Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA7592

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-08-2000
Datum publicatie
05-07-2002
Zaaknummer
AWB 99/9924, e.a.
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2000/273
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE

Zittingshoudende te Arnhem

Vreemdelingenkamer

regnr.: Awb 99/9924, 99/9926, 99/9927, 99/9928, 99/9930 en 99/9934 S1813 H V35 CC

UITSPRAAK

inzake: 1. A,

geboren op [...] 1932,

IND dossiernummer 9812.22.2009,

alsmede haar dochters,

2. B,

geboren op [...] 1962,

IND dossiernummer 9906.21.2023,

3. C,

geboren op [...] 1957,

IND dossiernummer 9906.21.2038,

4. D,

geboren op [...] 1960,

IND dossiernummer 9906.21.2033,

5. E,

geboren op [...] 1962,

IND dossiernummer 9906.21.2029,

en

6. F,

geboren op[...] 1956,

IND dossiernummer 9906.21.2034,

verblijvende in Irak,

van Iraakse nationaliteit,

eiseressen,

gemachtigde: mr. J.A. Pieters, advocaat te Utrecht;

tegen: DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

gemachtigde: mr. N.H. Zuerink, ambtenaar ten departemente.

1. PROCESVERLOOP

1.1 Op 11 november 1998 heeft G, hier na te noemen referente, ten behoeve van eiseressen verzocht om afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als doel: verblijf bij dochter c.q. zus, en het verrichten van arbeid

al dan niet in loondienst.

Bij beschikkingen van 18 augustus 1999 heeft verweerder de aanvraag niet ingewilligd. Eiseressen hebben daartegen bij brief van 13 september 1999 bezwaar gemaakt.

1.2 Bij beschikkingen van 5 november 1999 heeft verweerder de bezwaarschriften ongegrond verklaard. Tegen deze beschikkingen hebben eiseressen bij afzonderlijke brieven van 27 november 1999 beroep ingesteld bij de rechtbank.

1.3 De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan eiseressen gezonden en hen in de gelegenheid gesteld nadere gegevens te verstrekken.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Openbare behandeling van de beroepen heeft plaatsgevonden ter zitting van 13 juli 2000. Eiseressen hebben zich aldaar doen vertegenwoordigen door hun gemachtigde, mr. Pieters. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2. OVERWEGINGEN

2.1 In deze procedure dient te worden beoordeeld of de bestreden beschikkingen toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kunnen doorstaan.

2.2 Eiseressen hebben verzocht om afgifte van een mvv. Voor de afgifte van een mvv gelden dezelfde criteria als voor het verlenen van een vergunning tot verblijf (A4/5.1 van de Vreemdelingencirculaire 1994).

2.3 In casu is het beleid voor verruimde gezinshereniging van toepassing, zoals dat is neergelegd in hoofdstuk B1/7 van de Vreemdelingencirculaire 1994 (Vc). Op grond van dit beleid komen voor een vergunning tot verblijf in

aanmerking gezinsleden die feitelijk behoren tot het gezin, voor zover hun achterlating een onevenredige hardheid zou betekenen.

2.4 Verweerder heeft de aanvragen niet ingewilligd aangezien eiseressen niet hebben aangetoond dat aan de voorwaarden voor verruimde gezinshereniging wordt voldaan, onder meer omdat eiseressen niet feitelijk tot het gezin van

referente behoren. Bovendien is de niet-inwilliging van hun aanvragen niet van onevenredige hardheid nu zij familieleden hebben in het land van herkomst waar zij een beroep op kunnen doen. In dit verband is van belang dat de

gestelde psychische problemen van eiseressen 2 tot en met 6 niet zijn aangetoond.

Uit hetgeen in het bezwaarschrift is aangevoerd, leidt verweerder af dat eiseressen (mede) beogen asielrechtelijke bescherming in te roepen.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat een aanvraag om verlening van de vluchtelingenstatus echter slechts door de betrokkene persoonlijk kan worden ingediend en toegelicht. Eiseressen dienen zich dan ook persoonlijk tot een

Nederlandse vertegenwoordiging in het buitenland te richten om aldaar inlichtingen te verschaffen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan eiseressen in het bezit gesteld moeten worden van een vergunning tot verblijf op humanitaire gronden.

