Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA7593

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-08-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 99/10121
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

meervoudige kamer

Uitspraak

artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 33a Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr.: AWB 99/10121 VRWET

inzake : A, wonende te B, eiser,

tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eiser, geboren op [...] 1963, bezit de Guinese nationaliteit. Op 10 december 1997 heeft eiser bij de korpschef van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland een aanvraag ingediend om een vergunning tot verblijf. Bij besluit van 13

maart 1998 heeft verweerder op deze aanvraag afwijzend beslist. Eiser heeft tegen dit besluit op 19 maart 1998 bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is bij besluit van 1 april 1999 ongegrond verklaard.

Het besluit is bij brief van 28 juli 1999 aan de gemachtigde van eiser gezonden.

2. Bij beroepschrift van 25 augustus 1999, aangevuld bij schrijven van 12 november 1999, heeft mr. J.A.W. van Puffelen, advocaat te Amsterdam, namens eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft

partijen meegedeeld het beroep versneld te zullen behandelen. Bij uitspraak van 15 maart 2000 heeft de president het verzoek om een voorlopige voorziening van 25 augustus 1999, gericht tegen de beslissing van verweerder uitzetting

hangende de beroepfase niet achterwege te laten, toegewezen, aangezien verweerder niet tijdig de op de zaak betrekking hebbende stukken had ingezonden. Op 11 februari 2000 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van

verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 23 mei 2000 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juni 2000. Eiser is aldaar vertegenwoordigd door mr. Van Puffelen, voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door gemachtigde mr. S.H.J.M. Roelofs, ambtenaar bij

de Immigratie- en Naturalisatiedienst van verweerders ministerie.

II. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

2. Bij de beantwoording van die vraag gaat de rechtbank uit van de volgende feiten. Eiser verblijft sedert onbekende datum als vreemdeling in de zin van de Vw in Nederland. Eiser beoogt met de onderhavige aanvraag verlening van een

vergunning tot verblijf met als doel "verblijf bij Nederlandse partner C" (hierna: C). C was

ten tijde van de aanvraag gehuwd met D (hierna: D).

Op 9 februari 1998 is een kind geboren, E. In het

dossier bevinden zich stukken van de Raad voor de Kinderbescherming waaruit blijkt dat de Raad eiser als biologische vader van E ziet. Tevens blijkt uit deze stukken dat de Raad eiser als de huidige partner van C beschouwt.

Bij beschikkingen van de kinderrechter van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam, in het openbaar uitgesproken ter terechtzitting van 12 februari 1998, is het kind met ingang van 12 februari 1998 onder toezicht gesteld voor de

duur van drie maanden respectievelijk uithuis geplaatst met ingang van 12 februari 1998 voor de duur van drie maanden.

Op 10 maart 1999 is de echtscheiding tussen C en D

uitgesproken. Eiser en C zijn op 10 augustus 1999 in het huwelijk getreden.

3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet in aanmerking komt voor de gevraagde vergunning tot verblijf. Er is tussen eiser en C geen sprake van een vaste en exclusieve relatie. Gebleken is dat C sinds 4 februari 1999

uitgeschreven is uit de Gemeentelijke Basisadministratie van de gemeente B naar de gemeente F.

Voorts is gebleken dat eiser nog steeds niet staat ingeschreven in de gemeente B. Hij heeft zich tevens niet bij de Vreemdelingendienst

afgemeld in verband met een (mogelijk) vertrek naar een andere gemeente.

Verweerder is van mening dat hier dan ook niet gesproken kan worden van een vaste en exclusieve relatie tussen eiser en C. Eiser heeft zelf niets aangevoerd waaruit het tegendeel blijkt.

Het feit dat eiser en C inmiddels gehuwd zijn is pas in beroep aangevoerd en kan gezien de ex-tunc toetsing niet worden meegewogen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht of gekomen op grond waarvan eiser om klemmende redenen van humanitaire aard in het bezit had moeten worden gesteld van een vergunning tot verblijf. Niet gebleken is dat eiser

zodanig geïntegreerd is in de Nederlandse samenleving en de Guinese samenleving zozeer is ontwend, dat terugkeer naar het land van herkomst niet van hem gevergd kan worden.

Er is geen sprake van schending van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), aangezien er geen sprake is van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8

EVRM tussen eiser en C, dan wel tussen eiser en het kind dat op 9 februari 1998 geboren is.

Eiser is niet gehoord omdat daartoe, gelet op het bepaalde in artikel 32, lid 2 van de Vw, geen verplichting bestond en dit evenmin door de zorgvuldigheid werd gevorderd.

In het verweerschrift heeft verweerder nog het volgende aangevoerd, voor zover moet worden aangenomen dat er wel sprake is van familie- en gezinsleven tussen eiser en C dan wel tussen eiser en het kind. Er is geen sprake van

inmenging in het familie- en gezinsleven tussen eiser en C. De bestreden beschikking strekte er immers niet toe een verblijfstitel te ontnemen die eiser in staat stelde gezinsleven in Nederland uit te oefenen. Eiser was nimmer in

het bezit van een verblijfstitel.

