Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA7584

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-06-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 99/12052
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 4:84, geldigheid: 2000-06-30
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

enkelvoudige kamer

Uitspraak

artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 33a Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr.: AWB 99/12052 VRWET

inzake : A, wonende te B, eiser,

tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eiser, geboren op [...] 1970, bezit de Ghanese nationaliteit. Hij heeft op 10 december 1998 bij de korpschef van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland een aanvraag ingediend om een vergunning tot

verblijf. Bij besluit van 15 maart 1999 heeft verweerder deze aanvraag niet ingewilligd onder verwijzing naar artikel 4:6 van de Awb. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt bij bezwaarschrift van 9 april 1999, aangevuld bij

brieven van 14 juni 1999 en 26 augustus 1999.

Het bezwaar is bij besluit van 20 oktober 1999 ongegrond verklaard.

2. Bij beroepschrift van 12 november 1999, aangevuld bij brief van 6 december 1999, heeft eiser tegen dit afwijzende besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. In beroep heeft eiser de rechtbank verzocht het besluit van 20 oktober

1999 te vernietigen en te bepalen dat aan eiser alsnog de gevraagde vergunning wordt verleend. De rechtbank heeft partijen meegedeeld het beroep versneld te zullen behandelen. Op 25 januari 2000 zijn de op de zaak betrekking

hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. Bij brief van 14 maart 2000 heeft eiser stukken ingezonden ter nadere onderbouwing van zijn beroep. Op 5 april 2000 heeft eiser verzocht om behandeling van het beroep met

voorrang. In het verweerschrift van 8 juni 2000 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep. Bij brief van 15 juni 2000 heeft eiser nadere stukken ingezonden ter onderbouwing van zijn standpunt. Hij heeft

in die brief meegedeeld dat hij en zijn gemachtigde, mr. R.K. Gahar, advocaat te Amsterdam, niet ter zitting zullen verschijnen. Bij brief van 15 juni 2000 heeft verweerders gemachtigde mr. T.H.T.W. Zee, ambtenaar bij de Immigratie-

en Naturalisatiedienst van verweerders ministerie, meegedeeld dat hij evenmin ter zitting zal verschijnen.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juni 2000.

Partijen zijn aldaar niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

2. Bij de beantwoording van die vraag gaat de rechtbank uit van de volgende feiten. Eiser verblijft sedert 25 april 1996 als vreemdeling in de zin van de Vw in Nederland. Hij beoogt met de onderhavige aanvraag toelating bij zijn

partner C, houdster van een

vergunning tot verblijf. Eiser heeft op 1 juli 1997 een aanvraag van gelijke strekking ingediend. Deze aanvraag is niet ingewilligd omdat eiser zijn ongehuwdheid niet met gelegaliseerde aktes had aangetoond.

Het administratief beroep tegen deze beslissing is ongegrond verklaard bij besluit van 2 september 1997. Bij uitspraak van 10 maart 1999 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep tegen het besluit in administratief beroep

ongegrond verklaard.

Eiser heeft op 2 september 1997 een geboorteakte en een ongehuwdverklaring aan de Nederlandse ambassade te Accra, Ghana, aangeboden ter legalisatie. Bij besluit van 9 maart 1999 is legalisatie geweigerd wegens twijfel aan de

identiteit van eiser. Tegen dit besluit heeft eiser op 24 maart 1999 bezwaar gemaakt. Het bezwaar is gegrond verklaard bij besluit van 4 augustus 1999. In dit besluit is overwogen:

"Naar aanleiding van uw bezwaarschrift heeft op woensdag 30 juni 1999 de hoorzitting plaatsgevonden. Na heroverweging van het door u bestreden besluit, ben ik tot de conclusie gekomen dat de twijfel omtrent de identiteit van

betrokkene is weggenomen. Hierbij herroep ik dan ook het bestreden besluit en besluit ik alsnog tot legalisatie van de documenten over te gaan. Ik zal de ambassade te Accra opdragen voor de uitvoering van dit besluit zorg ter

dragen."

Bij brief van 30 augustus 1999 heeft de korpschef eiser in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken een gelegaliseerde geboorteakte en ongehuwdverklaring over te leggen. Bij brief van 3 september 1999 heeft eiser de korpschef

erop gewezen dat deze ingevolge artikel 3:2 van de Awb gehouden is zelf met de ambassade te Accra contact op te nemen.

Bij fax van 3 september 1999 heeft eiser de ambassade te Accra verzocht om met spoed de gelegaliseerde documenten af te geven en aan de korpschef een kopie te zenden. De ambassade heeft eiser op 7 september 1999 bericht

niet meer over de documenten te beschikken aangezien ze op 9 maart 1998 naar de korpschef zijn verstuurd en eiser aangeraden contact te zoeken met de Directie Personenverkeer, Migratie en Consulaire Zaken. Eiser heeft bij fax van 9

september 1999 de ambassade erop gewezen dat zij zorg dient te dragen voor uitvoering van het besluit van 4 augustus 1999 en dus ook voor het opnieuw ter beschikking krijgen van de, zonder toestemming van eiser verzonden,

documenten.

3. Eiser meent dat klemmende redenen van humanitaire aard en internationale verplichtingen tot toelating nopen. Verweerder heeft artikel 4:6 van de Awb ten onrechte toegepast. Met het besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken

van 4 augustus 1999 stond ten tijde van het bestreden besluit onomstotelijk vast dat eiser ongehuwd was en dat de documenten gelegaliseerd zouden worden. Dit besluit kan naar inhoud en strekking worden gelijkgesteld met een

gelegaliseerde akte van ongehuwdzijn.

Verweerders standpunt dat eiser tevens dient te beschikken over een gelegaliseerde akte is in dit geval niet redelijk. Eiser heeft alles in het werk gesteld om de Nederlandse ambassade te Accra te bewegen het besluit van 4 augustus

1999 uit te voeren. Het mag eiser niet worden tegengeworpen dat dit door administratieve desorganisatie bij de ambassade en bij het ministerie van Buitenlandse Zaken geruime tijd op zich heeft laten wachten. Verweerder was ingevolge

artikel 3:2 van de Awb gehouden zelf bij de ambassade de gelegaliseerde documenten op te vragen.

De ambassade had zorg moeten dragen voor een spoedige uitvoering van het besluit van 4 augustus 1999. Bij brief van 15 juni 2000 heeft eiser de volgende correspondentie tussen gemachtigde en de Minister van Buitenlandse Zaken

overlegd. Bij brief van 1 maart 2000 aan de Bezwaarschriftencommissie, Dienst Juridische Zaken, van het ministerie van Buitenlandse Zaken heeft de gemachtigde het ministerie gemaand te bewerkstelligen dat haar besluit van 4 augustus

1999 binnen twee weken wordt uitgevoerd. In reactie daarop heeft het Hoofd van de afdeling Consulair-Juridische Zaken, Directie Personenverkeer, Migratie en Consulaire Zaken van genoemd ministerie, bij brief van 14 maart 2000

meegedeeld dat hij met de ontvangst van de brief eerst op de hoogte is geraakt van het bij de Bezwaarschriftencommissie, Dienst Juridische Zaken, genomen besluit van 4 augustus 1999 en dat er daarom nog geen actie was ondernomen. In

deze brief is aangekondigd dat een en ander nu snel geregeld zal worden en dat de documenten inmiddels zijn opgevraagd bij de regiopolitie Amsterdam-Amstelland. Bij brief van 18 april 2000 heeft genoemd Hoofd de gemachtigde

meegedeeld dat hij niet de beschikking kan krijgen over de documenten, aangezien de regiopolitie Amsterdam-Amstelland heeft bericht de documenten te hebben doorgezonden naar de regiopolitie Utrecht en deze regiopolitie heeft bericht

niet over de documenten te beschikken. In deze brief wordt de gemachtigde gevraagd om nieuwe, inhoudelijk identieke documenten over te leggen. Uiteindelijk heeft eiser bij zijn brief van 15 juni 2000 tevens een op 1 maart 2000

gelegaliseerde akte van ongehuwdzijn overgelegd. Volgens eiser bleken de destijds niet gelegaliseerde documenten al die tijd op de ambassade aanwezig geweest te zijn.

Eiser meent voorts dat het bestreden besluit een schending oplevert van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Gelet op de duur van het verblijf van eiser

in Nederland, zijn integratie in de Nederlandse samenleving en zijn persoonlijke binding met zijn partner bestaat er voor de Nederlandse Staat een positieve verplichting om eisers gezinsleven hier te lande toe te staan.