De weigering om eiseressen verblijf hier te lande toe te laten betekent geen schending van het in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden neergelegde recht op eerbiediging van het

familie- en gezinsleven.

2.5 Eiseressen kunnen zich niet vinden in het standpunt van verweerder.

Zij zijn van mening dat de stelling van verweerder, dat de referentenprocedure niet kan worden gevolgd voor het indienen van een asielaanvraag, niet houdbaar is. Uit werkinstructie 183 moet worden opgemaakt dat ook verweerder

uitgaat van de mogelijkheid om via deze procedure een asielaanvraag voor een ander in te dienen. Eiseressen verwijzen naar een uitspraak van 19 augustus 1999 van de rechtbank te 's-Gravenhage, zittinghoudende te Zwolle, (Awb

98/4885, Jurisprudentie Vreemdelingenrecht 1999 nr. 262). Voor de beschrijving van de vluchtelingrechtelijke aspecten verwijzen eiseressen naar hun bezwaarschrift.

Eiseressen hebben voorts aangevoerd dat zij zich hebben beroepen op klemmende redenen van humanitaire aard. Zij hebben in dit verband melding gemaakt van diverse feiten en omstandigheden. Nu in de bestreden beschikkingen hieraan

geen aandacht is geschonken, is er sprake van een motiveringsgebrek op dit punt.

Tot slot betwisten eiseressen het standpunt van verweerder dat de bestreden beschikkingen geen schending betekenen van artikel 8 EVRM.

2.6 Vastgesteld moet worden dat aan de aanvragen ten grondslag is gelegd dat eiseressen verblijf hier te lande beoogen met als doel verblijf bij referente. In het bezwaarschrift hebben eiseressen (impliciet) aangevoerd dat zij met

de mvv mede hebben beoogd asielrechtelijke bescherming aan te vragen.

2.7 Naar het oordeel van de rechtbank kan een mvv-procedure, die is begonnen in het kader van (verruimde) gezinshereniging, niet later mede tot doel hebben het indienen van een verzoek om toelating als vluchteling. Indien tijdens

een lopende procedure sprake is van een gewijzigd of bijkomend verblijfsdoel, welk verblijfsdoel niet samenhangt met het eerste verblijfsdoel, dient voor het nieuwe verblijfsdoel een aparte aanvraag te worden ingediend. Derhalve

dienen eiseressen, voor zover zij beogen in aanmerking te komen voor een vluchtelingenstatus, daarvoor een aparte aanvraag in te dienen.

Ten aanzien van de vraag of een derde-belanghebbende, zoals referente, een asielaanvraag kan indienen voor belanghebbende, is het volgende van belang.

Op grond van artikel 1:3 j° artikel 1:2 Awb kan iemand wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken, een aanvraag doen. Een gezinslid is rechtstreeks belanghebbend bij de toelating van andere gezinsleden in het kader van

(verruimde) gezinshereniging. Daarom kon een referent tot de inwerkingtreding op 11 december 1998 van artikel 16a Vw in beginsel een rechtsgeldige aanvraag doen om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf om (verruimde)

gezinshereniging. Dat een derde-belanghebbende niet een aanvraag om verlening van een vergunning tot verblijf kan doen, is geregeld bij en krachtens de Vreemdelingenwet, die op zich niet van toepassing was op procedures met

betrekking tot de aanvraag om visa en machtigingen tot voorlopig verblijf, zodat met betrekking tot de mvv-aanvragen het algemene regime van de Algemene wet bestuursrecht gold.

Wanneer het gaat om toelating als vluchteling ligt dat anders. Met betrekking tot dat verblijfsdoel heeft een derde, ook als het gaat om een zeer nabij familielid, geen rechtstreeks belang bij verlening van bescherming tegen

vervolging, ook niet wanneer de betrokkene in de problemen geraakt zou zijn in verband met deze derde en de derde daarbij emotioneel betrokken is. De referent kan derhalve op grond van artikel 1:3 j° artikel 1:2 Awb in het kader van

een aanvraag om verlening van een mvv teneinde in Nederland in staat gesteld te worden een aanvraag om toelating als vluchteling te doen, niet aangemerkt worden als belanghebbende in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.

Verweerder heeft zicht dus terecht op het standpunt gesteld dat een derde-belanghebbende in beginsel geen (mvv)aanvraag om toelating als vluchteling kan indienen voor een belanghebbende.

De werkinstructie 183 waar eiseressen naar hebben verwezen, leidt niet tot een ander oordeel omtrent het voorgaande omdat een werkinstructie niet aan de wet kan afdoen. Overigens is in die werkinstructies slechts geregeld dat

verzoeken om overkomst naar Nederland van een in het buitenland verblijvende persoon ten behoeve van het zelfstandig verkrijgen van asiel in Nederland ter behandeling doorgezonden dienen te worden naar de taakgroep

Hervestigingszaken van Regio Zuid-West. In redelijkheid kan niet gesteld worden dat uit het feit dat verweerder een regeling heeft getroffen voor dit soort situaties, afgeleid zou moeten worden dat verweerder kennelijk van mening is

dat het mogelijk is dat een referent een asielverzoek indient ten behoeve van een ander. Tot slot is in dit verband van belang dat gesteld noch gebleken is dat verweerder in de praktijk (soms) niet handelt conform bovengenoemd

standpunt. Overigens heeft verweerder in casu gehandeld conform de in werkinstructie 183 vermelde handelwijze door de stukken van eiseressen door te zenden naar de taakgroep Hervestigingszaken.

2.8 Ten aanzien van het verzoek om afgifte van een mvv met als doel verruimde gezinshereniging, is het volgende van belang.

Eiseressen betwisten niet dat zij niet voldoen aan een aantal voorwaarden om voor toelating in aanmerking te komen op grond van het beleid zoals dat is neergelegd in hoofdstuk B1/7 Vc. Zij zijn evenwel van mening dat zij wegens

klemmende redenen van humanitaire aard voor toelating in aanmerking komen. In dit verband hebben zij aangevoerd dat zij vanwege (de vlucht van) referente problemen hebben ondervonden van de zijde van de Iraakse autoriteiten, dat

twee eiseressen zijn verkracht en twee andere eiseressen zijn mishandeld en dat zij -dien ten gevolge- psychische problemen hebben.

Gelet op hetgeen in het kader van het beroep op klemmende redenen van humanitaire aard is aangevoerd, heeft verweerder in de bestreden beschikkingen ten onrechte overwogen dat niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond

waarvan eiseressen voor toelating in aanmerking zouden kunnen komen en dat hun bezwaarschriften kennelijk ongegrond waren. Dat de aangevoerde feiten en omstandigheden asielgerelateerd zouden zijn, maakt dit niet anders. Immers,

eiseressen beoogden met de aangevoerde feiten en omstandigheden subsidiair in aanmerking te komen voor een vergunning tot verblijf op humanitaire gronden, kennelijk vanwege traumatische ervaringen, en niet (alleen) voor een

vluchtelingenstatus.

2.9 Gelet op het voorgaande dienen de bestreden beschikkingen vernietigd te worden wegens een motiveringsgebrek en wegens schending van de hoorplicht. De beroepen zijn dan ook gegrond.

2.10 Nu de beroepen gegrond worden verklaard, ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiseressen.

Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal f 1420,- (1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift , 1 punt voor het verschijnen

ter zitting, waarde per punt f 710,- en wegingsfactor 1). Tevens zal de rechtbank bepalen dat aan eiseressen het door hen betaalde griffierecht zal worden vergoed.

3. BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden beslissingen;

- bepaalt dat verweerder binnen zes weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van deze uitspraak nieuwe beslissingen neemt op de bezwaarschriften van eiseressen;

- wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding aan eiseressen van het door hen betaalde griffierecht ad (6x f 225,--) f 1350,--;

- veroordeelt verweerder in de door eiseressen terzake gemaakte proceskosten vastgesteld op f 1420,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan eiseressen dient te voldoen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W.M van Hoof en in het openbaar uitgesproken op 8 augustus 2000 in tegenwoordigheid van mr. A.S.W. Kroon als griffier.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open (artikel 33e Vw).

Afschrift verzonden op: