Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA8066

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-08-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 00/652
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 4:5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

president

Proces-verbaal van de zitting van 17 augustus 2000 inhoudende mondelinge Uitspraak

artikel 8:84 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 33a Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr.: AWB 00/652 VRWET

inzake: A, wonende te B, verzoeker,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Verzoeker, geboren op [...] 1972, bezit de Iraakse nationaliteit.

Hij heeft op 16 maart 1999 een aanvraag ingediend om verlenging van de geldigheidsduur van de aan hem verleende voorwaardelijke vergunning tot

verblijf (vvtv).

Bij besluit van 19 november 1999 heeft verweerder afwijzend op deze aanvraag beslist. Het besluit is op 28 december 1999 aan verzoeker in persoon uitgereikt. In de uitreikingsbrief bij dit besluit heeft verweerder meegedeeld dat

verzoeker de behandeling van een eventueel in te dienen bezwaarschrift niet in Nederland mag afwachten. Verzoeker moet er dan ook rekening mee houden binnenkort uit Nederland te worden verwijderd. Op 20 januari 2000 heeft verzoeker

bezwaar gemaakt tegen het besluit van 19 november 1999.

2. Bij verzoekschrift van 20 januari 2000 heeft verzoeker de president van de rechtbank verzocht de beslissing van verweerder om uitzetting niet achterwege te laten, te schorsen totdat op bezwaar is beslist op de aanvraag. Bij brief

van 9 februari 2000 zijn de gronden van het bezwaar en het onderhavige verzoek ingediend. De op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder zijn op 21 maart 2000 ter griffie ontvangen. De gronden van het bezwaar zijn

aangevuld bij brief van 30 maart 2000. In het verweerschrift van 25 juli 2000 heeft verweerder geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek en tot ongegrondverklaring van het bezwaar met toepassing van artikel 33b van de Vw.

Verzoeker heeft zijn standpunt nog nader onderbouwd bij faxbericht van 15 augustus 2000.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 augustus 2000.

Verzoeker is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. M.R. van der Linde, advocaat te Utrecht. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. F.L. Bolkestein, advocaat te 's-Gravenhage. Tevens was de partner van

verzoeker ter zitting aanwezig.

II. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of er aanleiding bestaat de

uitzettingsbeslissing te schorsen en een daartoe strekkende voorlopige voorziening te treffen. Dit is het geval indien het belang van verzoeker bij de gevraagde voorziening zwaarder dient te wegen dan verweerders belang bij

onmiddellijke uitvoering van zijn beslissing. De beslissing uitzetting niet achterwege te laten is eveneens onrechtmatig indien de beslissing in strijd is met verdragsbepalingen of andere rechtsregels, de algemene beginselen van

behoorlijk bestuur daaronder begrepen. In het bijzonder is die beslissing ingevolge artikel 32, eerste lid onder b van de Vw onrechtmatig indien er aanleiding bestaat om aan te nemen dat het bezwaar tegen het besluit dat strekt tot

weigering van de toelating, een redelijke kans van slagen heeft.

2. De president gaat uit van de volgende feiten.

Verzoeker verblijft sinds 21 april 1997 als vreemdeling in de zin van de Vw in Nederland. Hij heeft zich op die dag gemeld met het oog op het indienen van asielaanvragen. Bij besluit van 23 december 1997 heeft verweerder verzoekers

aanvragen niet ingewilligd. Het bezwaar van verzoeker tegen dit besluit is, conform het advies van de Adviescommissie voor vreemdelingenzaken, ongegrond verklaard bij besluit van 17 september 1998.

Bij het besluit van 23 december 1997 is aan eiser een vvtv verleend voor de duur van een jaar, met ingang van 22 april 1997. De geldigheidsduur van de vvtv is eenmaal voor een jaar verlengd.

3. Verzoeker meent dat verweerder het besluit om de geldigheidsduur van de aan hem verleende vvtv niet te verlengen niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Ten eerste blijkt uit recente Duitse jurisprudentie en

deskundigenonderzoek dat Noord-Irak niet als binnenlands vestigingsalternatief kan gelden. In dit verband heeft hij verwezen naar NAV 2000 nr. 1, blz. 12 en 13. Ten tweede dient verweerder bij de intrekking van een eenmaal verleende

vvtv de persoonlijke belangen en omstandigheden zorgvuldig te wegen. In dit verband heeft verzoeker verwezen naar het artikel van mr. H. Simon in NAV 1996 nr. 1. Verweerder heeft een dergelijke toets in dit geval nagelaten. Er is

bij het besluit dan ook geen rekening gehouden met de omstandigheid dat verzoeker in de twee jaar en acht maanden die hij inmiddels legaal in Nederland heeft verbleven, in de

