Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA8266

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-08-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 99/9652
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Haarlem

meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken

BESLISSING HEROPENING ONDERZOEK

artikel 8:68 Algemene Wet Bestuursrecht (Awb)

artikel 33a Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr: AWB 99/9652 VRWET H

inzake:

A, B, C, D, E, F, G, H, I, J, K, L, M, N, N, O, P, Q,

allen verblijvende te R (S), eisers,

gemachtigde: mr. A van Driel, advocaat te Alkmaar;

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. A.W. van Leeuwen, advocaat te 's-Gravenhage.

1. OVERWEGINGEN

1.1 Nadat het onderzoek ter zitting in deze zaak op 20 juli 2000 was gesloten, heeft de rechtbank besloten het onderzoek te heropenen.

Daartoe is het volgende redengevend.

1.2 De president heeft in de uitspraak van 3 april 1998 met nummer AWB 98/1313 VRWET, waarbij het verzoek om voorlopige voorziening in bezwaar is toegewezen, overwogen dat voor het ontwikkelen van toepasbare criteria ter

vaststelling van de al dan niet

zelfstandigheid van de vennoten allereerst is vereist dat zo veel mogelijk een gedegen en volledig inzicht wordt verworven omtrent de organisatie, de bedrijfsvoering in al haar facetten en de feitelijke gang van zaken van en binnen

de vennootschap, met andere woorden het vaststellen van feiten. De president heeft voorts overwogen dat verweerders verklaring ter zitting dat "we niet weten hoe het in werkelijkheid gaat" naar zijn oordeel de wenselijkheid en

noodzakelijkheid van een dergelijk feitenonderzoek onderstreept.

De president heeft daarbij in aanmerking genomen dat hij de indruk had gekregen dat het aanwezige en door partijen aangeboden feitenmateriaal binnen deze procedures versnipperd en onvolledig is.

1.3 In het verweerschrift in de onderhavige procedure heeft verweerder - kort samengevat - aangegeven dat hij op alle mogelijke manieren heeft getracht van eisers te vernemen hoe nu precies de feitelijke gang van zaken is en dat hij

in de bezwaarfase heeft getracht een duidelijker beeld van de functie van de vennoten en hun rol in Texpol te verkrijgen. Daartoe heeft verweerder een hoorzitting georganiseerd, maar eisers zijn op de met hun gemachtigde afgesproken

datum, te weten 27 januari 1999, niet in persoon verschenen. Daardoor is verweerder niet in de gelegenheid geweest eisers zelf uitgebreid aan de tand te voelen teneinde beter in staat te zijn te beoordelen of eisers uitsluitend

beschouwd moeten worden als productiemedewerkers. Eisers zijn dus niet bereid gebleken in persoon te komen toelichten dat zij binnen Texpol een andere rol spelen dan de facto werknemer. Dit dient voor hun rekening en risico te

komen. Overigens kan daarmee worden vastgesteld dat zij niet hebben voldaan aan de op hen rustende informatieverschaffingsverplichting zoals bedoeld in artikel 4:2, tweede lid, Awb, aldus verweerder.

1.4 Op grond van de verklaring van verweerder ter zitting en de inhoud van het verweerschrift, zoals hiervoor weergegeven en in onderling verband en samenhang bezien, moet worden vastgesteld dat verweerder ten aanzien van het

onderzoek naar de feiten in het kader van de beoordeling van de zelfstandigheid van de vennoten uitermate veel waarde hecht aan de verklaringen van vennoten omtrent de gang van zaken binnen de vennootschap en hun rol daarin.

Het had dan ook in de rede gelegen dat verweerder bij planning van de hoorzitting - die immers primair was bedoeld om in een eigen

informatiebehoefte van verweerder te voorzien - groot gewicht zou hebben toegekend aan de mogelijkheid van (een belangrijk aantal) eisers om te verschijnen en in ieder geval in de communicatie naar eisers toe van meet af duidelijk

zou hebben gemaakt dat

aanwezigheid van eisers op de hoorzitting van wezenlijk belang was.

De rechtbank stelt vast dat het een noch het ander is gebeurd.

De communicatie over de hoorzitting is begonnen met een uitnodiging door verweerder voor 13 januari 1999. Daarbij werd verzocht mede te delen welke van de vennoten, wier bezwaar op dat moment aanhangig was, gebruik wilden maken van

de mogelijkheid om te worden gehoord.

Op een schriftelijk verzoek om uitstel is bij brief van 24 december 1998 afwijzend beslist, met daarbij het verzoek om voor 1 januari 1999 te berichten of de betrokken vreemdelingen gebruik wensen te maken van de mogelijkheid om te

worden gehoord, onder aanzegging dat bij niet tijdig bericht zou worden aangenomen dat van dat recht wordt afgezien. Daarop is door eisers gemachtigde op 31 december 1998, onder protest tegen de tijdsdruk, gereageerd met de

mededeling dat hij geen contact met zijn cliënten kon krijgen - die bevonden zich zoals eerder aangekondigd allen in Polen - en hij derhalve op eigen gezag heeft beslist dat hij door een lid van het dagelijks bestuur en een andere

vennoot zou worden vergezeld. Uiteindelijk is gebleken dat de vennoten op de datum van de hoorzitting niet in Nederland waren.

