Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA8276

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-08-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 00/7968
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 4:5
Algemene wet bestuursrecht 8:86
Algemene wet bestuursrecht 8:72
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 'S GRAVENHAGE

Vreemdelingenkamer

Fungerend president

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak ingevolge de artikelen 8:84, eerste lid, juncto 8:67 en 8:86 Algemene wet bestuursrecht en 33a Vreemdelingenwet

Reg.nr.: AWB 00/7968 VRWET

Inzake: A, wonende te B, verzoekster,

gemachtigde mr. A.H. Hekman, advocaat te Utrecht

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. S. Oudolf, ambtenaar ten departemente

1. ZITTING

Datum: 11 augustus 2000

Zitting hebben:

mr. M.J. van den Bergh, president

mr. B. Akyol, griffier.

Ter zitting zijn verschenen verzoekster in persoon, bijgestaan door haar gemachtigde, en verweerder bij gemachtigde. Tevens was aanwezig de echtgenoot van verzoekster C.

Na het onderzoek ter zitting te hebben gesloten, heeft de president onmiddellijk uitspraak gedaan als onder 3. vermeld.

2. OVERWEGINGEN

In geschil is de handhaving d.d. 25 juli 2000 van de buiten behandelingstelling van verzoeksters aanvraag voor een vergunning tot verblijf bij echtgenoot (hierna ook "de referent").

De president overweegt dat de referent in 1995 Nederland is ingereisd en een aanvrage om toelating als vluchteling heeft gedaan. Verzoekster,

zijn echtegenote, evenals referent van Srilankaanse nationaliteit, is hem in 1996 nagereisd. Deze rechtbank, zitting houdende te Amsterdam heeft in haar uitspraak van 5 oktober 1999 geoordeeld dat de verzoekster en de referent geen

vluchteling zijn en dat ook artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) niet in de weg staat aan de terugkeer van verzoekster en de referent naar Sri Lanka.

Hangende de behandeling van hun beroep is de referent in het bezit gesteld van een vergunning tot verblijf op grond van het driejarenbeleid.

Op 20 december 1999 heeft verzoekster de onderhavige aanvraag voor verblijf bij haar echtgenoot gedaan. Deze is door verweerder buiten behandeling gesteld in verband met het ontbreken van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv).

Centraal staat de vraag of verzoekster in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste, omdat verweerder in haar zeer bijzondere geval had moeten afzien van het eisen van het bezit van een mvv. De president beantwoordt

deze vraag bevestigend.

De reden dat verzoekster destijds niet in het bezit is gesteld van een vergunning tot verblijf lag in het feit dat zij geruime tijd na haar echtgenoot uit Sri Lanka is vertrokken en zij derhalve later de asielprocedure is begonnen

met het gevolg dat er voor haar geen rechten op grond van tijdsverloop zijn ontstaan. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 5 oktober 1999 overwogen dat haar niet is gebleken van een zodanige situatie dat verweerder aan de latere

uitreis van eiseres geen gevolgen had mogen verbinden. Dit neemt niet weg dat verweerder door verblijf toe te staan aan de referent de situatie heeft gecreëerd dat ook de toelating van zijn echtgenote aan de orde zou komen.

Uiteraard dient deze toelating te worden getoetst aan het toepasselijke beleid.

Het tegenwerpen van het mvv-vereiste gaat de president evenwel in het onderhavige geval te ver.

Hiertoe wordt overwogen in de eerste plaats dat verzoekster en de referent in juli 1997 een kind hebben gekregen. Vervolgens het feit dat verzoekster, indien zij aanstonds na de vergunningverlening aan haar man om een afhankelijke

verblijfstitel zou hebben verzocht, het mvv vereiste aan haar niet zou zijn tegengeworpen, omdat dit zich afspeelde vóór de inwerkingtreding van artikel 16a Vw.

In het bijzonder heeft de president in zijn overwegingen betrokken dat de situatie in Sri Lanka op dit moment (en ook ten tijde van het bestreden besluit van 25 juli 2000) instabiel is en dat het, nu en zolang dit het geval is, zeer

bezwaarlijk moet worden geacht voor verzoekster, een Tamil-vrouw afkomstig uit het uiterste noorden van Sri Lanka, om met haar kind (3 jaar) in Colombo de tijd te overbruggen, die nodig is voor de verkrijging van de benodigde

documenten.

Ook al heeft de wetgever beoogd dat verweerder alleen in zeer uitzonderlijke gevallen van de hardheidsclausule gebruik zou dienen te maken, is de president toch van oordeel dat de optelsom van de bovengenoemde punten maakt dat het

vasthouden aan het mvv-vereiste in dit geval van bijzondere hardheid zou zijn.

Nu nader onderzoek naar het oordeel van de president redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, wordt het beroep met toepassing van artikel 8:86 Awb gegrond verklaard. In het kader van artikel 8:86 Awb maakt

de president tevens gebruik van zijn bevoegdheid ex artikel 8:72, vierde lid Awb, door te bepalen dat verweerder de aanvraag van verzoekster voor een vtv bij haar echtgenoot in behandeling neemt.

Voor het treffen van een voorlopige voorziening is, gelet op het feit dat de president heeft beslist in de bodemzaak, geen ruimte meer.

De president ziet in dit geval ook aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de kosten die verzoekster in verband met de behandeling van het

verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op f 1420 (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een

waarde per punt van f 710,- en wegingsfactor 1).

Aangezien ten behoeve van verzoekster een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, Algemene wet bestuursrecht de betaling aan de griffier te geschieden.

III. BESLISSING

De president van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage:

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder verzoeksters aanvraag voor een vtv in behandeling neemt;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten ad f 1420, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie) als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier dient te betalen;

5. gelast dat de Staat der Nederlanden als rechtspersoon het door verzoekster betaalde griffierecht ad f 225,- vergoedt;

4. RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Verzonden op: