Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA8056

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-08-2000
Datum publicatie
21-11-2002
Zaaknummer
AWB 97/5803, 00/2133
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2000/291
RV20000031 met annotatie van Kuijer A. Aldo
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE

Zittingsplaats Zwolle

Vreemdelingenkamer

regnr.: Awb 97/5803 VRWET Z VR en Awb 00/2133 VRWET Z VR

UITSPRAAK

inzake: A,

geboren op [...] 1976,

verblijvende te B,

burger van de Federatieve Republiek Joegoslavië (FRJ),

IND dossiernummer: 9702.13.8037,

eiser,

gemachtigde: mr. J.E. Middelveld, advocaat te Goor;

tegen: DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

gemachtigde: mr. M. van Driel, advocaat te 's-Gravenhage.

1 PROCESVERLOOP

1.1 Op 13 februari 1997 heeft eiser aanvragen om toelating als vluchteling en verlening van een vergunning tot verblijf gedaan. Bij beschikking van 7 mei 1997 heeft verweerder de aanvragen niet ingewilligd.

1.2 Eiser heeft daartegen bij brief van 17 juni 1997 bezwaar gemaakt. Eiser is medegedeeld dat hij de behandeling van het bezwaar niet in Nederland mag afwachten. Op 17 juni 1997 heeft eiser daarom de president van deze rechtbank

verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij beschikking van 26 september 1997 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3 Bij beroepschrift van 9 oktober 1997 heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank tegen deze beschikking. Eiser is medegedeeld dat hij de behandeling van het beroep niet in Nederland mag afwachten.

1.4 Op 15 april 1999 is eiser uitstel van vertrek verleend tot 1 juni 1999.

Eiser heeft naar aanleiding daarvan bij brief van 15 april 1999 zijn verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken. Bij brief van 31 mei 1999 heeft verweerder het aan eiser verleende uitstel van vertrek verlengd tot 1 augustus

1999. Op 30 juli 1999 heeft eiser de president van deze rechtbank verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege wordt gelaten totdat op het beroep is beslist.

1.5 Op 23 september 1999 heeft eiser een aanvraag ingediend om verlening van een vergunning tot verblijf met als doel "verblijf bij echtgenote C". Bij beschikking van 2 november 1999 heeft verweerder deze aanvraag buiten behandeling

gesteld, met toepassing van artikel 4:5, eerste lid Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eiser heeft hiertegen bij brief van 29 november 1999 bezwaar gemaakt. Bij brief van 9 februari 2000 is eiser medegedeeld dat hij de behandeling

van het bezwaar niet in Nederland mag afwachten. Verweerder heeft het bezwaar bij beschikking van 11 februari 2000 ongegrond verklaard. Eiser heeft bij beroepschrift van 16 februari 2000 beroep ingesteld tegen deze beschikking.

Eiser is medegedeeld dat hij de behandeling van het beroep niet in Nederland mag afwachten.

1.6 De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan eiser gezonden en hem in de gelegenheid gesteld nadere gegevens te verstrekken.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Openbare behandeling van de beroepen heeft plaatsgevonden ter zitting van 10 april 2000. Eiser noch zijn gemachtigde zijn daarbij verschenen.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2 OVERWEGINGEN

2.1 Ten eerste dient te worden beoordeeld of de beschikking d.d.

26 september 1997 toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan. De rechtbank overweegt in dit verband het volgende.

2.2 Op grond van artikel 15 Vreemdelingenwet (Vw) in samenhang met artikel 1(A) van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen kunnen vreemdelingen die afkomstig zijn uit een land waarin zij gegronde reden hebben

te vrezen voor vervolging wegens hun godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke overtuiging of hun nationaliteit, dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of een bepaalde sociale groep, als vluchteling worden toegelaten.

2.3 Eiser heeft ter ondersteuning van zijn aanvragen, samengevat, het volgende naar voren gebracht.

Eiser is afkomstig uit Kosovo en behoort tot de Albanese bevolkingsgroep. In september 1993 werd eiser op straat aangehouden door de politie en meegenomen naar het bureau in Obiliq. Hij werd ondervraagd over de verblijfplaats van

zijn broers D en E, die

respectievelijk in 1991 en 1992 naar Duitsland gevlucht waren - vermoedelijk om politieke redenen- en naar wie de politie sinds 1992 op zoek was. Vervolgens werd eiser overgebracht naar Pristina, waar hem ook vragen werden gesteld

over zijn broers. Eiser werd daarbij mishandeld.

Na een week werd hij vrijgelaten.

In september 1993 werd door een postbode, die in gezelschap van een agent was, een brief aangeboden op het adres van eiser. Nadat eisers vader vernomen had dat de brief met militaire dienst te maken had, heeft hij gezegd dat eiser

niet thuis was. Daarop zijn de twee mannen weer vertrokken. Omdat eiser niet tegen Bosniërs wilde vechten en überhaupt niet ingezet wilde worden in het Servische leger en hij bang was een volgende maal direct meegenomen te worden

naar het front, heeft hij één à twee dagen later de FRJ verlaten om naar Duitsland te gaan en daar asiel te vragen.

Omdat eisers Duldung na half maart 1997 niet meer verlengd zou worden door de Duitse autoriteiten, is eiser op 17 januari 1997 naar zijn ouders in Kosovo teruggekeerd. Op 4 februari 1997 vertrok eiser naar Bollocevc om zijn zuster

een bezoek te brengen. Tijdens zijn verblijf bij zijn zuster hoorde eiser van zijn vader dat op 5 februari 1997 politie-agenten aan de deur waren geweest en naar hem hadden gevraagd, omdat zij vernomen hadden dat hij naar Kosovo was

teruggekeerd. Daarbij hadden zij het huis doorzocht en eisers vader geslagen. Eisers vader heeft daarop voor eiser een reis naar Nederland geregeld. Op 12 februari 1997 heeft eiser daarom Kosovo weer verlaten.

2.4 Verweerder heeft de aanvragen primair afgewezen, omdat hij niet aannemelijk acht dat eiser in januari 1997 daadwerkelijk is teruggekeerd naar Kosovo, aangezien eiser heeft nagelaten zijn verklaringen dienomtrent nader te

concretiseren en te onderbouwen.

Subsidiair heeft verweerder gesteld dat niet aannemelijk is geworden dat eiser in Kosovo te vrezen heeft voor vervolging in

vluchtelingenrechtelijke zin. In dit verband heeft verweerder het volgende overwogen.

Niet aannemelijk is geworden dat eiser heeft geweigerd zijn militaire dienstplicht te vervullen, daar eiser zijn oproep niet heeft overgelegd.

Zelfs indien eiser moet worden gevolgd in zijn stelling dat hij heeft geweigerd zijn militaire dienstplicht te vervullen, kan dit niet tot vluchtelingschap leiden, daar op 18 juni 1996 een amnestiewet is aangenomen en niet

aannemelijk is geworden dat deze niet ten uitvoer wordt gelegd. Bovendien bestaat de mogelijkheid bij een eventuele volgende oproep om alternatieve dienst te verzoeken.

Niet aannemelijk is geworden dat eiser vanwege de door hem gestelde politieke activiteiten van zijn broers gegronde vrees heeft voor vervolging van de zijde van de Servische autoriteiten. In dit verband is van belang dat niet is

aangetoond dat eisers broers vanwege hun politieke activiteiten in Duitsland zijn toegelaten. Bovendien duidt de omstandigheid dat eiser niet in Duitsland is toegelaten er niet op dat de Duitse autoriteiten eisers broers als dermate

belangrijke tegenstanders van de Servische autoriteiten zagen, dat zij op grond daarvan van oordeel waren dat eiser vanwege zijn broers te vrezen had voor vervolging.

2.5 Eiser stelt zich op het standpunt dat hij wel degelijk gegronde vrees heeft voor vervolging zijdens de Servische autoriteiten. In dit verband heeft eiser het volgende aangevoerd.