Nederlandse samenleving is geworteld. Hij studeert aan het Conservatorium te Rotterdam en aan de Kunstacademie in Utrecht. Hij voorziet inmiddels in zijn eigen levensonderhoud met portrettekenen. Verzoeker heeft zowel voor het

Rembrandtsplein als het Leidseplein een vergunning van de gemeente Amsterdam. Verder heeft verzoeker een vaste relatie met een in Nederland als vluchteling toegelaten vreemdeling; verzoekers huwelijk met de nog in Irak verblijvende

C is inmiddels door echtscheiding

ontbonden. Omdat verzoeker een homoseksuele relatie heeft en hij en zijn partner moslim zijn, zijn beiden er nog niet aan toe om door samenwoning hun relatie publiek te maken. Verzoekers partner heeft een vaste baan.

Verzoeker is voorts onder behandeling van een psychotherapeut in verband met een depersonalisatiestoornis en symptomen van een posttraumatisch stress-syndroom. Ter adstructie heeft verzoeker een verklaring van zijn psychotherapeut

van 27 maart 2000 overgelegd. Verzoeker meent dat er alle aanleiding bestaat advies in te winnen van de Medisch Adviseur (MA) bij het Ministerie van Justitie. Ten slotte is nog van belang dat verzoeker een muziekoptreden heeft

verzorgd tijdens de gedenking van de jodenvervolging in Herinneringscentrum Kamp Westerbork en dat een foto van zijn optreden in de krant is verschenen. Dit kan verzoeker binnen de islamitische gemeenschap in Noord-Irak ernstige

problemen opleveren.

Al deze omstandigheden geven aanleiding voor een gehoor in de bezwaarfase. Niet kan worden gezegd dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft. Verzoeker heeft er voorts op gewezen dat in een dergelijk gehoor tevens ruimte

zal zijn voor nader onderzoek naar de concrete mogelijkheden die er voor hem bestaan om zich in Noord-Irak te vestigen, hetgeen verweerder ambtshalve dient te doen bij de intrekking van een vvtv, in het kader van de vraag of aan

verzoeker een vergunning tot verblijf zonder beperkingen dient te worden verleend. In dit verband heeft verzoeker een uitspraak overgelegd van deze rechtbank, zittinghoudende te 's-Hertogenbosch, van 4 augustus 2000 (00/399).

4.1. Verweerder heeft zich in het besluit van 19 november 1999 en in zijn verweerschrift op het standpunt gesteld dat verlenging van de geldigheidsduur van de aan verzoeker verleende vvtv, gelet op de uitspraken van de

Rechtseenheidskamer vreemdelingenzaken (REK) van deze rechtbank van 13 september 1999 (JV 1999/239) en 20 maart 2000 (JV 2000/83) en gelet op de brief van de Staatssecretaris van Justitie van 13 juli 2000, terecht is geweigerd.

Verzoekers beroep op de Duitse jurisprudentie faalt omdat in rechte vaststaat dat verzoeker geen vluchteling is en omdat het oordeel van het Duitse Verwaltungsgericht van speculatieve aard is. Het beroep op NAV 1996 nr. 1 kan

evenmin slagen. Verzoeker is niet gedurende drie jaren in het bezit geweest van een vvtv en komt mitsdien niet op grond van artikel 13a van de Vw in aanmerking van een vergunning tot verblijf zonder beperkingen.

4.2. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd als zijn standpunt gegeven dat bij het besluit tot intrekking van de aan verzoeker verleende vvtv niet aan de orde behoeft te komen of verzoeker een binnenlands vestigingsalternatief

heeft in Noord-Irak. Deze vraag hoort thuis in de toelatingsprocedure, die in verzoekers geval reeds is beƫindigd met de uitspraak van 17 september 1998. Datzelfde geldt ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden die verzoeker

naar voren heeft gebracht.

Aan het door verzoeker aangehaalde artikel van mr. Simon kan niet die waarde worden gehecht die verzoeker eraan gehecht wil zien, nu daarin te eenzijdig vanuit de belangen van de vreemdeling wordt geredeneerd.

5. De president overweegt het volgende.

6. Ingevolge artikel 12b van de Vw kan verweerder een vvtv verlenen aan een vreemdeling die zich in Nederland bevindt en die een aanvraag om toelating heeft ingediend, indien naar het oordeel van verweerder

gedwongen verwijdering naar het land van herkomst van bijzondere hardheid voor de vreemdeling zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar. Ingevolge artikel 12a, vierde lid van de Vw wordt een vvtv ingetrokken indien de

beletselen voor uitzetting zijn opgeheven.

