Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA8260

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-08-2000
Datum publicatie
06-08-2003
Zaaknummer
AWB 00/7618, 00/7617, 00/7616
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Vreemdelingenkamer

fungerend president

__________________________________________________

UITSPRAAK ingevolge artikel 8:84 Algemene wet bestuursrecht juncto artikel 33a en 33b Vreemdelingenwet

__________________________________________________

Reg.nr : AWB 00/7618, 00/7617 en 00/7616 VRWET

Inzake : A, B, mede namens haar

minderjarige dochter, en C, verzoekers, domicilie

kiezende ten kantore van hun gemachtigde, mr. P.J. Wapperom, advocaat te Dordrecht,

tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. A.L. de Mik, ambtenaar ten departemente.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Verzoekers, geboren op respectievelijk [...] 1963, [...] 1965 en [...] 1984, bezitten de Armeense nationaliteit. Zij stellen op 12 maart 2000 voor de tweede maal Nederland te zijn binnengekomen als vreemdelingen in de zin van de

Vreemdelingenwet (Vw). Op 25 mei 2000 hebben zij aanvragen ingediend om toelating als vluchteling. Verweerder heeft ingevolge de Overeenkomst van Dublin (OvD) de Franse autoriteiten verzocht de behandeling van de asielverzoeken op

zich te nemen, welk verzoek Frankrijk op 22 juni 2000 heeft geaccordeerd. Verweerder heeft vervolgens de aanvragen op 28 juni 2000 niet-ontvankelijk verklaard.

Verzoekers hebben tegen deze besluiten bezwaarschriften ingediend.

Verweerder heeft bepaald dat uitzetting, althans overdracht naar de voor de behandeling van de asielverzoeken verantwoordelijke staat, gedurende de periode dat de bezwaren aanhangig zijn, niet achterwege zal worden gelaten.

2. Op 5 juli 2000, ter griffie ontvangen op 10 juli 2000, hebben verzoekers de president van de rechtbank verzocht een voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting, althans de overdracht, achterwege te laten, totdat op hun

bezwaarschriften is beslist.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot afwijzing van de verzoeken.

3. De openbare behandeling van de verzoeken heeft plaatsgevonden op 3 augustus 2000. De vrouw en de zoon zijn aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn

gemachtigde. Tevens was als tolk ter zitting aanwezig dhr. E. Abkarian.

II. OVERWEGINGEN

1. Ingevolge artikel 8:81 Algemene wet bestuursrecht kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is

ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ingevolge artikel 33b Vw kan de president hangende de afdoening van het bezwaar of het administratief beroep na de behandeling van een tegen de uitzetting gerichte voorlopige voorziening tevens uitspraak doen in de hoofdzaak.

2. Verzoekers stellen dat hun asielverzoeken in Nederland dienen te worden behandeld. Daartoe hebben zij het volgende aangevoerd. Verzoekers hebben reeds eerder, te weten op 9 mei 1999, een aanvraag om toelating tot vluchteling in

Nederland ingediend. Zij zijn daartoe ingereist in het bezit van een Schengenvisum afgegeven door de Franse ambassade te Yerevan. De Nederlandse autoriteiten hebben ingevolge art. 5 OvD de Franse autoriteiten verzocht de behandeling

van de asielverzoeken op zich te nemen, welk verzoek Frankrijk op 22 juni 2000 heeft geaccordeerd. Verzoekers zijn op 23 augustus 1999 aan Frankrijk overgedragen. Zij hebben aldaar vervolgens geen asielverzoek ingediend,

maar stellen via België het Schengengebied te hebben verlaten en naar Turkije te zijn gereisd. Verzoekers voeren aan gedurende ruim 6 maanden in Istanbul en Hopa te hebben verbleven. Hiertoe hebben zij een brief overgelegd van een

hotel te Hopa, waar verzoekers stellen te hebben gewoond en gewerkt gedurende ongeveer 4 maanden. Daarnaast zijn Turkse telefoonkaarten alsmede gedetailleerde beschrijvingen van de hotels in Istanbul en Hopa overgelegd. Verzoekers

beroepen zich op art. 10, derde lid, OvD, waarin is bepaald dat de verplichtingen van de verantwoordelijke Lid-Staat, genoemd in onder meer art. 10, eerste lid, sub a en b, te weten de overname van een asielzoeker en de behandeling

van diens asielverzoek, vervallen indien de betrokken vreemdeling het grondgebied van de Lid-Staten gedurende tenminste drie maanden heeft verlaten.

3. De aanvraag om toelating als vluchteling is niet ingewilligd wegens niet-ontvankelijkheid ervan omdat verweerder van mening is dat een ander land, Partij bij het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen (Trb.

1966, 197) ingevolge een verdrag of een dit land en Nederland bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Hiertoe heeft verweerder onder meer aangevoerd dat art. 10,

derde lid, OvD geen rechtstreekse werking voor derden heeft. Ook op overige gronden behoeft uitzetting, althans overdracht, volgens verweerder niet achterwege te blijven.

4. De president overweegt als volgt. Verweerder kan worden toegegeven dat art. 10, derde lid, OvD geen rechtstreekse werking heeft, doch met deze constatering kan verweerder niet volstaan. De president is van oordeel dat allereerst

dient te worden bezien of de Nederlandse autoriteiten in redelijkheid de zogenaamde Dublinclaim bij Frankrijk kunnen leggen. De president acht dit het geval indien er in redelijkheid twijfel mogelijk is aan de juistheid van de

stelling van verzoekers dat zij minstens drie maanden buiten het gebied van de Lid-Staten hebben verbleven. In de onderhavige zaak is niet zonder twijfel komen vast te staan dat verzoekers gedurende langer dan drie maanden in

Turkije hebben verbleven. Hiertoe wordt met name overwogen dat de overgelegde brief van het bewuste hotel in Turkije het enige indicatieve stuk hieromtrent is, en dat er bij de inhoud van deze op verzoek opgestelde verklaring

vraagtekens kunnen worden gezet, onder meer aangezien verzoekers niet als reguliere gasten dan wel werknemers in dat hotel hebben verbleven.

De overige door verzoekers overgelegde stukken, zoals de telefoonkaarten, bieden eveneens geen indicatie omtrent de duur van het verblijf van verzoekers in Turkije. De door verzoekers ter zitting aangevoerde verklaring voor het

ontbreken van overige stukken, te weten een plotseling vertrek uit Turkije als gevolg van een ruzie, kan niet worden aanvaard. Bovendien wordt opgemerkt dat ook de wijze waarop verzoekers met een hulpkonvooi van het Rode Kruis via

België zijn gereisd naar Turkije, dat zojuist getroffen was door een aardbeving, bevreemdeling wekt.

Nu hieruit volgt dat er twijfel mogelijk is omtrent (de duur van) het verblijf van verzoekers in Turkije, heeft verweerder de Dublinclaim aan Frankrijk mogen voorleggen.

Op verweerder rust jegens de Lid-Staat aan wie de Dublinclaim wordt voorgelegd een informatieplicht, welke inhoudt dat alle stukken waarover verweerder beschikt ook aan die Lid-Staat dienen te worden overgelegd.

Eerst op deze wijze kan door de betreffende Lid-Staat onderzoek worden gedaan en een gedegen oordeel worden gevormd over de vraag of de verplichtingen zoals genoemd in art. 10, eerste lid, sub a en b, nog van kracht zijn.

In de onderhavige zaak is door Nederland de door verzoekers als doorslaggevend benoemde brief van het betreffende hotel te Hopa doorgezonden aan Frankrijk, getuige de aanwezigheid van een zogeheten Dublinstempel op het in het

dossier opgenomen exemplaar van de brief. De

president is van oordeel dat hiermee aan de informatieplicht welke op verweerder rustte jegens Frankrijk is voldaan.

Nu de Franse autoriteiten bij schrijven van 22 juni 2000 voornoemde claim hebben geaccordeerd en zich daarmee verantwoordelijk hebben geacht voor de behandeling van verzoekers' asielverzoeken, bestaat voor verzoekers, als gevolg van

de afwezigheid van derdenwerking van art. 10, derde lid, OvD, niet langer de mogelijkheid hierop invloed uit te oefenen.

De president is derhalve van oordeel dat verweerder de aanvraag om toelating als vluchteling terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard met toepassing van artikel 15b, eerste lid, aanhef en onder a, Vw.

5. Ingevolge artikel 3 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), dient te worden beoordeeld of aannemelijk is dat betrokkene een reëel risico loopt te worden onderworpen aan

foltering, dan wel aan een onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing.

De president is van oordeel dat er geen aanwijzingen zijn om aan te nemen dat Frankrijk, partij bij zowel het Vluchtelingenverdrag als bij het EVRM, de verplichtingen voortvloeiende uit deze verdragen niet zou nakomen. Niet kan

worden aangenomen dat de Franse autoriteiten verzoekers aldaar tegen eventuele bedreigingen van andere Armeniërs in Frankrijk geen bescherming zou kunnen of willen bieden.

6. Evenmin is gebleken van klemmende redenen van humanitaire aard op grond waarvan verweerder een vergunning tot verblijf in redelijkheid niet heeft kunnen onthouden.

7. Op grond van het voorgaande is de president van oordeel dat verweerder terecht op grond van artikel 32, eerste lid, Vw besloten heeft de uitzetting van verzoeker niet achterwege te laten. Nu voorts nader onderzoek naar het

oordeel van de president redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, wordt het bezwaar met toepassing van artikel 33b Vw ongegrond verklaard.

Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 Algemene wet bestuursrecht.

8. Van omstandigheden op grond waarvan één der partijen moet worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten is de president niet gebleken.

III. BESLISSING

De president:

RECHT DOENDE:

1. verklaart het bezwaar ongegrond;

2. wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

IV. RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Aldus gedaan door mr. M.J. van den Bergh en uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2000 in tegenwoordigheid van mr. J.A. van Ooijen, griffier.

afschrift verzonden op: