Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA8058

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-08-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 00/1337
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 4:84
Algemene wet bestuursrecht 7:12
Algemene wet bestuursrecht 8:72
Algemene wet bestuursrecht 8:72
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

enkelvoudige kamer

Uitspraak

artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 33a Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr.: AWB 00/1337 S1813

inzake: A, wonende te Irak, eiseres,

tegen: de Minister van Buitenlandse Zaken, verweerder.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eiseres, geboren op [...] 1955, bezit de Iraakse nationaliteit. Op 17 juni 1997 heeft B, de broer van eiseres (verder:

referent) bij de korpschef van de regiopolitie te C een aanvraag ingediend om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (verder:

mvv) ten behoeve van eiseres. Bij besluit van 15 december 1997 heeft verweerder op deze aanvraag afwijzend beslist. Bij bezwaarschrift van 24 december 1997 heeft mr. P.B.Ph.M. Bogaers, advocaat te Nieuwegein, namens eiseres tegen

dit besluit bezwaar gemaakt. Op 9 april 1999 is referent gehoord door een ambtelijke commissie van het Ministerie van Justitie. Bij brieven van 4 juni 1999 en 17 juni 1999 heeft mr. Bogaers, voornoemd, het bezwaar nog nader

aangevuld. Het bezwaar is bij besluit van 26 januari 2000 ongegrond verklaard. Het besluit is op dezelfde datum aan de gemachtigde van eiseres gezonden.

2. Bij beroepschrift van 7 februari 2000 heeft mr. Bogaers, voornoemd, namens eiseres tegen dit afwijzende besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Op 20 maart 2000 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter

griffie ontvangen. Mr. Bogaers, voornoemd, heeft namens eiseres haar standpunt nog nader onderbouwd bij schrijven van 10 mei 2000.

In het verweerschrift van 22 mei 2000 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juni 2000. Eiseres is aldaar vertegenwoordigd door mr. Bogaers, voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. I.W. Neleman, advocaat te 's-Gravenhage. Tevens

was ter zitting aanwezig C. Sharif, tolk in de Arabische taal.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van artikel 33d Vw worden besluiten omtrent de afgifte van mvv's gegeven krachtens het Souverein Besluit van 12 december 1813, voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, gelijkgesteld met

besluiten aangaande de toelating, gegeven op grond van de Vreemdelingenwet. De rechtbank 's-Gravenhage is derhalve bevoegd.

2. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Bij de beantwoording van die vraag gaat de rechtbank uit van de volgende feiten.

Op 22 januari 1996 heeft referent verzocht om toelating als vluchteling tot Nederland, welk verzoek op 12 juni 1997 is ingewilligd. Op 17 juni 1997 heeft referent aanvragen ingediend voor verlening van mvv¿s ten behoeve van zijn

echtgenote, zijn zes kinderen en eiseres. Deze aanvraag is bij besluit van 15 december 1997 toegewezen voor de echtgenote en zes kinderen, en afgewezen voor eiseres. Deze afwijzing is onderwerp van het onderhavige geschil.

In het dossier bevinden zich - onder meer - de volgende documenten.

- Een vertaalde verklaring van de sociale raadsman van de wijk Abdullah Bag in Khanaqin, gedateerd 20 oktober 1997, samengevat inhoudende dat eiseres verstandelijk gehandicapt is, dat zij door het gezin van referent wordt verzorgd

en er niemand anders is om voor haar te zorgen.

- Een vertaalde medische verklaring gedateerd 14 april 1999, afgelegd door Azwad Barwari, psychiater, en Ibrahim Mohamed Ali, directeur van het centraal gezondheidscentrum in Zakho, Irak, samengevat inhoudende dat eiseres aan

zenuwstoringen lijdt en -onder meer- last heeft van waanideeën en achtervolgingswaanzin. Zij heeft behoefte aan rustgevende familieomstandigheden en de zorg van haar familie.

3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres niet in aanmerking komt voor verruimde gezinshereniging omdat referent niet heeft aangetoond duurzaam te beschikken over voldoende middelen van bestaan. Referent

ontvangt een uitkering op grond van de Algemene bijstandswet (Abw). Deze uitkering wordt niet aangemerkt als een inkomen in de zin van de Vw.

