Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA8069

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-08-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 99/3827
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 4:6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2000/289 met annotatie van dr. H.B. Winter
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

enkelvoudige kamer

Uitspraak

artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 33a Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr.: AWB 99/3827 VRWET

inzake: A, wonende te B, eiser,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eiser, geboren op [...] 1992, bezit de Turkse nationaliteit. Op 17 september 1998 is ten behoeve van eiser bij de korpschef van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland een aanvraag ingediend om een vergunning tot verblijf met als

doel: 'verblijf bij vader C'. Bij besluit van 18 januari 1999 heeft verweerder op deze aanvraag afwijzend beslist.

Eiser heeft tegen dit besluit op 2 februari 1999, aangevuld bij brief van 15 februari 1999, bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is bij besluit van 2 april 1999 ongegrond verklaard.

2. Bij beroepschrift van 19 april 1999, aangevuld bij brief van 20 mei 1999, heeft eiser tegen dit afwijzende besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft partijen meegedeeld het beroep versneld te zullen

behandelen. Op 29 juni 1999 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 31 mei 2000 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het

beroep.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juni 2000. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. L.M.I. de Bruijn, advocaat te Amsterdam. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door gemachtigde mr.

drs. C.R. Jansen, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van verweerders ministerie. Tevens waren C - de vader van eiser-, D -de echtgenote van eisers vader - en E ter zitting aanwezig. Tevens was als tolk mevrouw H.

Aksoy aanwezig.

II. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

2. Bij de beantwoording van die vraag gaat de rechtbank uit van de volgende feiten.

2.1 C (verder: referent) is op, naar zijn zeggen,

2 december 1994 naar Nederland gekomen. Eiser is bij zijn grootouders in Turkije gebleven.

Op 1 juli 1997 heeft eiser bij de Nederlandse vertegenwoordiging in Turkije verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (verder: mvv) met als doel: "verblijf bij vader C". Deze aanvraag heeft de Minister van Buitenlandse Zaken

bij besluit van 19 september 1997 niet ingewilligd.

De Minister heeft in dit besluit overwogen dat de feitelijke gezinsband tussen eiser en referent is verbroken en niet is aangetoond dat de grootouders van eiser niet (meer) voor eiser kunnen zorgen. Op 9 oktober 1997 heeft eiser

hiertegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 9 december 1997 heeft de Minister van Buitenlandse Zaken het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen deze beslissing op 23 december 1997 bij deze rechtbank beroep

ingesteld. Het besluit van 9 december 1997 is op 7 mei 1998 ingetrokken. Referent is op 28 september 1998 in de gelegenheid gesteld zich te doen horen. Alleen de gemachtigde van eiser is bij dit gehoor verschenen. Op 5 november 1998

heeft de Minister van Buitenlandse Zaken het bezwaar van 9 oktober 1997 nogmaals ongegrond verklaard. Tegen dit besluit is geen rechtsmiddel aangewend.

Eiser is, naar zijn zeggen, omstreeks september 1998 Nederland ingereisd.

Referent is in het bezit van een vergunning tot verblijf met als doel:

"verblijf bij echtgenote D (verder: D)".

2.2 Eiser heeft in bezwaar een verklaring van 29 december 1997 van de gezondheidsraad van het Staatsziekenhuis te Kayseri overgelegd waarin verslag is gedaan van de gezondheidstoestand van de grootmoeder van eiser.

3. Eiser heeft in bezwaar aangevoerd dat de gezondheidssituatie van de grootmoeder van eiser is verslechterd. Zij is in het geheel niet meer in staat om voor eiser te zorgen. Om deze reden is eiser naar Nederland gekomen

niettegenstaande het feit dat nog niet onherroepelijk op de aanvraag voor een mvv was beslist. Eiser stelt zich op het standpunt dat de feitelijke gezinsband tussen hem en referent niet is verbroken en dat dit in voldoende mate

aannemelijk is gemaakt. Eiser merkt op dat het altijd de bedoeling is geweest om naar Nederland te komen. In 1997 was het echter pas mogelijk om een aanvraag voor een mvv in te dienen omdat referent in dat jaar in het bezit is

gesteld van een verblijfsvergunning. Referent heeft altijd bijgedragen in de kosten van levensonderhoud van eiser en is altijd nauw betrokken geweest bij beslissingen in verband met de opvoeding van eiser. Direct na het verkrijgen

van een verblijfsvergunning is referent eiser gaan opzoeken in Turkije.