1.5 De rechtbank leidt uit een en ander af dat verweerder het heeft doen voorkomen dat de hoorzitting slechts werd belegd om de betrokkenen terwille te zijn. Onder die omstandigheden

rechtvaardigt het enkele gegeven dat er geen eisers met de gemachtigde zijn meegekomen naar een hoorzitting waarvan de datum niet in overleg is vastgesteld en onder protest is geaccepteerd, niet de verstrekkende conclusie die

verweerder daaraan verbindt.

Dat klemt temeer indien de totale duur van de procedure en de aansporingen van de president aan verweerder om initiatieven te nemen tot onderzoek in de uitspraak van 3 april 1998 in aanmerking worden genomen. Met het oog op een

zorgvuldige voorbereiding van de beschikkingen - in de zin van het vergaren van de nodige kennis omtrent de relevante feiten - had verweerder eisers alsnog de gelegenheid moeten geven om in persoon op een hoorzitting te verschijnen

onder de mededeling dat niet-verschijning zou worden opgevat als het niet voldoen aan de informatieplicht.

1.6 Gegeven het vorenstaande kan niet anders worden geconcludeerd dan dat verweerder in dit geval onvoldoende invulling heeft gegeven aan de op hem ex artikel 3:2 Awb rustende onderzoeksverplichting.

1.7 Partijen zijn ter zitting door de rechtbank geconfronteerd met de mogelijkheid dat de rechtbank tot de hiervoor weergegeven bevindingen zou komen. Zij hebben eensluidend bevestigd van opvatting te zijn dat een vernietiging op

deze grond de beslechting van het geschil niet veel verder brengt. Zij hebben doen blijken (boven een "kale" vernietiging) een scenario te preferen waarbij de rechtbank de regie van het onderzoek aan zich houdt in die zin dat zij

bij een tussenbeslissing opdracht geeft tot het houden van een hoorzitting en daartoe in ieder geval te stellen vragen formuleert, waarna na ontvangst van het verslag van de hoorzitting wordt voortgeprocedeerd.

1.8 De rechtbank zal dienovereenkomstig handelen. Daarbij zal op praktische gronden worden aangenomen dat de feitelijke stand van zaken als blijkend uit het te verrichten onderzoek niet afwijkt van die ten tijde van de bestreden

beschikkingen.

1.9 Vragen

De rechtbank acht het van belang dat op de volgende punten duidelijkheid ontstaat:

1. De aard van de arbeid

1.1 Welke verschillende taken en functies worden in de

vennootschap onderscheiden?

1.2 Hoe manifest is dat onderscheid in de organisatie van de arbeid?

Zijn functies en functionarissen aan elkaar gekoppeld of vindt

er roulatie plaats. In het laatste geval: met welke

frequentie?

1.3 In hoeverre vereist de uitoefening van de genoemde

taken/functies theoretische of praktische scholing? Hoe is of wordt daarin voorzien?

1.4 Is het totale werkkrachten bestand in organisatorische eenheden opgedeeld?

Zo ja, in hoeverre hebben de verschillende eenheden

verschillende taken? Wie beslist over (wijziging van) die opdeling en taakverdeling? Hebben individuele vennoten vrije keuze bij welke eenheid ze gaan werken?

In hoeverre vereist een en ander afstemming van de eenheden ten opzichte van elkaar? Wie draagt zorg voor die afstemming?

2. De relatie tussen de stamvennoten en de

vennootschap/onderneming

2.1 Zijn de stamvennoten tevens de oprichters van de vennootschap?

2.2 Welke wijzigingen in het aantal stamvennoten zijn er geweest?

2.3 Ligt vast op welke termijn de huidige stamvennoten uit het dagelijks bestuur zullen treden? Wat ambiëren de stamvennoten in dit verband zelf?

Is reeds nu duidelijk wie bij een wisseling als opvolgend stamvennoot zal intreden?

3. De relatie tussen de overige vennoten en de

vennootschap/onderneming

3.1 Wordt bij het intreden van vennoten op enigerlei wijze voorzien in:

- afspraken / commitment met betrekking tot de duur van de hoedanigheid van vennoot?

- een "veiligheidsvoorziening" voor het geval de vennoot niet blijkt te passen in de vennootschap?

Zo ja, hoe? In hoeverre wijkt dit af van de voorzieningen ten aanzien van de stamvennoten?

3.2 Welke procedure geldt voor toetreding van nieuwe vennoten?

- bij wie kunnen geïnteresseerden zich melden?