Voorts is onvoldoende gebleken dat achterlating van eiseres in het land van herkomst een onevenredige hardheid zou betekenen. Eiseres heeft haar hele leven in Irak gewoond en wordt ook nu aldaar in haar eigen omgeving verzorgd en

ondersteund. Er is niet gebleken dat eiseres niet langer in staat zou zijn om zich met hulp uit haar naaste omgeving te handhaven zoals zij kennelijk sinds het vertrek van het gezin van referent heeft kunnen doen. Daarbij wordt

opgemerkt dat de echtgenote van referent er bewust voor heeft gekozen om referent naar Nederland te volgen en daarmee heeft zij tevens bewust gekozen voor de daaraan verbonden gevolgen voor eiseres.

Bovendien wonen, naast de verre familie bij wie eiseres momenteel verblijft, in ieder geval ook nog twee zussen en een broer van eiseres in Irak. Van deze familieleden mag worden verwacht dat zij eiseres - indien nodig - steun en

bijstand verlenen. Uit de overgelegde medische verklaringen blijkt niet dat de specifieke aanwezigheid van referent en zijn gezin voor eiseres noodzakelijk zijn.

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan eiseres om overige klemmende redenen van humanitaire aard voor toelating in Nederland in aanmerking zou komen. Eiseres ontvangt in Irak een medische behandeling en niet

is gebleken dat zij door de weigering haar in Nederland toe te laten in een levensbedreigende situatie terecht dreigt te komen.

De weigering eiseres in het bezit te stellen van een vergunning tot verblijf betekent geen schending van artikel 8 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Weliswaar is er tussen eiseres en referent sprake van een relatie die als gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM moet worden beschouwd, doch van inmenging in dit gezinsleven is geen sprake. Niet is gebleken van dusdanige

bijzondere feiten of omstandigheden dat uit het recht op respect voor zijn familie- en gezinsleven de positieve verplichting voortvloeit haar hier te lande verblijf toe te staan. Hoewel sprake is van een objectieve belemmering voor

referent om het gezinsleven met eiseres in Irak uit te oefenen, dient in dit geval, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, het belang van de Nederlandse Staat dat is gelegen in het voeren van een restrictief toelatingsbeleid,

zwaarder te wegen dan het belang van eiseres en referent bij het uitoefenen van het gezinsleven. De weigering eiseres toe te laten, belet niet de voortzetting van het familie- en gezinsleven tussen eiseres en referent zoals dat

thans bestaat.

Ter zitting heeft verweerder gesteld dat niet is aangetoond dat de familie van referent vanwege het feit dat referent erkend vluchteling is, gevaar zou lopen in Irak. Voorts zou referent ook vanuit Nederland zijn zussen in Baghdad

financieel kunnen ondersteunen indien zij de zorg voor eiseres op zich zouden nemen. Verweerder stelt zich niet langer op het standpunt dat ook de broer van eiseres waarmee zij sinds 1972 geen contact meer heeft, als een reële

mogelijkheid voor opvang van eiseres wordt beschouwd.

4. Eiseres meent dat zij in aanmerking komt voor verruimde gezinshereniging bij referent dan wel voor toelating op grond van klemmende redenen van humanitaire aard. Daartoe voert zij aan dat zij onlosmakelijk met het gezin van

referent is verbonden. Eiseres is geestelijk gehandicapt en kan niet zelfstandig voor zichzelf zorgen. Sedert het overlijden van hun vader in 1971, heeft referent als oudste zoon van het gezin de zorg voor haar op zich genomen. Ook

toen referent in 1976 huwde en daarna kinderen kreeg, bleef eiseres bij hem en zijn gezin wonen en maakte zij deel uit van dit gezin.

Na het vertrek van de echtgenote en kinderen van referent in 1998, is eiseres achtergelaten bij de familie van Akber Hayder in Zakho. Zij zijn leden van dezelfde stam als referent en eiseres en derhalve verre familie.

