Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA7521

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-10-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 99/8971
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Algemene wet bestuursrecht 7:12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te 's-Hertogenbosch

Meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

--------------------------------

Uitspraak

--------------------------------

AWB 99/8971 VRWET

Uitspraak van de rechtbank op het beroep ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 33a van de Vreemdelingenwet (Vw) in het geschil tussen:

A, naar eigen zeggen geboren op [...] september 1979, wonende te B, eiser,

gemachtigde mr. J.C. Gillese, advocaat te 's-Hertogenbosch,

en

de Staatssecretaris van Justitie, te 's-Gravenhage, verweerder, gemachtigde mr. G.M.G. Hink, ambtenaar ten departemente.

I. PROCESVERLOOP

Eiser bezit de Guinese nationaliteit en is vreemdeling in de zin van de Vw.

Op 9 december 1996 heeft eiser aanvragen ingediend om toelating als vluchteling en om verlening van een vergunning tot verblijf.

Op 26 februari 1999 is, in opdracht van verweerder, door drs H.Th. van der Pas een onderzoek ingesteld naar de leeftijd van eiser. Bij schrijven van 19 mei 1999 is namens eiser op het resultaat van het onderzoek gereageerd.

Bij besluit van 8 juli 1999 heeft verweerder de aanvraag van eiser om toelating als vluchteling op grond van artikel 15c, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw niet ingewilligd wegens kennelijke ongegrondheid ervan. Tevens heeft

verweerder afwijzend beslist op de aanvraag om een vergunning tot verblijf.

Dit besluit is aan eiser op 23 juli 1999 uitgereikt. Daarbij is eiser medegedeeld dat nog aan de hand van de inhoud van een eventueel bezwaarschrift zal worden beslist of hij de behandeling ervan in Nederland mag afwachten.

Op 19 augustus 1999 is namens eiser tegen voornoemd besluit bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij besluit van 13 september 1999 heeft verweerder bepaald dat eiser de beslissing op zijn bezwaarschrift niet in Nederland mag afwachten.

Bij verzoekschrift van 27 september 1999 heeft eiser de president verzocht een onverwijlde voorziening te treffen, inhoudende - kort gezegd - dat verweerder niet zal overgaan tot uitzetting van eiser uit Nederland zolang nog niet

beslist zal zijn op het bezwaarschrift van eiser.

Bij besluit van 24 september 1999 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Tegen het besluit van 24 september 1999 is namens eiser op 21 oktober 1999, aangevuld met gronden op 1 december 1999, beroep ingesteld bij de rechtbank.

Bij brief van 21 oktober 1999 is namens eiser het verzoek om een voorlopige voorziening gewijzigd in die zin dat thans verzocht wordt verweerder te verbieden eiser uit Nederland te verwijderen zolang nog niet op het door hem

ingediende beroepschrift is beslist.

De president van de rechtbank heeft op 28 april 2000 het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen. Daarbij heeft de president het door eiser op 21 oktober 1999 ingestelde beroep ter behandeling doorverwezen naar de

meervoudige kamer van deze rechtbank.

Verweerder heeft naar aanleiding van het voornoemde beroep de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is, gevoegd met het beroep in de zaak C

(registratienummer 99/8968 VRWET), behandeld door de meervoudige kamer van deze rechtbank op 22 augustus 2000, waar eiser in persoon is verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Tevens zijn ter zitting verschenen drs. H.Th. van der Pas, antropoloog en universitair docent aan de Katholieke Universiteit Brabant en dr. J.H. Schumacher, arts bij de Stichting Medisch Advies Collectief.

II. OVERWEGINGEN

Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit van 21 oktober 1999 in rechte stand kan houden. Bij dit besluit is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser legt aan zijn beroep ten grondslag dat hij in Guinee gegronde redenen heeft te vrezen voor vervolging, dan wel dat er klemmende redenen van humanitaire aard aanwezig zijn op grond waarvan hem een vergunning tot verblijf dient

te worden verleend.

Daartoe heeft eiser het volgende aangevoerd.

Eiser behoort tot de Malinka-bevolkingsgroep en is afkomstig uit Conakry. Eisers moeder is in 1993 overleden aan een ziekte. Zijn vader is in februari 1996 overleden. Ook de broer en zus van eiser zijn beide overleden. Na het

overlijden van zijn moeder verbleven eiser en zijn broer en zus bij hun vader. Overdag werden zijn broer en zus verzorgd door een vrouw, D genaamd. Eiser zelf werkte op de markt, hij handelde in sigaretten. Eisers vader was militair

in het Guinese leger. Hij was lijfwacht van Kolonel Seny Bangoura. Eiser heeft zijn vader op 10 februari 1996 voor het laatst gezien. Eisers vader is omgebracht door militairen omdat hij had deelgenomen aan een staatsgreep tegen de

president.