4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de feitelijke gezinsband tussen eiser en referent is verbroken. Referent is sedert december 1994 in Nederland en heeft eiser in het land van herkomst achtergelaten. Referent heeft eerst

op 18 juni 1997 een poging gedaan om eiser over te laten komen.

Eiser was toen duurzaam opgenomen in het gezin van zijn grootouders.

Referent heeft niet aangetoond dat de grootouders niet langer in staat zijn voor eiser te zorgen. Er is niet gebleken dat eiser bij de onderhavige aanvraag nieuwe feiten of gewijzigde omstandigheden heeft vermeld die tot

een andere beslissing zouden kunnen leiden. De aanvraag kan derhalve worden afgewezen onder verwijzing naar de beschikking van de Minister van Buitenlandse Zaken van 5 november 1998. Er zijn geen feiten en omstandigheden naar voren

gebracht of gekomen op grond waarvan eiser om klemmende redenen van humanitaire aard in het bezit zou moeten worden gesteld van een vergunning tot verblijf. De verklaring van de gezondheidsraad van 29 december 1997 is reeds

meegewogen in de beslissing van 5 november 1998 van de Minister van Buitenlandse Zaken en heeft niet tot een ander oordeel geleid. De weigering om aan eiser verblijf hier te lande toe te staan betekent geen schending van artikel 8

van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Tenslotte is op juiste gronden van het horen van eiser afgezien.

5. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de persoonlijke omstandigheden van eiser.

Voorts levert het besluit een schending op van artikel 8 EVRM. De belangenafweging moet in het voordeel van eiser uitvallen gelet op de situatie in Turkije en het feit dat eiser -bij verblijf in Nederland- niet ten laste van de

algemene middelen zal komen. Tenslotte is ten onrechte van het horen van eiser afgezien.

6. Verweerder stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat het besluit van 5 november 1998 van de Minister van Buitenlandse Zaken in rechte onaantastbaar is geworden. Voorts heeft eiser in zijn beroepschrift geen nieuwe

inhoudelijke argumenten dan wel wezenlijk andere gronden aangedragen.

7. Ter zitting heeft eiser aangegeven dat hij geen beroep heeft ingesteld tegen het besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 5 november 1998 omdat hij destijds al in Nederland was. Het beroep zou om deze reden

niet-ontvankelijk zijn verklaard. Eiser is rond september 1998 Nederland ingereisd.

8. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd opgemerkt dat in het bestreden besluit - nogmaals - is getoetst aan de voorwaarden voor het beleid inzake gezinshereniging. Omdat er geen nieuwe feiten en omstandigheden door eiser waren

aangevoerd, heeft verweerder verwezen naar de motivering van het besluit van 5 november 1998 van de Minister van Buitenlandse zaken.

De rechtbank overweegt het volgende.

9. Ingevolge artikel 11 lid 5 Vw kan het verlenen van een vergunning tot verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend.

10. Verweerder voert bij de toepassing van dit artikellid het beleid dat vreemdelingen niet voor toelating in aanmerking komen, tenzij met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel klemmende

redenen van humanitaire aard of verplichtingen voortvloeiende uit internationale overeenkomsten tot toelating nopen. Dit beleid is neergelegd in de Vreemdelingencirculaire 1994 (Vc).

11. Naar het oordeel van de rechtbank hinkt verweerder in het bestreden besluit op twee gedachten. Enerzijds heeft verweerder de aanvraag van eiser niet buiten behandeling gesteld en er derhalve voor gekozen de aanvraag van eiser

inhoudelijk te behandelen, anderzijds heeft verweerder - door voor de motivering van de bestreden beschikking grotendeels te verwijzen naar het besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 5 november 1998 - achterwege gelaten

de aanvraag van eiser volledig inhoudelijk te toetsen.

12. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voor de motivering van de bestreden beschikking voorts ten onrechte verwezen naar het besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 5 november 1998. Artikel 4:6 Awb geeft

een bestuursorgaan de mogelijkheid om -in het geval geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld- zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 Awb de aanvraag af te wijzen onder

verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking. Dit artikel is in dit geval echter niet van toepassing omdat verweerder en de Minister van Buitenlandse Zaken niet één en hetzelfde bestuursorgaan zijn. Reeds in zoverre kan deze

verwijzing verweerder niet baten, en berust het bestreden besluit derhalve op een grondslag die het niet kan dragen.