Er zijn geen directe familieleden in Irak die de zorg voor eiseres op zich kunnen nemen. De broer van eiseres die in Baghdad woont is sinds 1972 uit de familie getreden en sindsdien heeft de familie geen contact meer met hem. Voorts

wonen er nog twee zussen van eiseres in Baghdad. Deze zussen zijn beide weduwen die slecht voor hun eigen minderjarige kinderen kunnen zorgen. Zij kunnen de zorg voor eiseres niet op zich nemen. Door te stellen dat de zussen van

eiseres wel voor haar zouden kunnen zorgen, houdt verweerder geen rekening met de verhoudingen in Irak ten aanzien van de positie van de oudste zoon van de familie en de daaruit voorkomende verplichtingen. Bovendien bestaat er gelet

op de situatie in Irak, geen enkele kans op verzorging voor een gehandicapte vrouw.

Referent en zijn gezin zijn als vluchtelingen erkend in Nederland. De hele familie staat in Irak bekend als politieke vijanden van het regime in Baghdad. Het is dan ook onredelijk om onder deze omstandigheden van eiseres te

verlangen dat zij in Baghdad bij haar zussen gaat wonen.

Uit de medische verklaringen van 20 april 1999 blijkt dat eiseres inmiddels lijdt aan zenuwstoornissen en een ernstige depressie. Eiseres heeft met name behoefte aan aandacht en verzorging van haar familie. De scheiding van referent

en zijn gezin betekent een grote psychische klap voor eiseres. Uit de medische rapportage blijkt dat de zorg van haar naaste familie essentieel is voor het welzijn van eiseres. Gelet op de gebrekkige medische infrastructuur in

Noord-Irak, is het niet redelijk van verweerder om als vereiste te stellen dat eiseres een medische of sociale rapportage overlegd waaruit zou moeten blijken dat eiseres specifiek de aanwezigheid van referent nodig heeft.

Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres verklaard dat de echtgenote van referent en zijn kinderen op 10 maart 1998 in het bezit van een mvv naar Nederland zijn gereisd. Eiseres is toen achtergebleven omdat aan haar geen mvv was

verleend. Door verweerder is derhalve een breuk in het gezin aangebracht. Eigenlijk had eiseres als een dochter van referent moeten worden beschouwd en had zij ook een afgeleide vluchtelingenstatus moeten verkrijgen. Referent

voldoet niet aan het middelenvereiste omdat hij op dit moment een verplichte inburgeringscursus volgt.

De rechtbank overweegt het volgende.

5. Voor een verblijf in Nederland van langer dan drie maanden behoeft een vreemdeling in beginsel een der verblijfstitels genoemd in de artikelen 9 tot en met 10 Vw. Met het oog hierop pleegt een aanvraag om een mvv te worden

getoetst aan dezelfde criteria als die welke strekken tot het verkrijgen van een vergunning tot verblijf. Een mvv kan, evenals een vergunning tot verblijf ingevolge artikel 11 lid 5 van de Vreemdelingenwet worden geweigerd op

gronden aan het algemeen belang ontleend.

6. Bij de toepassing van dit artikellid wordt het beleid gevoerd dat vreemdelingen niet voor toelating in aanmerking komen, tenzij met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel klemmende

redenen van humanitaire aard of verplichtingen voortvloeiende uit internationale overeenkomsten tot toelating nopen. Dit beleid is neergelegd in de Vreemdelingencirculaire (Vc).

7. In hoofdstuk B1/7 van de Vc is bepaald dat gezinsleden die feitelijk behoren tot het gezin van degene bij wie verblijf in Nederland wordt beoogd, voor toelating in aanmerking komen indien -onder meer- aan de volgende voorwaarden

is voldaan. Degene bij wie toelating als gezinslid wordt beoogd, moet duurzaam en zelfstandig beschikken over voldoende middelen van bestaan. Onder voldoende middelen van bestaan wordt verstaan een netto-inkomen, dat ten minste

gelijk is aan het bestaansminimum voor een gezin in de zin van de Abw. Een uitkering waarvoor geen premie is afgedragen, zoals de Abw, wordt niet aangemerkt als voldoende middelen van bestaan in de zin van de Vw.