Eiser heeft zijn oproep voor militaire dienst niet kunnen overleggen, omdat hij die nimmer in ontvangst genomen heeft. Dat eisers broers in Duitsland als vluchteling zijn toegelaten blijkt uit de door eiser tezamen met het

beroepschrift overgelegde stukken. Het is eiser volkomen onduidelijk waarom hijzelf niet als vluchteling is toegelaten in Duitsland. In elk geval bleek, toen eiser terugkeerde naar Kosovo, dat er wel degelijk negatieve aandacht voor

hem was van de zijde van de autoriteiten. Of het nu was vanwege het niet vervullen van de militaire dienstplicht dan wel vanwege de activiteiten van eisers broers, de

politie stond aan de deur en er konden slechts twee redenen zijn waarom zij eiser zochten.

2.6 Vooropgesteld moet worden, dat niet is gebleken dat de politieke en mensenrechtensituatie in de Federatieve Republiek Joegoslavië zodanig is, dat asielzoekers uit dat land zonder meer als vluchteling behoren te worden

aangemerkt. Derhalve zal aannemelijk moeten zijn, dat met betrekking tot eiser persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan waardoor hij gegronde reden heeft te vrezen voor vervolging in vluchtelingenrechtelijke zin.

2.7 Naar het oordeel van de rechtbank is het bestaan van dergelijk feiten en omstandigheden niet aannemelijk geworden. Voor zover eisers verklaring dat hij in 1997 naar Kosovo is teruggekeerd al geloofwaardig geacht moet worden, is

van belang dat niet aannemelijk is gemaakt dat eiser vanwege zijn broers dan wel vanwege ontduiking van de dienstplicht in de negatieve belangstelling van de Servische autoriteiten staat. De rechtbank baseert dit oordeel op de

volgende overwegingen.

Eiser heeft slechts vage verklaringen afgelegd met betrekking tot de politieke activiteiten die zijn broers in Kosovo zouden hebben verricht.

Toen eiser in 1993 werd opgepakt in verband met de gestelde activiteiten van zijn broers, die overigens het land reeds ontvlucht waren, is hij na een week weer vrijgelaten. Derhalve wordt niet aannemelijk geacht dat eiser ten tijde

van zijn vlucht in 1997 ten gevolge van de activiteiten van zijn broers te vrezen had voor vervolging in

vluchtelingenrechtelijke zin. Overigens valt uit de door eiser overgelegde stukken niet af te leiden dat de grond voor toelating in Duitsland van eisers broers gelegen was in hun politieke activiteiten en waren de Duitse

autoriteiten blijkbaar ook van oordeel dat die gestelde activiteiten geen reden waren om eiser als vluchteling toe te laten.

Eiser heeft tevens gesteld dat hij te vrezen heeft voor vervolging vanwege zijn weigering om zijn militaire dienstplicht te vervullen. De rechtbank overweegt allereerst dat eiser zijn relaas op geen enkele wijze heeft onderbouwd of

geconcretiseerd. Gesteld noch gebleken is dat eiser daadwerkelijk is opgeroepen voor militaire dienst. Eiser heeft slechts gesteld dat tevergeefs gepoogd is een oproep bij hem thuis af te geven. Dat eiser nadien daadwerkelijk een

oproep heeft gekregen of anderszins is benaderd om de dienstplicht te vervullen, is niet gebleken. Bovendien is niet aannemelijk geworden dat eiser vanwege het feit dat hij behoort tot de Albanese bevolkingsgroep gegronde vrees

heeft voor onevenredige of discriminatoire bestraffing of tenuitvoerlegging van de straf of andere discriminatoire behandeling vanwege het niet vervullen van de militaire dienstplicht.

Voorts is niet gebleken dat eiser tot zijn weigering kwam doordat hij ernstige onoverkomelijke gewetensbezwaren heeft op grond van godsdienst of andere diepgewortelde overtuiging die dienstweigering of desertie voorschrijven.

Hetgeen door eiser in dit verband naar voren is gebracht, is daartoe in ieder geval onvoldoende.

Tenslotte is niet aannemelijk geworden dat eiser dienst heeft geweigerd omdat hij niet betrokken wenste te worden bij een (soort) militaire actie die is veroordeeld door de internationale gemeenschap als strijdig met de

grondbeginselen van humaan gedrag of die in strijd is met de fundamentele normen die gelden tijdens een gewapend conflict noch omdat hij een gegronde vrees had te worden ingezet tegen zijn eigen volk of familie. Eiser heeft

aangevoerd dat hij niet voor het Servische leger in Bosnië wilde vechten. Niet aannemelijk is echter dat eiser als militair zou zijn ingezet in Bosnië-Hercegowina. Op 27 april 1992 werd het Federale Joegoslavische leger uit

Bosnië-Hercegowina teruggetrokken.

Niet is gebleken dat dienstplichtige militairen sedertdien gedwongen werden deel te nemen aan acties in Bosnië-Hercegowina.

Eisers beroep op vluchtelingschap in verband met dienstweigering is derhalve niet terug te voeren op één van de drie categorieën genoemd in

de uitspraken van de Rechtseenheidskamer van deze rechtbank d.d.

12 april 1995 (nrs. Awb 94/12128 Vrwet en Awb 94/12134 Vrwet).

Op grond van het voorgaande moet worden geoordeeld dat eiser er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat in zijn geval rechtsgrond voor toelating als vluchteling in Nederland bestaat.

2.8 Op grond van artikel 11, vijfde lid, Vw kan het verlenen van een vergunning tot verblijf, daaronder begrepen de voorwaardelijke vergunning tot verblijf, geweigerd worden op gronden aan het algemeen belang ontleend. Verweerder

voert met het oog op de bevolkings- en werkgelegenheidssituatie hier te lande een beleid waarbij vreemdelingen in het algemeen - behoudens verplichtingen welke voortvloeien uit internationale overeenkomsten - slechts voor verlening

van een vergunning tot verblijf in aanmerking komen indien met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend of indien sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard.

2.9 Gelet op hetgeen in rechtsoverweging 2.7 is overwogen, is niet aannemelijk dat eiser bij gedwongen verwijdering naar Federatieve Republiek Joegoslavië een reëel risico loopt te worden blootgesteld aan een behandeling waartegen

artikel 3 van het (Europees) Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) bescherming beoogt te bieden, zodat eiser aan die bepaling geen aanspraak op verlening van een vergunning tot

verblijf zonder beperkingen kan ontlenen.

2.10 Evenmin is aannemelijk dat sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard die eiser aanspraak geven op verlening van een vergunning tot verblijf.

2.11 Gezien het voorgaande heeft verweerder in redelijkheid kunnen weigeren eiser een vergunning tot verblijf zonder beperkingen te verlenen.

2.12 Met betrekking tot verweerders weigering eiseres een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv) te verlenen overweegt de rechtbank het volgende.

De Rechtseenheidskamer van deze rechtbank heeft in haar uitspraak d.d.

17 november 1998 (Jurisprudentie Vreemdelingenrecht (JV) 1998, 217) geoordeeld dat verweerder in de periode tot 30 december 1996 in redelijkheid heeft kunnen afzien van het voeren van een vvtv-beleid voor etnische Albanezen uit

Kosovo. In haar uitspraken d.d. 15 juni 1999 en 5 augustus 1999 heeft deze rechtbank (zittingsplaats Den Bosch, respectievelijk Zwolle, JV 1999, 182 en 265) daaraan toegevoegd dat verweerder ook tot 13 maart 1998 in beginsel in

redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat de situatie van etnische Albanezen niet zodanig was dat gedwongen verwijdering naar de FRJ van bijzondere hardheid zou zijn.

Verweerder heeft derhalve ten tijde van het nemen van de beslissing d.d.

26 september 1997 in redelijkheid kunnen besluiten eiser geen vvtv te verlenen.