13. Ondanks dit formele gebrek kan een besluit, in een geval als het onderhavige, in stand blijven indien de motivering toereikend is en de eiser of eiseres geen enkele baat zou hebben bij de vernietiging van het bestreden besluit.

Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval niet aan deze voorwaarden voldaan. Hierbij is allereerst van belang dat het besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 5 november 1998 naar het oordeel van de rechtbank op

een grondslag berust die ten dele feitelijk onjuist en onvolledig is. De Minister van Buitenlandse Zaken heeft in voornoemd besluit immers overwogen dat "uit de overgelegde stukken blijkt dat referent in de afgelopen vier jaar, vijf

maal geld heeft overgemaakt ten behoeve van eiser". Anders dan de Minister van Buitenlandse Zaken, is de rechtbank van oordeel dat uit de overgelegde stukken blijkt dat referent alleen al in de periode van 1 mei 1995 tot en met 5

juni 1997 negen maal geld heeft overgemaakt ten behoeve van eiser. In dit verband acht de rechtbank tevens van belang dat niet is gebleken dat verweerder eiser heeft gevraagd om bewijzen van geldovermakingen over te leggen over de

periode van 5 juni 1997 tot 5 november 1998. Voorts heeft de Minister van Buitenlandse Zaken in het besluit van 5 november 1998 een onjuiste maatstaaf aangelegd door te overwegen dat voor de vaststelling van de eventuele verbreking

van de gezinsband tussen eiser en referent de datum van achterlating van eiser in Turkije bepalend is. Tenslotte acht de rechtbank de zinsnede waarin de Minister van Buitenlandse Zaken in het kader van artikel 8 EVRM overweegt dat

eiser geen verblijfstitel op grond van artikel 9 of 10 Vw bezat toen hij het familie- en gezinsleven aanging, onbegrijpelijk. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de formele rechtskracht van het besluit van de

Minister van Buitenlandse Zaken van 5 november 1998 en/of de verwijzing naar dat besluit in het thans bestreden besluit, niet beslissend zijn.

14. De rechtbank heeft hierbij voorts mee laten wegen dat aannemelijk is dat eiser destijds geen beroep heeft ingesteld omdat zijn beroep - wegens zijn aankomst in Nederland - niet-ontvankelijk zou zijn verklaard.

15. Vorenstaande brengt mee dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:2 Awb en dientengevolge een deugdelijke motivering zoals voorgeschreven in artikel 7:12 Awb, ontbeert.

16. Ingevolge artikel 32, tweede lid Vw kan van horen worden afgezien, indien verweerder bepaalt dat uitzetting op grond van het eerste lid niet achterwege blijft. Verweerder heeft bij besluit van 25 maart 1999 bepaald dat eiser de

beslissing op bezwaar niet in Nederland mocht afwachten.

Verweerder is op deze beslissing niet teruggekomen en heeft eiser evenmin alsnog uitstel van vertrek verleend. Teneinde te beoordelen of verweerder terecht op grond van artikel 32, tweede lid Vw van het horen heeft afgezien, dient

te rechtbank daarom de vraag te beantwoorden of de schorsingsbeslissing rechtmatig was in de zin van artikel 32, eerste lid Vw. Naar het oordeel van de rechtbank kon, mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, ten tijde van het

bestreden besluit niet zonder meer geconcludeerd worden dat het bezwaar gericht tegen de weigering om eiser een vergunning tot verblijf te verlenen geen redelijke kans van slagen had.

Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook ten onrechte geen toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 7:2 Awb.

17. Op grond van het vorenoverwogene wordt het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd.

18. Nu het beroep gegrond wordt verklaard is er aanleiding om verweerder

als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn begroot op f 1.420,- als kosten van de

verleende rechtsbijstand.

19. Ingevolge artikel 8:74, eerste lid Awb, dient het griffierecht te worden vergoed door de rechtspersoon, aangewezen door de rechtbank.

De rechtbank beslist daarom als volgt.

II. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad f 225,- (zegge:

tweehonderdenvijfentwintig gulden);

5. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op f 1.420,- (zegge:

veertienhonderdentwintig gulden), te betalen door de Staat der Nederlanden aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2000, door mr. W.J. van Bennekom, rechter, in tegenwoordigheid van mr. R.A.J. Hubel, griffier.

Afschrift verzonden op: 5 september 2000

Conc.:SH

Coll.:

Bp:

D:b

110497