Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA8262

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-08-2000
Datum publicatie
06-08-2003
Zaaknummer
AWB 00/2885
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

president

Uitspraak

artikel 8:84 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 33a Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr.: AWB 00/2885 VRWET

inzake : A, wonende te B, verzoekster,

tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Verzoekster, geboren op [...] 1972, bezit de Bosnische nationaliteit. Zij heeft op 11 november 1999, mede ten behoeve van haar twee minderjarige kinderen, een aanvraag ingediend om toelating als vluchteling. Bij besluit van 28

december 1999 is de aanvraag om toelating als vluchteling, onder toepassing van artikel 15c, eerste lid, aanhef en onder f van de Vw, niet ingewilligd vanwege kennelijke ongegrondheid. In het besluit heeft verweerder tevens

ambtshalve geoordeeld dat verzoekster niet in aanmerking komt voor verlening van een vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard. Het besluit is op 13 januari 2000 aan verzoekster in persoon

uitgereikt. Bij bezwaarschrift van 9 februari 2000 heeft verzoekster tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

De gronden van het bezwaar zijn ingediend bij brief van 14 maart 2000. Op 11 april 2000 heeft verweerder meegedeeld dat verzoekster de behandeling

van het bezwaarschrift niet in Nederland mag afwachten. Verzoekster moet er dan ook rekening mee houden binnenkort uit Nederland te worden verwijderd.

2. Bij verzoekschrift van 20 april 2000 heeft verzoekster de president van de rechtbank verzocht over te gaan tot schorsing van de beslissing van verweerder om uitzetting niet achterwege te laten, totdat op het bezwaar is beslist.

Bij brief van 9 mei 2000 heeft verzoekster de gronden van het bezwaar en het onderhavige verzoek aangevuld. De op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder zijn op 23 mei 2000 ter griffie ontvangen. Bij brief van 24 mei

2000 heeft verzoekster haar standpunt nog nader onderbouwd. In het verweerschrift van 29 juni 2000 heeft verweerder geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek en tot ongegrondverklaring van het bezwaar met toepassing van artikel

33b van de Vw.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juli 2000.

Verzoekster is aldaar vertegenwoordigd door mr. P.C.M. van Schijndel, advocaat te 's-Gravenhage. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. A. Bosch, advocaat te 's-Gravenhage.

II. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of er aanleiding bestaat de

uitzettingsbeslissing te schorsen en een daartoe strekkende voorlopige voorziening te treffen. Dit is het geval indien het belang van verzoekster bij de gevraagde voorziening zwaarder dient te wegen dan verweerders belang bij

onmiddellijke uitvoering van zijn beslissing. De beslissing uitzetting niet achterwege te laten is eveneens onrechtmatig indien de beslissing in strijd is met verdragsbepalingen of andere rechtsregels, de algemene beginselen van

behoorlijk bestuur daaronder begrepen. In het bijzonder is die beslissing ingevolge artikel 32, eerste lid onder a van de Vw onrechtmatig indien de vreemdeling een aanvraag heeft gedaan als bedoeld in artikel 15 van de Vw, tenzij er

in redelijkheid geen twijfel over kan bestaan dat geen gevaar bestaat voor vervolging wegens godsdienstige of politieke overtuiging of nationaliteit dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of tot een bepaalde sociale groep.

Voorts is die beslissing onrechtmatig indien er aanleiding bestaat om aan te nemen dat het bezwaar tegen het besluit dat strekt tot weigering van de toelating, een redelijke kans van slagen heeft.

2. Het in dat kader gegeven oordeel over de rechtmatigheid van de uitzettingsbeslissing is niet bindend in een bodemprocedure.

3. Bij de beantwoording van de vraag of er aanleiding bestaat de uitzettingsbeslissing te schorsen en een daartoe strekkende voorlopige voorziening te treffen, gaat de president uit van de volgende feiten.

Verzoekster heeft op 23 maart 1995 in Duitsland asielaanvragen ingediend.

Deze aanvragen zijn op 16 februari 1997 afgewezen. Tegen deze afwijzing is geen rechtsmiddel aangewend. Verzoekster heeft in Duitsland een Duldung gehad tot 4 juli 1998 en heeft daarna de aanzegging gekregen om Duitsland voor 31

juli 1998 te verlaten. Op 3 augustus 1998 is verzoekster Nederland ingereisd. Op 5 augustus 1998 heeft zij verzocht om toelating als vluchteling en verlening van een vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van

humanitaire aard. Op deze aanvragen is bij besluit van 6 april 1998 afwijzend beslist. De aanvraag om toelating als vluchteling is niet ingewilligd wegens de

niet-ontvankelijkheid ervan op grond van artikel 15b, eerste lid, aanhef en onder a van de Vw. Op 8 april 1998 heeft verzoekster bij verweerder bezwaar gemaakt tegen dit besluit en heeft zij de president van deze rechtbank,

zittinghoudende te Zwolle, verzocht een voorlopige voorziening te treffen tegen de voorgenomen uitzetting. Bij uitspraak van 19 mei 1999 heeft de president het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen en het bezwaar, onder

toepassing van artikel 33b van de Vw, ongegrond verklaard.

Verzoekster is op 2 juli 1999, op grond van een Dublin-claim, overgedragen aan de Duitse autoriteiten. Zij heeft geen gehoor gegeven

aan de oproep van de Duitse autoriteiten om zich op 5 juli 1999 te melden en is op 7 of 8 juli 1999 zelfstandig naar Bosnië-Herzegovina teruggekeerd. Verzoekster is Nederland op 16 augustus 1999 opnieuw ingereisd en heeft op 11

november 1999 de onderhavige aanvraag ingediend.

De huidige partner van verzoekster, C, verblijft eveneens hier te lande. Ook hij heeft de Bosnische nationaliteit en heeft asielaanvragen ingediend. Verzoekster en C hebben asielrelazen die niet onderling gerelateerd zijn. Hun zoon

D is op [...] 1997 geboren in Duitsland. Verzoeksters dochter E is op [...] 1990 in Bosnië-Herzegovina geboren uit haar huwelijk met F.

Verzoekster heeft op 22 juni 1999 een aanvraag ingediend om verlening van een vergunning tot verblijf voor verblijf bij haar partner C. Deze aanvraag is buiten behandeling gesteld wegens het ontbreken van een machtiging tot

voorlopig verblijf.

4. Verzoekster heeft blijkens het verslag van het nader gehoor het volgende relaas en de volgende vluchtmotieven naar voren gebracht.

Verzoekster is een Bosnische moslima. Op 1 juni 1992 is de woonplaats van verzoekster ingenomen door de Serviërs. Haar echtgenoot, schoonvader en veel mannelijke buren zijn afgevoerd. Van hen is sindsdien nooit meer iets vernomen.

De mannen zijn waarschijnlijk vermoord. Verzoekster heeft een verklaring overgelegd van de Ambassade van Bosnië-Herzegovina te Zagreb, waarin de deportatie en vermissing van haar echtgenoot wordt bevestigd. Verzoekster en haar

dochter zijn met de vrouwen en kinderen naar Zagreb gebracht. Daar heeft verzoekster eerst in een vluchtelingenkamp verbleven en vervolgens bij verschillende familieleden.

Verzoekster is ernstig getraumatiseerd door de vele gruwelijkheden die zij tijdens de oorlog heeft gezien en/of meegemaakt. Haar echtgenoot is afgevoerd en vermoord. Haar grootvader is met dertien anderen in een huis opgesloten dat

vervolgens in brand is gestoken. Verzoekster is in 1992 getuige geweest van vele slachtpartijen en heeft talloze zwaar verminkte lijken gezien, waaronder die van buren en bekenden. Zij heeft gedurende de deportatie borstvoeding

gegeven aan het kind van een vrouw die op gruwelijke wijze om het leven was gekomen. Verzoekster kent degenen die verantwoordelijk zijn voor de moorden in haar voormalige woonplaats. Zij heeft in 1996 in Duitsland hun namen genoemd

tegenover journalisten van de Bosna Nova, een Bosnische krant. Haar verklaringen zijn in de vorm van een interview afgedrukt, met een foto van verzoekster en haar dochter erbij. Die editie van de Bosna Nova (van augustus 1996) is in

Bosnië-Herzegovina verspreid. Gedurende haar verblijf in Bosnië-Herzegovina in juli en augustus 1999 bleek dat de buren op de hoogte waren van het feit dat verzoekster het desbetreffende interview had gegeven. Verzoekster heeft in

die periode twee van de door haar in het interview genoemde oorlogsmisdadigers vrij zien rondlopen in haar (voormalige) woonplaats. Uit angst voor represailles van hun kant, wegens haar uitlatingen in de Bosna Nova, is verzoekster

naar Nederland teruggekeerd. Verzoekster had het ook anderszins erg moeilijk in Bosnië-Herzegovina. Zij heeft er - met haar twee kinderen - geen bron van inkomsten en niemand die haar beschermt. Zij kan er ook bij niemand meer

terecht. Haar moeder heeft zich nooit om haar bekommerd; verzoekster is opgevoed door haar grootvader, die in de oorlog in 1992 is vermoord.

De moeder van verzoeksters echtgenoot wil niets meer met haar te maken hebben omdat verzoekster een nieuwe partner heeft.

5. Op grond hiervan meent verzoekster in aanmerking te komen voor toelating als vluchteling dan wel voor verlening van een vergunning tot verblijf wegens klemmende redenen van humanitaire aard.

In het aanvullend bezwaarschrift van 14 maart 2000 heeft verzoekster aangevoerd dat artikel 15c, eerste lid, aanhef en onder a van de Vw ten onrechte is toegepast. Verzoekster heeft voor vervolging in vluchtelingenrechtelijke zin te

vrezen van oorlogsmisdadigers als degenen

die zij met name genoemd heeft in het interview in de Bosna Nova van augustus 1996, zeker nu die nog vrij rondlopen. Verzoekster heeft zich onderscheiden van de andere moslims door het desbetreffende interview te geven. Haar mag

niet worden tegengeworpen dat niet is voldaan aan het continuïteitsvereiste. Zij werd immers al vervolgd voordat zij haar uitlatingen in Duitsland deed. Verzoekster meent dat zij in ieder geval voor een vergunning tot verblijf op

grond van het traumatabeleid in aanmerking dient te komen. Zij heeft tevens een beroep gedaan op artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Zij meent bovendien

dat zij in bezwaar gehoord moet worden.

Bij brief van 9 mei 2000 heeft verzoekster medische bescheiden overgelegd ter adstructie van de gestelde traumatisering. Volgens de brief van 7 april 2000 van J.L. Veerman, arts bij de Medische Opvang AZC B, heeft verzoekster last

van angst uitgezet te worden, gespannen gevoelens, emotionele instabiliteit en slapeloosheid, en krijgt zij medicijnen daartegen. Daarbij heeft verzoekster veel jeuk en huiduitslag, waarbij mogelijk sprake is van een psychogene

oorzaak dan wel component.

M. van den Berg, verpleegkundige bij de Medische Dienst van het AC Zevenaar, beschrijft in een brief van 15 november 1999 slaapproblemen en spanningsklachten en meldt dat verzoekster psychisch een totaal uitgeputte indruk maakt.

Volgens de brief van het COA van 2 februari 2000 heeft verzoekster slaapproblemen (nachtmerries), reageert zij geagiteerd en heeft zij ook lichamelijke klachten als hoofdpijn, nekpijn en druk op de borst. Voorts heeft verzoekster

een beroep gedaan op (analoge toepassing van) de tijdelijke regeling voor degenen die de val van Srebrenica hebben meegemaakt, neergelegd in Tussentijdse Bericht Vreemdelingencirculaire (TBV) 2000/12. Deze regeling is getroffen

vanwege de traumatisering van deze groep mensen. Ter adstructie zijn twee brieven aan de vaste kamercommissie voor Justitie overgelegd, een van 12 januari 2000 van Admira training and consultancy concerning assistance to victims of

war and (sexual) violence in former Yugoslavia en een van 18 januari 2000 van dr. Gunilla Kleiverda, gynaecoloog en deelnemer aan de EG-missie Warburton inzake (seksuele) traumatisering van vluchtelingen tijdens de oorlog in

voormalig Joegoslavië. Verzoekster is in dezelfde zin getraumatiseerd als degenen die de val van Srebrenica hebben meegemaakt.

6. Verweerder heeft zich in het besluit van 28 december 1999 op het standpunt gesteld dat verzoekster mag worden aangerekend dat zij ter staving van haar aanvraag geen reis- of identiteitspapieren, documenten of bescheiden heeft

overgelegd die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van haar aanvraag. Daardoor is de oprechtheid van haar relaas op voorhand aangetast en wordt afbreuk gedaan aan de geloofwaardigheid van het asielrelaas. Voorts heeft verweerder

zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat, voor zover moet worden uitgegaan van de geloofwaardigheid van verzoeksters relaas, het relaas onvoldoende zwaarwegend is voor een geslaagd beroep op vluchtelingschap en dat haar beroep

op artikel 3 van het EVRM eveneens faalt. Het relaas bevat geen objectieve aanknopingspunten om aan te nemen dat juist verzoekster het reële risico loopt bij terugkeer in Bosnië-Herzegovina te worden onderworpen aan een behandeling

als verboden in deze bepaling.

In zijn verweerschrift heeft verweerder daar nog aan toegevoegd dat verzoekster ook overigens in het kader van haar aanvraag niet in aanmerking komt voor een vergunning tot verblijf. Aan het traumatabeleid kan zij geen aanspraken

ontlenen. Blijkens werkinstructie 31 is vereist dat de gebeurtenissen persoonlijk zijn waargenomen als ze al niet persoonlijk zijn ondergaan. In dit verband heeft verweerder nog verwezen naar een tweetal uitspraken van deze

rechtbank (zittingsplaats Den Bosch, 27 april 2000, AWB 98/7166, en zittingsplaats Zwolle, 1 december 1998,

AWB 98/3961). Voor zover er al van moet worden uitgegaan dat tussen verzoekster en haar buurvrouw een in de werkinstructie bedoelde persoonlijke band bestond, heeft verzoekster niet persoonlijk waargenomen dat haar buurvrouw om het

leven werd gebracht. Verzoekster heeft ook niet persoonlijk waargenomen dat haar echtgenoot en grootvader zijn vermoord.

Hun dood staat niet vast; verzoekster heeft verklaard te vermoeden dat zij zijn vermoord. Verder is niet aannemelijk dat verzoekster zodanig is getraumatiseerd dat van haar in redelijkheid niet kan worden gevergd terug te keren naar

het land van herkomst. In dit verband is van belang dat verzoekster in 1999 vrijwillig is teruggekeerd naar

Bosnië-Herzegovina.

Voorts meent verweerder dat het beroep op TBV 2000/12 dient te falen.

Deze regeling ziet uitdrukkelijk niet op het traumatabeleid, maar heeft betrekking op een specifieke situatie die het vreemdelingenbeleid overstijgt. Verzoekster voldoet niet aan de in TBV 2000/12 geschetste voorwaarden. Ten slotte

vormen de in bezwaar overgelegde brieven geen aanleiding voor verlening van een vergunning tot verblijf op medische gronden. Deze stukken kunnen evenmin dienen ter onderbouwing van het beroep op het traumatabeleid, nu er vanuit

medische invalshoek in beginsel geen zekere uitspraken kunnen worden gedaan over causale verbanden tussen medische stoornissen en de beweerde gebeurtenissen.

Daarbij heeft verweerder verwezen naar hoofdstuk B7/8.6 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 1994.

7. De president overweegt het volgende.

8. Ingevolge artikel 15c, eerste lid, aanhef en onder f van de Vw wordt een aanvraag om toelating als vluchteling niet ingewilligd wegens kennelijke ongegrondheid ervan indien de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis-

of identiteitspapieren, documenten of bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze documenten niet aan hem is toe te

rekenen.

9. De president stelt vast dat verzoekster ten tijde van de aanvraag bij verweerder bekend was, omdat zij eerder een asielaanvraag had ingediend, en dat verweerder ten tijde van de aanvraag zelfs beschikte over een kopie van

verzoeksters paspoort. Gelet hierop kan niet worden gezegd dat het paspoort van eiseres een document was dat noodzakelijk is voor de beoordeling van verzoeksters aanvraag. Daarom valt niet in te zien dat het feit dat verzoekster bij

de aanvraag haar paspoort niet over kon leggen, een omstandigheid is die tegenwerping van artikel 15c, eerste lid, aanhef en onder f van de Vw rechtvaardigt. Dit betekent dat er evenmin grond bestaat voor de conclusie dat de

oprechtheid van verzoeksters relaas op voorhand wordt aangetast en afbreuk wordt gedaan aan de geloofwaardigheid van haar asielrelaas doordat verzoekster haar paspoort niet heeft overgelegd. De president ziet ook overigens geen

aanwijzingen voor het oordeel dat aan de oprechtheid en/of de geloofwaardigheid van verzoeksters relaas dient te worden getwijfeld.

10. Dit leidt echter niet zonder meer tot de conclusie dat verzoekster een geslaagd beroep op vluchtelingschap kan doen. Vooropgesteld moet worden dat de situatie in Bosnië sedert het Akkoord van Dayton van november 1995, dat op 14

december 1995 in Parijs is ondertekend, niet zodanig (meer) is dat een asielzoeker afkomstig uit dat land, ook als hij of zij behoort tot de moslim-bevolkingsgroep, in het algemeen zonder meer als vluchteling kan worden aangemerkt.

De individuele situatie van verzoekster, bezien in het licht van de algemene situatie in het land van herkomst, is daarom beslissend. Naar het oordeel van de president heeft verweerder terecht overwogen dat het relaas van

verzoekster, voor zover dat geloofwaardig is, onvoldoende aanknopingspunten biedt voor het oordeel dat er in haar geval sprake is van gegronde vrees voor vervolging. Niet is aannemelijk dat verzoekster persoonlijk in de negatieve

aandacht van de autoriteiten van Bosnië-Herzegovina is komen te

staan. Tot een geslaagd beroep op vluchtelingschap leidt ook niet het feit dat verzoekster in 1996 in een interview namen heeft genoemd van oorlogsmisdadigers. Gesteld noch gebleken is dat de personen die verzoekster in het

interview heeft genoemd, op de hoogte zijn geraakt van haar uitlatingen in de Bosna Nova. Dat buren in 1999 wél op de hoogte bleken, is onvoldoende voor die conclusie. Bovendien is van belang dat verzoekster bijna anderhalve maand

in Bosnië-Herzegovina heeft verbleven zonder enig probleem van bedoelde personen te ondervinden. Voorts moet ervan worden uitgegaan dat verzoekster bij eventuele problemen de bescherming van de autoriteiten kan inroepen. Haar

stelling dat zij die bescherming niet kan krijgen is op zichzelf onvoldoende voor een andere conclusie.

11. Uit het voorgaande volgt tevens dat een voldoende mate van zekerheid is verkregen dat zich bij terugkeer van verzoekster niet een reëel risico voordoet dat artikel 3 van het EVRM wordt geschonden.

12. Ten aanzien van het beroep op het traumatabeleid stelt de president het volgende vast. Tijdens het nader gehoor heeft verzoekster samengevat wat zij tijdens de oorlog in Bosnië-Herzegovina in 1992 heeft meegemaakt en hoe het

haar is vergaan tijdens haar kortstondig verblijf daar in 1999.

Zij heeft verklaard dat zij bij terugkeer in Bosnië-Herzegovina opnieuw werd geconfronteerd met hetgeen zij in 1992 heeft meegemaakt, onder meer omdat zij de personen heeft gezien die verantwoordelijk waren voor de moord op haar

familieleden, buren en bekenden. Verzoekster heeft verklaard dat zij hierdoor in angst leefde en dat zij, onder meer door gebrek aan middelen, nergens bescherming, opvang of hulp kon vinden. De contactambtenaar heeft daarbij in het

verslag aangetekend:

"Betrokkene begint te huilen." (blz. 4), "Mevrouw A huilt voortdurend." (blz. 6) en "Mevrouw A heeft tijdens het gehoor vaak en veel gehuild." (blz. 15).

Desgevraagd heeft verzoekster verklaard dat zij lichamelijke en psychisch klachten heeft en dat zij in OC G enkele gesprekken met een psychiater heeft gehad. Op de vraag van de contactambtenaar of zij heeft overwogen zich elders in

Bosnië-Herzegovina te vestigen, heeft verzoekster geantwoord: "Ik heb over alles nagedacht. Het is zo moeilijk door alles wat ik meegemaakt heb. Ik had geen oplossing, ik kon nergens terecht." Op de vraag naar de te verwachten

problemen in het land van herkomst heeft verzoekster verklaard: "Als ik op dit moment terug zou moeten keren naar mijn eigen land dan ga ik psychisch totaal kapot. Wat er verder gebeurt, weet ik niet. Ik heb daar veel doden gezien,

als ik terug moet gaan, komt dat allemaal terug. Ik kan dat niet verdragen."

13. Deze verklaringen van verzoekster, afgelegd in zeer emotionele toestand, zijn naar het oordeel van de president niet anders op te vatten dan als een beroep op het traumatabeleid. Ingevolge werkinstructie 31 van 7 november 1995

over het traumatabeleid, dient in een beschikking expliciet een overweging over het traumatabeleid te zijn opgenomen.

Vastgesteld moet worden dat de beschikking van 28 december 1999 in strijd met deze werkinstructie tot stand is gekomen nu daarin een dergelijke motivering ontbreekt. In bezwaar heeft verzoekster geklaagd over deze omissie in het

primaire besluit en haar beroep op het traumatabeleid nader onderbouwd met een aantal medische verklaringen. In reactie daarop is in het verweerschrift gesteld dat het beroep op het traumatabeleid dient te falen omdat verzoekster

niet persoonlijk heeft waargenomen dat haar familieleden, buren en bekenden om het leven zijn gebracht. De president kan verweerder niet volgen in zijn stelling dat werkinstructie 31 deze voorwaarde stelt. Evenmin blijkt dat uit de

bij het verweerschrift overgelegde uitspraken van deze rechtbank. Voorts kan de president verweerder niet volgen in zijn standpunt dat niet aannemelijk is dat verzoekster zodanig is getraumatiseerd dat niet in redelijkheid

van haar gevergd kan worden terug te keren. Dat zij in 1999 naar Bosnië-Herzegovina is teruggekeerd, dwingt niet zonder meer tot die conclusie. Voornoemde verklaringen van verzoekster tegenover de contactambtenaar, ondersteund door

de overgelegde medische verklaring, lijken in dit geval eerder de tegenovergestelde conclusie te rechtvaardigen. Gezien de medische verklaringen is verder niet uitgesloten dat in dit geval inschakeling van de medisch adviseur

geïndiceerd is.

14. Gelet op het voorgaande kan thans niet worden uitgesloten dat verzoekster in aanmerking dient te komen voor een vergunning tot verblijf op grond van het traumatabeleid dan wel op een andere asielgerelateerde grond. Derhalve moet

worden geconcludeerd dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten de uitzetting niet achterwege te laten, zodat de gevraagde voorziening dient te worden toegewezen.

15. Gezien hetgeen hiervoor is overwogen, kunnen de stellingen van partijen over TBV 2000/12 thans onbesproken blijven.

16. De president acht geen termen aanwezig om, met toepassing van artikel 33b van de Vw, tevens over de niet-inwilliging van de aanvraag om toelating te beslissen.

17. Gelet op de voorgaande overwegingen is er aanleiding om verweerder als (gedeeltelijk) in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoekster begroot op f 1.420,= als kosten

van verleende rechtsbijstand. Onder de gegeven omstandigheden is er tevens aanleiding toepassing te geven aan artikel 8:82, vierde lid van de Awb waarin is bepaald dat de uitspraak kan inhouden dat het betaalde griffierecht geheel

of gedeeltelijk wordt vergoed door de rechtspersoon, aangewezen door de president.

III. BESLISSING

De president

1. wijst het verzoek toe in die zin dat verweerder wordt verboden verzoekster te (laten) uitzetten zolang niet op haar bezwaarschrift is beslist;

2. veroordeelt verweerder in de kosten van het geding, aan de zijde van verzoekster begroot op f 1.420,= (zegge veertienhonderdentwintig gulden), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier;

3. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door verzoekster betaalde griffierecht ad f 50,= (zegge vijftig gulden).

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2000, door mr. F. Salomon, fungerend president, in tegenwoordigheid van mr. Y.M.J. Lemmens, griffier.

Afschrift verzonden op:

Conc: YL

Coll:

Bp: -

D: B

110497