Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA7522

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-10-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 99/8968
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Algemene wet bestuursrecht 7:12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te 's-Hertogenbosch

Meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

--------------------------------

Uitspraak

--------------------------------

AWB 99/8968 VRWET

Uitspraak van de rechtbank op het beroep ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 33a van de Vreemdelingenwet (Vw) in het geschil tussen:

A, naar eigen zeggen geboren op [...] 1981, verblijvende te B, eiseres,

gemachtigde mr. J.J.J. Jansen, advocaat te Kapelle

en

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde, mr. G.M.G. Hink, ambtenaar ten departemente.

I. PROCESVERLOOP

Eiseres bezit de Chinese nationaliteit en is vreemdeling in de zin van de Vw.

Op 27 juni 1997 heeft eiseres aanvragen ingediend om toelating als vluchteling en om verlening van een vergunning tot verblijf.

Op 13 januari 1998 heeft eiseres bezwaar gemaakt bij verweerder tegen het niet tijdig beslissen op de voornoemde aanvraag.

Op 16 april 1999 heeft op verzoek van verweerder een onderzoek plaatsgevonden naar de leeftijd van eiseres. Van dit onderzoek is op 17 mei 1999 een verslag opgemaakt.

Bij besluit van 8 juli 1999 heeft verweerder de aanvraag van eiseres om toelating als vluchteling op grond van artikel 15b, eerste lid, aanhef en onder f, van de Vw niet ingewilligd wegens kennelijke ongegrondheid ervan. Tevens

heeft verweerder afwijzend beslist op de aanvraag om een vergunning tot verblijf.

Dit besluit is aan eiseres bekendgemaakt op 2 augustus 1999. Daarbij is eiseres medegedeeld dat aan de hand van een eventueel bezwaarschrift zal worden bepaald of zij de behandeling daarvan in Nederland mag afwachten.

Op 10 augustus 1999 heeft eiseres tegen voornoemd besluit bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij schrijven van 14 september 1999 heeft verweerder de onvangst van bovenvermeld bezwaarschrift bevestigd. Daarbij heeft verweerder aan eiseres laten weten dat zij de behandeling van haar bezwaar niet in Nederland mag afwachten.

Vervolgens heeft eiseres op 21 september 1999 om een voorlopige voorziening verzocht, inhoudende dat het verweerder wordt verboden maatregelen te nemen om tot haar verwijdering over te gaan, totdat op haar bezwaarschrift zal zijn

beslist.

Bij besluit van 20 oktober 1999 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij beroepschrift van 22 oktober 1999 beroep ingesteld bij de rechtbank.

De president van de rechtbank heeft op 21 september 1999 ingediende verzoek om een voorlopige voorziening aangemerkt als een verzoek de beslissing op het op 22 oktober 1999 ingestelde beroep in Nederland te mogen afwachten. Bij

uitspraak van 28 april 2000 heeft de president van deze rechtbank het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen.

Daarbij heeft de president het door eiseres op 22 oktober 1999 ingestelde beroep doorverwezen naar de meervoudige kamer van deze rechtbank.

Verweerder heeft naar aanleiding van het voornoemde beroep de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is, gevoegd met het beroep in de zaak C

(registratienummer 99/8971 VRWET) behandeld door de meervoudige kamer van deze rechtbank op 22 augustus 2000, waar eiseres in persoon is verschenen bijgestaan door haar gemachtigde.

Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Tevens zijn ter zitting verschenen drs. H.Th. van der Pas, antropoloog en universitair docent aan de Katholieke Universiteit Brabant en dr. J.H. Schumacher, arts bij de Stichting Medisch Advies Collectief.

II. OVERWEGINGEN

Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit van 20 oktober 1999 in rechte stand kan houden. Bij dit besluit is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Verweerder heeft de aanvraag van eiseres om toelating als vluchteling op grond van artikel 15b, eerste lid, sub f, van de Vw niet-ontvankelijk verklaard.

In dit verband wordt als volgt overwogen.

Ingevolge artikel 15b, eerste lid, aanhef en onder f, van de Vw, wordt een aanvraag om toelating als vluchteling niet ingewilligd wegens de niet-ontvankelijkheid ervan, indien de vreemdeling niet beschikt over een voor toegang tot

Nederland vereist document voor

grensoverschrijding, tenzij hij zich onverwijld onder opgave van de plaats waar of waarlangs hij Nederland is binnengekomen heeft vervoegd bij een ambtenaar, belast met de grensbewaking of het toezicht op vreemdelingen, en zich er

daar op heeft beroepen, gegronde reden voor vervolging in de zin van artikel 15 van de Vw te vrezen.