4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de aanvraag terecht met toepassing van artikel 4:6 van de Awb is afgewezen. Ten tijde van het primaire besluit had eiser immers nog steeds geen gelegaliseerde documenten overgelegd.

Eisers beroep op artikel 3:2 van de Awb faalt.

Ingevolge artikel 4:2 van de Awb had eiser bij de aanvraag aangetoond moeten hebben dat hij aan alle voorwaarden voldeed. Hij is bovendien op 30 augustus 1999 nogmaals in de gelegenheid gesteld gelegaliseerde documenten over te

leggen. Op het bestuursorgaan rust niet de verplichting om eiser in de gelegenheid te stellen in Nederland aan de toelatingsverplichtingen te gaan voldoen. Overigens is eiser lange tijd feitelijk in de gelegenheid geweest om de

verkrijging van de vereiste documenten te bewerkstelligen. Het besluit levert geen schending op van artikel 8 van het EVRM. Van inmenging in eisers gezinsleven is geen sprake. De aangevoerde omstandigheden zijn onvoldoende om een

positieve verplichting aan te nemen.

5. De rechtbank overweegt het volgende.

6. Ingevolge artikel 11, vijfde lid van de Vw kan het verlenen van een vergunning tot verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend.

7. Verweerder voert bij de toepassing van dit artikellid het beleid dat vreemdelingen niet voor toelating in aanmerking komen, tenzij met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel klemmende

redenen van humanitaire aard of verplichtingen voortvloeiende uit internationale overeenkomsten tot toelating nopen.

Dit beleid is neergelegd in de Vreemdelingencirculaire (Vc).

8. Ingevolge het ter zake geldende beleid, neergelegd in hoofdstuk B1/3 van de Vc 1994, kan - voorzover hier van belang - de partner van een houder van een vergunning tot verblijf worden toegelaten indien beide partners ongehuwd

zijn. De ongehuwde staat moet met gelegaliseerde officiële documenten worden aangetoond. Ingevolge hoofdstuk A4/6.1.2.6 van de Vc 1994 dienen de betreffende documenten te worden gelegaliseerd door de bevoegde autoriteiten van het

land van herkomst, meestal het Ministerie van Buitenlandse Zaken van dat land, en vervolgens door de voor dat land bevoegde Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging. Met ingang van 1 april 1996 geldt ten aanzien van

een vijftal landen, waaronder Ghana, dat alle documenten die ter legalisatie worden aangeboden bij de Nederlandse vertegenwoordiging, eerst inhoudelijk moeten worden geverifieerd. Dit is neergelegd in hoofdstuk C4 van de Vc 1994.

9. Geen rechtsregel staat er aan in de weg het vereiste van het aantonen van de ongehuwde staat met officiële en gelegaliseerde (en in gevallen als het onderhavige geverifieerde) bescheiden te stellen als een materiële voorwaarde

voor toelating. Met deze rechtsregel zijn de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet overschreden.

10. De rechtbank stelt vast dat eiser noch ten tijde van de aanvraag, noch ten tijde van de bestreden beslissing de hiervoor bedoelde geverifieerde en gelegaliseerde documenten heeft overgelegd. De voorliggende vraag is of

verweerder het ontbreken van deze documenten in de thans bestreden beslissing mocht tegenwerpen. Met de eerst na het nemen van de bestreden beslissing, in de beroepsfase, overgelegde gelegaliseerde documenten kan de rechtbank geen

rekening houden.

11. Tijdens de bezwaarfase heeft de Minister van Buitenlandse Zaken, in zijn besluit van 4 augustus 1999, zijn eerdere besluit tot weigering van de legalisatie herroepen en besloten dat alsnog tot legalisatie zal worden overgegaan.

Met dat besluit is in ieder geval vast komen te staan dat eiser ongehuwd is, alsmede dat de documenten dienaangaande gereed lagen voor legalisatie. Ook voor verweerder moet dit duidelijk zijn geweest, nu voornoemde beslissing door

eiser op 26 augustus 1999 aan verweerder, als aanvulling op de gronden bij het bezwaarschrift, is toegezonden. Verweerder heeft vervolgens op 30 augustus 1999 aan eiser een termijn van vier weken gegeven om alsnog de gelegaliseerde

documenten over te leggen en vervolgens, nu deze niet werden overgelegd, op 20 oktober 1999 het bezwaar ongegrond verklaard.

12. Uit de officiële mededeling van de Minister van Buitenlandse Zaken van 7 maart 1996, welke als bijlage 1 is gevoegd bij hoofdstuk C4 van de Vc 1994, blijkt dat als uit de inhoudelijke controle blijkt dat er iets niet in orde is,

de documenten niet aan de verzoeker worden teruggegeven, maar aan de Nederlandse instantie worden gezonden waarvoor de documenten bestemd zijn. Reeds op deze grond moet worden geconcludeerd dat het stellen van een termijn aan eiser

tot overlegging van gelegaliseerde documenten niet de meest voor de hand liggende stap was, nu de documenten geacht werden zich te bevinden bij de Nederlandse instantie waarvoor de documenten bestemd waren, derhalve bij althans

onder verantwoordelijkheid van verweerder.

13. Dit wordt niet anders nu naderhand is gebleken dat de documenten zich nog steeds bij de Nederlandse vertegenwoordiging in Accra, Ghana, bevonden. Daaraan ging immers vooraf de mededeling van die vertegenwoordiging dat de

documenten waren teruggezonden naar de korpschef van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland, vervolgens het bericht van die korpschef dat de documenten naar de korpschef van de regiopolitie Utrecht waren verzonden en tot slot het

bericht van laatstgenoemde korpschef dat de documenten zich niet meer in het dossier bevonden.

14. Onder deze omstandigheden moet het stellen van een termijn aan eiser om de gelegaliseerde documenten over te leggen als onredelijk worden beschouwd en is de rechtbank van oordeel dat het op de weg van verweerder had gelegen om

zelf te bewerkstelligen dat bedoelde documenten achterhaald zouden worden opdat deze gelegaliseerd konden worden. Door dit na te laten lijdt het bestreden besluit aan een gebrekkige voorbereiding die als onzorgvuldig wordt

aangemerkt.

15. Bij dit alles moet ook bedacht worden dat het hier nog slechts ging om een formaliteit: de documenten waren inhoudelijk reeds als juist geverifieerd, de beslissing om tot legalisatie over te gaan was reeds genomen, slechts het

stempel en de handtekening moesten nog op de documenten worden geplaatst. De trage uitvoering van deze formaliteit - de beslissing tot legalisatie werd genomen op 4 augustus 1999 en de effectuering daarvan vond eerst plaats op 1

maart 2000 - is daarbij uitsluitend veroorzaakt door een gebrekkige coördinatie tussen diverse overheidsorganen.

16. Naast dit alles is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich ten onrechte niet heeft beraden over de vraag of in deze zaak geen gebruik had moeten maken van zijn inherente afwijkingsbevoegdheid, zoals bedoeld in artikel 4:84

van de Awb. Nu vast stond dat eiser ongehuwd was en de beslissing tot legalisatie van de documenten reeds was genomen, kan gerede twijfel bestaan over de vraag of met het strikt vasthouden aan de eis dat de gelegaliseerde documenten

moeten worden overgelegd nog een redelijk doel wordt gediend. Nu verweerder zich over deze vraag niet heeft beraden ontbeert de bestreden beslissing op dit punt een deugdelijke motivering.

17. Gelet op het voorgaande kan de bestreden beslissing niet in stand kan blijven.

18. Het beroep wordt derhalve gegrond verklaard en het bestreden besluit wordt vernietigd. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Verweerder zal met inachtneming van het

voorgaande opnieuw op het bezwaar moeten beslissen.

19. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken.

Deze kosten zijn begroot op f 1.420,= als kosten van verleende rechtsbijstand.

20. Ingevolge artikel 8:74, eerste lid, van de Awb dient het griffierecht te worden vergoed door de rechtspersoon, aangewezen door de rechtbank.

III. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder binnen zes weken na verzending van deze beslissing een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad f 225,= (zegge tweehonderdvijfentwintig gulden);

5. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op f 1.420,= (zegge veertienhonderdentwintig gulden), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier.

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2000, door mr. J.P. Smit, rechter, in tegenwoordigheid van mr. Y.M.J. Lemmens, griffier.

Afschrift verzonden op:

Conc: YL

Coll:

Bp: -

D: B

110497