Ten opzichte van het familie- en gezinsleven tussen eiser en het kind stelt verweerder dat niet is aangetoond dat eiser het kind heeft erkend.

Het kind is drie dagen na de geboorte onder toezicht gesteld respectievelijk uithuis geplaatst.

Derhalve is er geen sprake van feitelijke invulling van het gezinsleven tussen eiser en het kind. Eiser heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit het tegendeel zou blijken.

4. Eiser is van mening dat hij in aanmerking komt voor een vergunning tot verblijf op grond van het partnerbeleid. Hij voert daartoe aan dat hij wel degelijk een vaste en duurzame relatie met C heeft. Eiser woont samen met C in B.

Eiser is altijd voornemens geweest om in het huwelijk te treden met C. Dit liep echter vertraging op aangezien C nog steeds gehuwd was. Aangezien eiser toelating wilde om in het huwelijk te treden, had hier getoetst moeten worden

aan het beleid voor gehuwden.

Voorts had verweerder moeten informeren in hoeverre eiser gevorderd was met de trouwplannen alvorens de bestreden beschikking te nemen. Nu verweerder dit heeft nagelaten, is de bestreden beschikking in strijd met het

zorgvuldigheidsbeginsel.

Eiser heeft in beroep aangevoerd dat hij inmiddels in het huwelijk is getreden met C. Uit de relatie tussen eiser en C is een

kind geboren. Dit kind is uithuis geplaatst. Eiser en C willen echter voor het kind zorgen.

Eiser stelt dat de hoorplicht is geschonden.

De rechtbank overweegt het volgende.

5. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting ziet de rechtbank geen aanleiding om aan te nemen dat de bestreden beslissing eerder bekend is gemaakt dan door de toezending aan de gemachtigde van eiser bij brief van 28 juli

1999. Het beroep is derhalve ontvankelijk.

6. Ingevolge artikel 11 lid 5 van de Vw kan het verlenen van een vergunning tot verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend.

7. Verweerder voert bij de toepassing van dit artikellid het beleid dat vreemdelingen niet voor toelating in aanmerking komen, tenzij met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel klemmende

redenen van humanitaire aard of verplichtingen

voortvloeiende uit internationale overeenkomsten tot toelating nopen.

Dit beleid is neergelegd in de Vreemdelingencirculaire (Vc).

8. Eiser beoogt toelating op basis van het partnerbeleid, neergelegd in hoofdstuk B 1 onder 3 van de Vc. Om voor toelating op basis van dit beleid in aanmerking te komen is -onder meer vereist- dat er sprake is van een vaste en

exclusieve relatie. Deze relatie moet blijken uit het feit dat de partners feitelijk samenwonen en op hetzelfde adres in het bevolkingsregister zijn ingeschreven. Daarnaast dienen de partners een gemeenschappelijke huishouding te

voeren.

9. Verweerder stelt zich op het standpunt dat er in de litigieuze periode geen vaste en exclusieve relatie bestond tussen eiser en de moeder van eisers kind, C. Onder de gedingstukken bevindt zich echter een rapport van de Raad voor

de Kinderbescherming waarin een beschrijving voorkomt van een huisbezoek aan C en waarin over eiser onder meer is gesteld: "Tijdens het huisbezoek van 20 januari 1998 is hij thuis. Hij zit naar herhaling-programma's van AT5 te

kijken." Ook de overige gedingstukken bieden geen enkele steun voor het standpunt van verweerder.

Het uittreksel van de Gemeentelijke Basisadministratie waarop verweerder zich voornamelijk baseert, bevindt zich niet in het dossier. Bovendien heeft verweerder nagelaten eiser te confronteren met dit stuk, zodat niet is komen vast

te staan welke betekenis moet worden toegekend aan de gestelde inschrijving. Nu de juistheid van verweerders beoordeling van de relatie tussen eiser en C allerminst evident was, had het voor de hand gelegen dat verweerder eiser had

gehoord. In dit geval had dat te meer voor de hand gelegen nu tussen de indiening van het bezwaarschrift en het bestreden besluit meer dan een jaar is verstreken. De conclusie moet dan ook zijn dat het bestreden besluit op een

ontoereikende feitelijke grondslag berust.

10. Het beroep is derhalve gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

11. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken.

Deze kosten zijn begroot op f 1420,-- als kosten van verleende rechtsbijstand.

12. Ingevolge artikel 8:74 lid 1 Awb, dient het griffierecht te worden vergoed door de rechtspersoon, aangewezen door de rechtbank.

III. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad f 225,-- (zegge tweehonderenvijfentwintig gulden);

5. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op f 1420,-- (zegge veertienhonderdtwintig gulden), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Rang, voorzitter, en mr. M. Lolkema en mr. C.P.E. Meewisse, rechters, en uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2000, door voornoemde voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Lee,

griffier.

Afschrift verzonden op:

Conc.: ML JL

Coll:

Bp: -

D: B

110497