Eiseres is, naar eigen zeggen, op 5 juni 1997 Nederland binnengekomen, waarna zij zich eerst op 27 juni 1997 heeft gemeld bij de Korpschef van de politie Gelderland-Midden. Eiseres heeft geen plausibele verklaring gegeven voor deze

niet-onverwijlde melding, zodat naar het oordeel van de rechtbank niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 15b, eerste lid, aanhef en onder f, van de Vw.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres zich niet onverwijld na binnenkomst heeft gemeld bij een van de daartoe aangewezen instanties.

De aanvraag om toelating als vluchteling is dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Ten aanzien van eiseresses gestelde aanspraak op een vergunning tot verblijf overweegt de rechtbank het volgende.

Ingevolge artikel 11, vijfde lid, van de Vw kan een vergunning tot verblijf aan de vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend. Verweerder voert met het oog op de bevolkings- en werkgelegenheidssituatie

hier te lande een beleid waarbij vreemdelingen slechts voor verblijf in aanmerking komen wanneer verplichtingen uit internationale overeenkomsten daartoe nopen, dan wel indien met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk

Nederlands belang is gediend.

De voor het onderhavige beroep meest relevante verplichting uit een internationale overeenkomst is artikel 33 van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen van Genève van 28 juli 1951, zoals gewijzigd bij Protocol van New

York van 31 januari 1967 (hierna te noemen: het Verdrag). Daarin is bepaald dat geen der Verdragssluitende Staten een vluchteling zal uitzetten of terugleiden naar de grenzen van een grondgebied waar zijn leven of vrijheid bedreigd

zou worden op grond van zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging.

In dit verband heeft eiseres het volgende aangevoerd.

De vader van eiseres is tijdens een studentenopstand in Peking in 1989 doodgeschoten. Haar moeder is in 1995 een natuurlijke dood gestorven. Na de dood van haar moeder is eiseres door haar opa verzorgd. Toen de opa van eiseres in

september 1996 overleed is zij door een vriend van haar opa gebracht bij een "slangenkop". Deze is samen met eiseres via Moskou, alwaar zij een half jaar hebben verbleven, naar Nederland gereisd.

Eiseres is op 5 juni 1997 in Nederland aangekomen.

Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden aangenomen dat eiseres geen vluchteling is, zodat een schending van het refoulementverbod, als bedoeld in artikel 33, eerste lid, van het Verdrag, niet dreigt.

Immers uit het asielrelaas van eiseres blijkt op geen enkele wijze dat zij vervolging in de zin van het Verdrag heeft te vrezen.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit tevens voort dat het niet aannemelijk is dat eiseres bij terugkeer naar haar land van herkomst een reëel risico loopt onderworpen te worden aan folteringen of een onmenselijke behandeling als

bedoeld in artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Dat eiseres aan enig andere verdragsbepaling een aanspraak op verblijf in Nederland kan ontlenen, is de rechtbank niet gebleken. Verder is gesteld noch gebleken dat met de aanwezigheid van eiseres hier te lande een wezenlijk

Nederlands belang is gediend.

Evenmin is het bestaan van klemmende redenen van humanitaire aard, op grond waarvan verblijf van eiseres in Nederland zou moeten worden toegestaan, aannemelijk gemaakt.

Ten aanzien van het beroep gericht tegen de weigering van verlening van een vergunning tot verblijf op grond van het beleid ten behoeve van alleenstaande minderjarige asielzoekers dat is neergelegd in de Vreemdelingencirculaire 1994

(Vc), onder B7/13 (het zogeheten AMA- beleid) overweegt de rechtbank als volgt.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres geen aanspraak op verblijf kan ontlenen aan het AMA-beleid, daar uit leeftijdsonderzoek gebleken is dat eiseres ten tijde van de aanvraag meerderjarig was.

Eiseres heeft de resultaten van het leeftijdsonderzoek gemotiveerd bestreden.

Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is de rechtbank het volgende gebleken.

Het röntgenologisch onderzoek heeft plaatsgevonden op 16 april 1999. Uit de röntgenfoto's bleek dat de sleutelbeensluiting volledig was. Blijkens het verslag van het leeftijdsonderzoek van 17 mei 1999 van drs. H.Th. van der Pas is

de conclusie van het onderzoek dat eiseres op dat moment tenminste 21 jaar oud was en ten tijde van haar binnenkomst in Nederland, bijna twee jaar daarvoor ruim 19 jaar was.

Gelet op Bijlage II bij het onderzoeksrapport gaat drs. H.Th. van der Pas bij het leeftijdsonderzoek uit van de volgende veronderstellingen.

1. Uit sleutelbeenonderzoeken is gebleken dat de laagste leeftijd waarbij sleutelbeensluiting is gevonden 20 jaar is. Daarbij wordt niet uitgesloten dat sleutelbeensluiting ook op 19-jarige leeftijd waargenomen zou kunnen worden.

2. Sleutelbeensluiting bij 20-jarigen is een zeer zeldzaam verschijnsel bij de onderzochte gevallen.

3. Bij een gewoon rijpingsproces sluit het sleutelbeen op de leeftijd van 21 jaar, respectievelijk op de leeftijd van 20 jaar als betrokkene tot de uiterst vroege rijpers behoort. Deze conclusie heeft een kwantitatieve

betrouwbaarheid van meer dan 95%.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat gelet op de veronderstellingen de conclusie gerechtvaardigd is dat eiseres ten tijde van het onderzoek 21 jaar of ouder was. Onderzoeken waarin gevallen gemeld staan van een volledige

sleutelbeensluiting bij 19 jaar worden als onbetrouwbaar bestempeld. Verder heeft verweerder gewezen op het feit dat de Commissie voor Staatstoezicht op de Volksgezondheid (verder te noemen: Commissie voor Staatstoezicht) het

onderzoeksprotocol leeftijdsonderzoek heeft onderzocht en accoord bevonden.

Namens eiseres is betoogd dat de conclusie dat eiseres ten tijde van het onderzoek 21 jaar was, onvoldoende is onderbouwd. De veronderstellingen zijn gebaseerd op de uitkomsten van onderzoeken zoals die in de literatuur bekend zijn

en in de Bijlage II bij het onderzoeksrapport, nader benoemd; een deel betrof onderzoeken waarbij de leeftijdsspreiding 11 tot 30 jaar bedroeg, maar een ander deel betrof onderzoeken waarbij de leeftijdsspreiding 17 of 21 jaar tot

30 jaar bedroeg. Als gevolg daarvan is onvoldoende vast komen te staan of volledige

sleutelbeensluiting bij 19-jarigen niet voorkomt danwel bij 20-jarigen zo zeldzaam is dat daarmee geen rekening behoeft te worden gehouden.

Overigens is er mede aan de hand van een reactie van de Stichting Medisch Advies Collectief de vraag opgeworpen of de conclusies van de onderzoeken generaliseerbaar zijn voor AMA's, omdat niet duidelijk is geworden dat vroege

rijping niet wordt beïnvloed door ras of door factoren waaraan de ama's gemiddeld meer zijn blootgesteld dan de onderzochte gevallen.

De rechtbank is met eiseres van oordeel dat verweerders conclusie dat eiseres ouder dan 21 jaar was op de datum van het leeftijdsonderzoek onvoldoende is onderbouwd. Op basis van de sleutelbeenonderzoeken die basis vormen voor het

onderzoeksprotocol valt niet uit te sluiten dat volledige sleutelbeensluitingen ook voorkomen bij 20-jarigen en, in de toekomst wellicht ook bij 19-jarigen blijken voor te komen. Uit het onderzoeksrapport betreffende eiseres blijkt

voorts niet om welke reden zij niet tot die - uiterst - vroege rijpers zou behoren. Derhalve is de conclusie dat eiseres ten tijde van haar binnenkomst in Nederland ouder was dan 18 jaar onvoldoende gemotiveerd.

Namens verweerder is verder aangevoerd dat de statistisch kleine kans dat een asielzoeker met een volledig uitgerijpt sleutelbeen jonger is dan 21 jaar valt binnen de "margins of error" als bedoeld in paragraaf 5.11 van de UNHCR

Guidelines op Policies and Procedures in dealing with Unaccompanied Children Seeking Asylum van februari 1997. De rechtbank kan verweerder daarin niet volgen. Bedoelde richtlijn luidt: "When scientific procedures are used in order

to determine the age of the child, margins of error should be allowed." De rechtbank leidt uit deze bewoordingen af dat de UNHCR daarmee heeft beoogd aan te geven dat er rekening mee moet worden gehouden dat wetenschappelijke

procedures geen volledig betrouwbare resultaten opleveren en dat daarom, bij gebruikmaking van dergelijke procedures ("procedures are used"), een foutenmarge moet worden gehanteerd. De UNHCR heeft, naar het oordeel van de rechtbank,

geen oordeel willen geven over de toelaatbaarheid van foutenmarges in de "scientific procedures" zelf. De rechtbank is van oordeel dat de strekking van bedoelde passage is dat er bij het gebruik van de procedures rekening mee wordt

gehouden dat de kalenderleeftijd een aantal jaren hoger of lager kan liggen dan de bij het - in casu röntgenologisch - onderzoek vastgestelde leeftijd op basis van biologische rijpheid en dat deze "margin of error" ten voordele van

betrokkene dient te strekken. De rechtbank is van oordeel dat niet zonder nadere onderbouwing kan worden gezegd dat het gebruik van het leeftijdsonderzoek in zijn huidige vorm voor het achteraf vaststellen van de kalenderleeftijd op

het tijdstip van binnenkomst, van personen die reeds enige jaren in Nederland verblijven, aan de door de UNHCR geformuleerde richtlijn voldoet. Bij dit gebruik van het leeftijdsonderzoek blijft er een, naar het oordeel van de

rechtbank niet aanvaardbare, kans bestaan dat personen die ten tijde van hun binnenkomst in Nederland minderjarig waren door verweerder als meerderjarigen worden behandeld.

De rechtbank is weliswaar met verweerder van oordeel dat niet zonder belang voor de vraag of de resultaten van het onderzoek de conclusie van het rapport kunnen dragen is, dat de Commissie voor Staatstoezicht het onderzoeksprotocol

heeft akkoord bevonden. De rechtbank merkt daarbij echter wel het volgende op. In de brief van 30 november 1998 van de Hoofdinspecteur namens de Commissie voor Staatstoezicht aan de Hoofddirecteur van de IND staat dat geconcludeerd

is dat over de clavicula-methode waarop het onderzoeksprotocol is gebaseerd geen twijfel - meer - bestaat, maar dat het de voorkeur verdient om met die methode slechts de biologische rijpheid en niet de kalenderleeftijd vast te

stellen. Daaruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de staatscommissie zich ook akkoord heeft verklaard met de conclusie dat bij volledige sleutelbeensluiting de kalenderleeftijd gesteld dient te worden op 21 jaar of

ouder.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering als bedoeld in artikel 7:12 van de Awb. Derhalve is tevens het bestreden besluit niet op

zorgvuldige wijze tot standgekomen hetgeen in strijd is met het bepaalde in artikel 3:2 van de Awb.

Uit het voorgaande vloeit voort dat het onderhavige beroep gegrond is.

Het bestreden besluit zal derhalve worden vernietigd.

Verweerder is gehouden een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen.

Verweerder wordt in overweging gegeven om de Commissie voor Staatstoezicht te vragen ten aanzien van de conclusies (met name dat betrokkene geacht moet worden 21 jaar of ouder te zijn) die op grond van het sleutelbeenonderzoek

worden getrokken een nader oordeel te geven alvorens in heroverweging op het bezwaar opnieuw te beslissen.

Voorts acht de rechtbank termen aanwezig verweerder onder toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht

en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal f 1.420,-- voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

* 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;* 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

* waarde per punt f 710,--;

* wegingsfactor 1.

Tevens zal de rechtbank bepalen dat door verweerder aan eiseres het door haar gestorte griffierecht dient te worden vergoed.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank,

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat verweerder een nieuwe beslissing neemt op het bezwaar;

gelast verweerder aan eiseres het door haar gestorte griffierecht ten bedrage van f 50,-- te vergoeden;

veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten vastgesteld op f 1.420,-- en te voldoen aan de griffier.

Aldus gedaan door mr. A. Stehouwer als voorzitter, mr. D.J. de Lange en mr. J. Grijns als leden van de meervoudige kamer in tegenwoordigheid van mr. K. van de Pas als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 oktober 2000.

Afschriften verzonden: 10 oktober 2000

IS