief is geweest en C overleden is aan de gevolgen van het gemetastaseerde prostaatcarcinoom.

Ten aanzien van de reiskosten boven de reeds door verweerder toegekende vergoeding ad ¦ 500,-- is de rechtbank van oordeel dat het verzoek tot vergoeding van de gehele kosten niet toegewezen kan worden, aangezien eiseres geen bewijzen heeft overgelegd van die reiskosten. Ook is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende verband bestaat tussen alle door eiseres gedurende het ziekteproces van haar echtgenoot mogelijk gemaakte reiskosten en het longcarcinoom van C, omdat dat longcarcinoom curatief behandeld geweest is en een deel van die reiskosten gemaakt zal zijn in verband met het prostaatcarcinoom. Wel voldoende verband bestaat er ten aanzien van de reiskosten die eiseres gemaakt heeft toen haar echtgenoot in verband met de ontsteking van de ribvliezen behandeld werd, aangezien die ontsteking een direct gevolg was van de pneumonectomie. Aangezien bij gebrek aan bewijzen niet vastgesteld kan worden dat die specifieke reiskosten en de reiskosten die eiseres gemaakt zal hebben voor en vlak na de pneumonectomie meer bedragen dan de reeds door verweerder betaalde vergoeding ad ¦ 500,-- kan het verzoek tot vergoeding niet toegewezen worden.

De kosten voor de aanschaf van een nieuw bed komen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat het verband tussen het behandelde longcarcinoom en de aanschaf van het bed niet is aangetoond en verweerder ontkend heeft dat er een dergelijk verband zou hebben bestaan. Ook een nota van het aangeschafte bed ontbreekt.

Ook het verzoek tot vergoeding van de kosten voor gezinshulp voorzover die meer bedragen dan de reeds toegekende ¦ 4.160,- kan niet toegewezen worden, omdat de rechtbank van oordeel is dat er voor die meerkosten geen, althans onvoldoende verband tussen die gezinshulp en het curatief behandelde longcarcinoom bestaat en voor die meerkosten ook de bewijzen ontbreken.

Ten aanzien van de dieetkosten is de rechtbank van oordeel dat er geen, althans onvoldoende verband bestaat tussen het behandelde longcarcinoom en de gemaakte dieetkosten. De dieetkosten zijn gemaakt vanaf mei 1993, terwijl in april 1991 de linkerlong bij C verwijderd is en er daarna, met uitzondering van de behandeling van de ontsteking aan de ribvliezen, geen nadere aan het longcarcinoom gerelateerde behandeling heeft plaatsgevonden.

Gelet op het vorenstaande dient het beroep gegrond te worden verklaard voorzover verweerder in het bestreden besluit het bedrag aan immateriële schadevergoeding gehandhaafd heeft op ¦ 10.000,--.

Gelet op de gegrondverklaring van het beroep ziet de rechtbank aanleiding om met toepassing van artikel 8:75 van de Awb verweerder te veroordelen in de proceskosten. Deze zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op ¦ 1.420,-.

Daarbij is 1 punt toegekend voor de indiening van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt ¦ 710,-, zaak van gemiddeld gewicht.

Beslist dient derhalve te worden als volgt.

5. Beslissing.

De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit en tevens het besluit van 9 februari 1999, voorzover verweerder in die besluiten de vaststelling van de immateriële schadevergoeding handhaafde c.q. de immateriële schadevergoeding vastgesteld heeft op ¦ 10.000,-;

Bepaalt dat verweerder aan eiseres een bedrag ad ¦ 20.833,-- dient te betalen terzake van de geleden immateriële schade;

Gelast dat de Staat der Nederlanden (het ministerie van Defensie) aan eiseres het door haar betaalde griffierecht, zijnde f 225,-, vergoedt;

Veroordeelt verweerder in de kosten ad f 1.420,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (het ministerie van Defensie) als rechtspersoon die deze kosten aan eiser dient te vergoeden.

6. Rechtsmiddel.

Tegen deze uitspraak staat voor partijen binnen zes weken na de datum van verzending daarvan hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep.

Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in artikel 6:13 juncto artikel 6:24 van de Awb.

Aldus gegeven door mr. L.P. Bosma en in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2000 in tegenwoordigheid van H. Pop, als griffier.

Voor eensluidend afschrift,

De griffier van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

Verzonden:

Coll. :