- hoe worden zij gewonnen?

- wie is/zijn met de werving belast?

- wie voert/voeren de gesprekken met de kandidaat-vennoten?

- wie stelt de voordracht aan de algemene vergadering op?

3.3 Hoe wordt omgegaan met niet-functionerende vennoten?

3.4 Zijn er uittredingen geweest van vennoten op aandrang van de vennootschap? Zo ja, welke procedure is daarbij gevolgd?

3.5 Welke beperkingen zijn gesteld aan de mate waarin de vennoten vrij zijn om op ieder gewenst moment uit te treden?

Zo ja, in hoeverre wijkt dit af van de voorzieningen ten aanzien van de stamvennoten?

3.6 Hoe wordt bij uittreding afgerekend? Is het voorgekomen dat personen ten tijde van hun uittreding een debetsaldo op hun kapitaalrekening hadden? Is dat aangezuiverd, zo ja, hoe?

Welke beperkingen zijn er gesteld aan de mogelijkheid van privé-opnames/voorschoten?

4. De relatie tussen alle vennoten en de onderneming

4.1 Gedurende welke maanden zijn de vennoten in Nederland?

Hoe worden afspraken daaromtrent gemaakt?

Van wie gaat terzake het initiatief uit?

Is het mogelijk en komt het voor dat vennoten onderling in een bepaald jaar verschillende aantallen arbeidsdagen realiseren?

Zo ja, hoe vaak en hoe veel? Zo nee, hoe wordt dat verzekerd?

4.2 Verrichten de vennoten gedurende hun verblijf in Polen ook activiteiten ten behoeve van de onderneming? Zo ja, welke en welk tijdsbeslag pleegt daarmee gemoeid te zijn?

4.3 Dragen alle vennoten gelijkelijk ondernemersrisico of is de mate waarin de vennoten ondernemersrisico dragen afhankelijk gesteld van de mate waarin zij arbeid hebben ingebracht? Zo nee, wordt wat dit betreft op enige andere

manier tussen de vennoten gedifferentieerd?

5. Fiscale en verzekeringstechnische situatie alle vennoten

5.1 Hoe zijn de vennoten verzekerd tegen:

- ziektekosten?

- uitval door ziekte?

- wettelijke aansprakelijkheid voor schade gedurende de arbeid toegebracht?

5.2 Is voor de vennoten ooit loonheffing/sociale premies betaald?

Zo ja, tot wanneer? Zijn er met de fiscus gesprekken gevoerd en afspraken gemaakt omtrent de fiscale behandeling van de vennoten. Zijn zij BTW-plichtig?

6. Overige vragen

Hoe voorziet de onderneming in de benodigde bedrijfsruimte en bedrijfsmiddelen (koop/huur)?

Gelieve een overzicht te geven van het actuele debiteuren- en crediteurenbestand met, wat het laatste betreft, korte

omschrijving van het type leveranties.

1.10 Voor het houden van een hoorzitting wordt een termijn van 10 weken toereikend geacht. Het komt de rechtbank voor dat verweerder voor de hoorzitting een representatief deel van de vennoten zal moeten uitnodigen, te weten een

aantal leden van het dagelijks bestuur, een aantal vennoten die per 19

september 1994 en 1 januari 1996 zijn ingetreden en een aantal vennoten die per 1 oktober 1999 zijn ingetreden. Verweerder dient het verslag van de hoorzitting binnen twee weken na afloop daarvan in te zenden.

1.11 Verweerder zal na verzending van dat verslag een termijn van twee weken hebben om zich over de resultaten van de

hoorzitting uit te laten, waarna eisers eveneens twee weken toekomt om hun reactie kenbaar te maken. Behoudens

tegenbericht gaat de rechtbank er vanuit dat partijen na die stukkenwisseling geen behoefte hebben aan een nadere zitting.

2. BESLISSING

De rechtbank:

2.1 heropend het onderzoek;

2.2 draagt verweerder op binnen tien weken na verzending van deze beslissing een hoorzitting te houden ter beantwoording van - in ieder geval - de onder overweging 1.9 gestelde vragen;

2.3 bepaalt dat verweerder het verslag van de hoorzitting binnen twee weken na afloop van de hoorzitting aan de rechtbank doet toekomen, onder kopieverlening aan eisers;

2.4 bepaalt dat verweerder binnen twee weken na verzending van dat verslag de rechtbank zijn zienswijze over de resultaten van de hoorzitting doet toekomen, onder kopieverlening aan eisers;

2.5 bepaalt dat eisers binnen twee weken na ontvangst van de zienswijze van verweerder hun reactie inzenden, onder kopieverlening aan verweerder.

Deze beslissing is op 4 augustus 2000 genomen door

mr. A.H. Schotman, voorzitter, en mrs. H.C. Greeuw en M.C.C. van der Schepop, leden van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk als griffier.

afschrift verzonden op: 8 augustus 2000