7.1. Bij brief van 20 november 1998 heeft de Staatssecretaris van Justitie aan de Tweede Kamer der Staten Generaal bericht dat met ingang van die datum de situatie in Noord-Irak in zijn algemeenheid niet zodanig is dat gedwongen

verwijdering van afgewezen Iraakse asielzoekers naar Noord-Irak van bijzondere hardheid zou zijn.

7.2. De REK van deze rechtbank heeft in haar uitspraken van 13 september 1999 de beleidswijziging van 20 november 1998 geaccordeerd. De REK heeft in haar uitspraken geconstateerd dat deze beleidswijziging tot gevolg heeft dat

verweerder moet beoordelen of individuele feiten of omstandigheden eraan in de weg staan dat de afgewezen Iraakse asielzoeker zich in Noord-Irak vestigt. In haar uitspraken van 20 maart 2000 heeft de REK geoordeeld dat bij de

beoordeling van die vraag als maatstaf dient te gelden of de afgewezen Iraakse asielzoeker in Noord-Irak een menswaardig bestaan kan opbouwen. Bepalend daarbij is of de daadwerkelijke toegang tot voor eenieder essentieel te achten

basisvoorzieningen gewaarborgd is.

Indien de afgewezen Iraakse asielzoeker in Noord-Irak familie-, gemeenschaps- of politieke banden heeft, kan een binnenlands vestigingsalternatief worden aangenomen.

7.3. Ingevolge de uitspraken van de REK van 14 maart 1996 (RV 1996, nr. 8) heeft de beleidswijziging van 20 november 1998 onmiddellijke werking.

8. Het voorgaande betekent dat verweerder in een geval als het onderhavige in het besluit tot intrekking van de vvtv de persoonlijke vestigingsmogelijkheden in Noord-Irak moet beoordelen. De vraag of verzoeker zich in Noord-Irak kan

vestigen, is hier immers niet eerder aan de orde geweest. Indien vast komt te staan dat er voor verzoeker geen vestigingsmogelijkheden in Noord-Irak bestaan, dan heeft dit volgens verweerders beleid tot gevolg dat in beginsel een

vergunning tot verblijf zonder beperking wordt verleend.

9. Vastgesteld moet worden dat verweerder in het besluit tot intrekking van de vvtv de persoonlijke vestigingsmogelijkheden van verzoeker in Noord-Irak niet heeft beoordeeld en dat verweerder daarover ook nadien niet heeft

geoordeeld. De president kan verweerder niet volgen in zijn ter zitting ingenomen standpunt dat deze toets in de procedure rondom de intrekking van een vvtv niet aan de orde is. Dit standpunt is niet verenigbaar met de hiervoor

weergegeven jurisprudentie van de REK.

10. Nu vooralsnog niet vaststaat dat Noord-Irak voor verzoeker als binnenlands vestigingsalternatief kan worden aangemerkt, kan het bezwaar een redelijke kans van slagen niet worden ontzegd. Verweerder heeft dan ook niet in

redelijkheid kunnen besluiten uitzetting niet achterwege te laten zodat het verzoek om een voorlopige voorziening dient te worden toegewezen.

11. De president acht geen termen aanwezig om, met toepassing van artikel 33b van de Vw, tevens op het bezwaar te beslissen.

12. Gelet op de voorgaande overwegingen is er aanleiding om verweerder als (gedeeltelijk) in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoeker begroot op Fl. 1.420,= als kosten

van verleende rechtsbijstand. Onder de gegeven omstandigheden is er tevens aanleiding toepassing te geven aan artikel 8:82, vierde lid van de Awb, waarin is bepaald dat de uitspraak kan inhouden dat het betaalde griffierecht geheel

of gedeeltelijk wordt vergoed door de rechtspersoon, aangewezen door de president.

III. BESLISSING

De president

1. wijst het verzoek toe in die zin dat het verweerder wordt verboden verzoeker uit Nederland te (doen) verwijderen zolang nog niet is beslist op het bezwaar;

2. veroordeelt verweerder in de kosten van het geding, aan de zijde van verzoeker begroot op Fl. 1.420,= (zegge veertienhonderdentwintig gulden), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier;

3. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door verzoeker betaalde griffierecht ad Fl. 50,= (zegge vijftig gulden).

mr. F. Salomon mr. Y.M.J. Lemmens fungerend president griffier

Afschrift verzonden op:

Conc: YL

Coll:

Bp: -

D: B