2.13 Het tegen de beslissing d.d. 26 september 1997 ingestelde beroep is derhalve ongegrond.

2.14 Voorts dient met betrekking tot het beroep d.d. 16 februari 2000 beoordeeld te worden of de beslissing d.d. 11 februari 2000 toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

2.15 Verweerder heeft eisers aanvraag d.d. 23 september 1999 om verlening van een vergunning tot verblijf voor verblijf bij zijn partner buiten behandeling gesteld, omdat eiser niet voldoet aan het wettelijke vereiste van het bezit

van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en naar de mening van verweerder geen van de

vrijstellingscategorieën op eiser van toepassing is. Volgens verweerder valt niet in te zien waarom het van bijzondere hardheid zou getuigen van eiser te verlangen dat hij tijdelijk terugkeert naar zijn land teneinde de afgifte van

een mvv te bewerkstelligen.

2.16 Naar de mening van eiser heeft verweerder zijn aanvraag om een verblijfsvergunning voor verblijf bij zijn partner niet op goede gronden buiten behandeling gesteld, daar eiser blijkens artikel 16a, derde lid

sub b Vw vrijgesteld dient te worden van het mvv-vereiste. De door verweerder toegepaste interpretatie van dit artikel, inhoudende dat de vrijstelling slechts geldt totdat op het bezwaar is beslist dan wel schorsende werking aan het

bezwaarschrift is onthouden, is te beperkt.

Bovendien is het, gelet op de spanningen tussen Serviërs en Albanezen in de FRJ, voor eiser als Albanees niet volkomen veilig om in Belgrado een mvv te gaan aanvragen.

2.17 Artikel 4:5, eerste lid, Awb bepaalt dat indien een aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag of indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor

de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad om binnen een door het bestuursorgaan gestelde

termijn de aanvraag aan te vullen.

Artikel 16a, eerste lid, Vw bepaalt dat een aanvraag om toelating slechts in behandeling wordt genomen, indien de vreemdeling beschikt over een geldige mvv, welke hij heeft aangevraagd bij en welke hem verstrekt is door de

Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het land van zijn herkomst of het land van zijn bestendig verblijf.

In de artikelen 16a, derde lid, Vw en artikel 52a van het Vreemdelingenbesluit (Vb) zijn de categorieën van vreemdelingen opgenomen die zijn c.q. worden vrijgesteld van het mvv-vereiste. Artikel 16a, zesde lid, Vw bepaalt dat buiten

de in het tweede, derde en vierde lid bedoelde gevallen in zeer bijzondere individuele gevallen voor het in behandeling nemen van de aanvraag om toelating kan worden afgezien van het eisen van het bezit van een geldige mvv.

2.18 Artikel 16a, derde lid, aanhef en onder b, Vw bepaalt dat van het bezit van een machtiging tot verblijf zijn vrijgesteld vreemdelingen die een aanvraag om toelating als vluchteling hebben ingediend als bedoeld in artikel 15,

eerste lid, Vw.

Verweerder heeft in het verweerschrift onder verwijzing naar de in TBV 1998/28 neergelegde beleidsregels gesteld dat deze vrijstelling geldt tot een beslissing op de asielaanvraag is genomen en de termijn voor het indienen van een

bezwaarschrift ongebruikt is verstreken of op grond van het bezwaarschrift besloten is de uitzetting niet achterwege te laten.

De rechtbank volgt verweerder niet in deze stelling. In dit verband wordt het volgende overwogen.

De wettekst zelf biedt op dit punt geen duidelijkheid. De rechtbank stelt vast dat volgens de invoeginstructie bij de

Vreemdelingencirculaire 1994 (Vc) van september 1999, TBV 1998/28 bij aanvulling 23 (juli 1999) verwerkt is in de Vreemdelingencirculaire en dat het TBV (derhalve) verwijderd moet worden. De rechtbank constateert tevens dat de in

het verweerschrift aangehaalde passage met betrekking tot de reikwijdte van artikel 16a, derde lid, sub b, Vw bij de verwerking van TBV 1998/28 in de circulaire niet is overgenomen en dat derhalve ook de circulaire ten tijde van de

bestreden beslissing geen duidelijkheid (meer) bood ten aanzien van de betekenis die verweerder aan het betreffende artikel toekent.

Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder betoogd dat het wetsartikel in kwestie is geschreven met het oog op personen die bij binnenkomst in Nederland aangeven dat zij een asielverzoek willen indienen en niet van toepassing

is op gevallen waarin na het indienen van een asielverzoek een reguliere aanvraag om toelating wordt gedaan.

Het starten van een asielprocedure zou anders ontduiking van het mvv- vereiste in reguliere procedures mogelijk maken, hetgeen nooit de bedoeling kan zijn geweest, aldus verweerder. Volgens hem is voor dat standpunt steun te vinden

in hetgeen tijdens de parlementaire behandeling van het voorstel van wet van de leden De Hoop Scheffer en Verhagen tot wijziging van de Vreemdelingenwet (wettelijke vastlegging van de machtiging tot voorlopig verblijf) is opgemerkt

(Tweede Kamer der

Staten-Generaal, vergaderjaar 1996-1997, 24 544, nr. 6, p. 7). De rechtbank oordeelt hierover als volgt.

In de betreffende passage, die betrekking heeft op een met de onderhavige zaak vergelijkbare casus, wordt aangegeven dat artikel 16a, derde lid, sub b Vw "de gevallen dat de asielzoeker in procedure is" betreft. Niet gepreciseerd is

wat daaronder moet worden verstaan. Er is voorts enkel opgemerkt dat, indien het verzoek om toelating als vluchteling wordt afgewezen, de betrokkene, om op een andere grond alsnog toelating te krijgen, een mvv dient aan te vragen,

waarbij erop gewezen is dat, indien dit anders zou zijn, de asielprocedure zou kunnen worden gebruikt om zonder mvv een reguliere verblijfsvergunning aan te vragen. Naar het oordeel van de rechtbank biedt de door verweerder

aangehaalde passage onvoldoende aanknopingspunten om de door hem bepleite interpretatie van het betreffende wetsartikel zonder meer juist te achten. De rechtbank acht op grond van deze passage veeleer aannemelijk dat genoemd artikel

betrekking heeft op vreemdelingen die een aanvraag om toelating als vluchteling hebben ingediend, waarop nog niet onherroepelijk is beslist.

Nu eiser zijn aanvraag van 23 september 1999 heeft ingediend op een moment dat nog niet onherroepelijk was beslist op de aanvraag om toelating als vluchteling heeft verweerder de aanvraag niet op goede gronden buiten behandeling

gesteld wegens het ontbreken van een geldige mvv.

2.19 Het beroep d.d. 16 februari 2000 is derhalve gegrond, zodat de beslissing d.d. 11 februari 2000 vernietigd dient te worden.

2.20 Gelet op het voorgaande, ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen tot het vergoeden van het door eiser ter zake van het beroep d.d. 16 februari 2000 betaalde griffierecht en in de kosten die eiser in verband met

de behandeling van dat beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, zoals hieronder weergegeven.

3 BESLISSING

De rechtbank

- verklaart het beroep geregistreerd onder nummer Awb 97/5803 ongegrond;

- verklaart het beroep geregistreerd onder nummer Awb 00/2133 gegrond;

- vernietigt de beslissing d.d. 11 februari 2000;

- gebiedt verweerder om opnieuw op het bezwaar d.d. 29 november 1999 te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak;

- wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon om aan eiser het door hem betaalde griffierecht ad fl. 50,00 te vergoeden;- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad fl. 710,00, onder aanwijzing van de Staat der

Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten de griffier dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.H. van Benthem en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. drs. H.M.C.W. Mudde-Blom als griffier op 18 augustus 2000

----------------

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open (artikel 33e Vw).

Afschrift verzonden: 18 augustus 2000