8. Eiser betwist niet dat referent niet duurzaam beschikt over voldoende

middelen van bestaan. Derhalve heeft verweerder zich met recht op het standpunt gesteld dat eiseres geen aanspraak op toelating kan ontlenen aan het door verweerder gevoerde beleid inzake verruimde gezinshereniging.

9. Nu niet wordt voldaan aan de beleidsregels voor toelating zal verweerder op de voet van artikel 4:84 Awb de vraag moeten beantwoorden of sprake is van door eiseres aangevoerde bijzondere feiten en omstandigheden die aanleiding

dienen te zijn om in haar geval van de beleidsregels af te wijken. Dit kan zo zijn indien de afweging van belangen die aan de beleidsregels ten grondslag heeft gelegen in de bijzondere situatie van de vreemdeling niet tot een

redelijke uitkomst leidt. In een dergelijk geval kan eiseres worden toegelaten op grond van overige klemmende redenen van humanitaire aard, niet vallende binnen een specifieke categorie waarvoor verweerder bijzondere criteria heeft

ontwikkeld. De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

10. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres is opgegroeid in hetzelfde gezin als referent en dat referent sinds het overlijden van hun vader in 1971 de zorg voor eiseres op zich heeft genomen. Ook nadat referent in 1976 is

getrouwd en daarna kinderen heeft gekregen, bleef eiseres feitelijk deel uitmaken van het gezin van referent omdat zij gelet op haar geestvermogens emotioneel en financieel afhankelijk was van referent.

11. In januari 1996 is referent uit Irak gevlucht. Nu referent op 12 juni 1997 in Nederland als vluchteling is erkend, staat vast dat hij Irak onvrijwillig heeft verlaten. Derhalve is de scheiding die tussen referent en eiseres is

ontstaan geen gevolg geweest van zijn vrijwillige keuze.

12. Zodra referent uitsluitsel verkreeg over zijn verblijfsstatus in Nederland heeft hij gepoogd om zich met zijn gezin - waaronder eiseres - te verenigen, door voor hen een mvv aan te vragen.

13. De echtgenote en kinderen van referent verkregen toelating tot Nederland op grond van het beleid inzake de toelating van gezinsleden van toegelaten vluchtelingen, neergelegd in hoofdstuk B7/17. Eiseres verkreeg op deze grond

geen toelating omdat zij niet onder de definitie van gezinsleden, te weten echtgenoten en minderjarige kinderen, viel. Tegen dit onderdeel heeft eiseres geen tijdig bezwaar gemaakt. De stelling ter zitting dat eiseres wel een

afgeleide vluchtelingenstatus had moeten verkrijgen dient in verband met een goede procesorde buiten beschouwing te blijven. Toen op 10 maart 1998 de echtgenote en kinderen van referent naar Nederland zijn gereisd om zich met hun

echtgenoot en vader te herenigen, bleef eiseres als enige uit het gezin in Irak achter.

14. Gelet op de verklaringen van referent en zijn familieleden, en mede gelet op de in rechtsoverweging II.2 weergegeven sociale en medische verklaringen van 20 oktober 1997 en 14 april 1999, acht de rechtbank het aannemelijk dat

eiseres niet in staat is om voor zichzelf te zorgen en dat zij afhankelijk is van de zorg van haar familie. De rechtbank acht het gelet op de uit algemene bronnen bekende politieke en economische situatie in Irak aannemelijk dat er

geen geschikte (van staatswege georganiseerde) opvang voor eiseres in Irak aanwezig is. De rechtbank overweegt voorts dat tussen partijen niet (meer) in geschil is dat van de broer van eiseres in Bagdad redelijkerwijs niet verwacht

kan worden dat hij de zorg voor eiseres op zich zal nemen. Eiseres heeft gesteld dat haar twee zusters in Bagdad weduwen zijn met de zorg voor minderjarige kinderen. Gelet op de algehele politieke en economische situatie in Irak en

met name in Baghdad, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich redelijkerwijs niet zonder nader onderzoek op het standpunt kan stellen dat van deze zusters verwacht kan worden dat zij de zorg voor eiseres op zich nemen.

15. Voor eiseres is opvang gevonden bij stamgenoten/verre familieleden in

Zakho. Gelet op hetgeen in rechtsoverweging II.14 is overwogen en gelet op het feit dat referent op dat moment reeds bezwaar had gemaakt tegen de weigering om ook aan eiseres een mvv te verlenen, acht de rechtbank het aannemelijk

dat het verblijf van eiseres bij de stamgenoten in Zakho bedoeld was als een tijdelijke noodoplossing.

16. Gelet op het feit dat eiseres over verminderde geestvermogens beschikt, sinds haar geboorte met referent in hetzelfde huis heeft gewoond en een feitelijke gezinsband met referent heeft onderhouden, in combinatie met de medische

verklaring van 14 april 1999, is de rechtbank van oordeel dat achterlating van eiseres na het vertrek van de rest van het gezin van referent, van een onevenredige hardheid is.

17. Gelet op de in rechtsoverweging II.10 tot en met II.16 weergegeven cumulatieve humanitaire omstandigheden, is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiseres niet in aanmerking komt voor

toelating tot Nederland op grond van klemmende redenen van humanitaire aard.

18. Voorts is tussen partijen niet in geschil dat tussen eiseres en referent sprake is van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. In artikel 8, eerste lid EVRM is bepaald dat een ieder recht heeft op respect

voor zijn familie- en gezinsleven ("family life").

Ingevolge het tweede lid van dit artikel is geen inmenging van enig openbaar gezag in de uitoefening van dit recht toegestaan, dan voor zover bij wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van

de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten

en vrijheden van anderen. Op grond van vaste jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens geldt daarbij als uitgangspunt dat artikel 8 EVRM geen algemene verplichting met zich meebrengt gezinshereniging of

gezinsvorming mogelijk te maken door immigratie toe te staan.

19. Gelet op het feit dat aan eiseres nimmer verblijf in Nederland is toegestaan is in dit geval geen sprake van inmenging in het familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM. Of in dit geval uit het recht op eerbiediging

van het familie- en gezinsleven niettemin voor verweerder een (positieve) verplichting voortvloeit om eiseres verblijf in Nederland toe te staan moet worden vastgesteld aan de hand van een redelijke afweging tussen de belangen van

het individu en die van de gemeenschap in zijn geheel. Een aspect van deze belangenafweging is of het ontwikkelen en/of het beleven van het familie- en gezinsleven ook in het land van herkomst mogelijk is.

20. Nu referent en zijn echtgenote en kinderen in Nederland als politiek vluchteling zijn erkend dan wel afgeleid vluchtelingenschap hebben verkregen, staat vast dat er sprake is van een objectieve belemmering om het gezinsleven met

eiseres in Irak uit te oefenen. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen omtrent de klemmende redenen van humanitaire aard, heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom het bestreden besluit geen schending van artikel 8 EVRM zou

betekenen. De rechtbank neemt daarbij met name in aanmerking dat referent onvrijwillig Irak heeft verlaten en dat de scheiding tussen referent en eiseres derhalve niet het gevolg is geweest van een bewuste keuze van referent of

eiseres.

21. De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, Awb, zodat het beroep gegrond wordt verklaard. De rechtbank ziet tevens

aanleiding om met toepassing van het bepaalde in artikel 8:72, vierde en vijfde lid, Awb, te bepalen dat verweerder binnen vier weken na bekendmaking van deze uitspraak een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze

uitspraak is overwogen.

22. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het

ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn begroot op Fl. 1420,- als kosten van verleende

rechtsbijstand.

23. Ingevolge artikel 8:74 lid 1 Awb, dient het griffierecht te worden vergoed door de rechtspersoon, aangewezen door de rechtbank.

De rechtbank beslist daarom als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder binnen vier weken een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiseres betaalde griffierecht ad Fl. 225,- (zegge tweehonderdvijfentwintig gulden);

5. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op Fl. 1420, (zegge duizendvierhonderdentwintig), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier.

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2000, door mr. C.P.E. Meewisse, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.J. de Jong, griffier.

Afschrift verzonden op: 30 augustus 2000

Conc:AJ

Coll:

Bp: -

D: B