Eiser heeft van zijn buurman vernomen dat zijn vader broer en zus door militairen in hun zijn omgebracht. Na de moordpartij hebben de militairen het lichaam van zijn vader meegenomen en het huis in brand gestoken. De moordpartij

vond plaats omdat eisers vader betrokken was bij de staatsgreep die op 3 februari 1996 werd verricht. Enkele weken na eisers vader is ook kolonel Seny Bangoura vermoord. Eiser heeft samen met zijn buurman de begrafenis van zijn

broer en zus verzorgd. Na twee dagen te hebben verbleven bij zijn buurman is eiser naar de haven gegaan, omdat de militairen ook naar hem op zoek zouden zijn. Daar heeft hij tussen de containers geslapen en verdiende hij overdag

geld door het verlenen van hand- en spandiensten. Eiser is vervolgens in november 1996 per schip vanuit Conakry naar Nederland vertrokken.

Ten aanzien van het beroep op vluchtelingschap overweegt de rechtbank als volgt.

Ingevolge artikel 1(A) van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen van 1951 en het bijbehorend Protocol van New York van 1967 (verder te noemen: het Verdrag) in samenhang met artikel 15 zoals dit ten tijde van het

bestreden besluit luidde kunnen als vluchteling worden toegelaten vreemdelingen die afkomstig zijn uit een land waar zij gegronde reden hebben te vrezen voor vervolging wegens ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging

of het behoren tot een bepaalde sociale groep.

Ingevolge artikel 15c, eerste lid aanhef en onder a, van de Vw wordt de aanvraag om toelating als vluchteling niet ingewilligd wegens kennelijke ongegrondheid ervan, indien zij is gegrond op omstandigheden die hetzij op zichzelf of

in verband met andere feiten in redelijkheid geen enkel vermoeden kunnen wekken dat rechtsgrond voor toelating bestaat.

Voorop wordt gesteld dat de algehele situatie in Guinee niet zodanig is dat vreemdelingen die afkomstig zijn uit dat land en die behoren tot de Malinka bevolkingsgroep, zonder meer als vluchteling aan te merken zijn.

Eiser dient derhalve aannemelijk te maken dat er hem persoonlijk betreffende feiten en omstandigheden bestaan die vrees voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin rechtvaardigen.

Eiser is hierin naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiser tijdens het nader gehoor tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd, hetgeen afbreuk doet aan de geloofwaardigheid

van zijn asielrelaas. Zo heeft eiser tijdens het nader gehoor eerst verklaard dat hij van de buurman hoorde dat zijn vader, broer en zus waren vermoord en dat de militairen het lichaam van zijn vader hadden meegenomen en de lichamen

van zijn broer en zus nog in het huis waren. Eiser is hierop naar het huis gegaan waar hij de lichamen van zijn broer en zus aantrof. Vervolgens heeft eiser, in antwoord op de vraag of de lichamen van zijn broer en zus niet waren

verbrand, verklaard dat de buurman de lichamen van zijn broer en zus naast het huis heeft gelegd en dat hij aldaar de lichamen van zijn broer en zus heeft aangetroffen. Ook heeft eiser tegenstrijdige verklaard over het feit of zijn

vader al dan niet betrokken was bij een politieke partij. Voorts wekt het bevreemding dat eiser in het geheel niets kan verklaren over de militaire activiteiten van zijn vader en diens uniform, terwijl deze al geruime tijd

beroepsmilitair was. Verder acht de rechtbank niet aannemelijk dat eiser vanwege de activiteiten van zijn vader zou worden gezocht door de Guinese autoriteiten, aangezien eiser zonder problemen de begrafenis van zijn broer en zus

heeft kunnen regelen en bovendien voor zijn vertrek nog geruime tijd zonder problemen in de haven van Conarkry heeft verbleven. De namens eiser naar voren gebrachte omstandigheid dat de tegenstrijdigheden zijn ontstaan omdat hij de

tolk niet goed zou hebben begrepen doet aan bovenstaand oordeel

niet af. Immers eiser is tijdens het nader gehoor expliciet gevraagd aan te geven of hij de tolk al dan niet goed begreep en heeft daarbij aangegeven de tolk goed te kunnen verstaan.

Gezien het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft aangenomen dat hetgeen eiser naar voren heeft gebracht in redelijkheid geen enkel vermoeden heeft kunnen wekken dat er rechtsgrond bestaat

voor toelating van eiser als vluchteling.

Ten aanzien van eisers gestelde aanspraak op een vergunning tot verblijf overweegt de rechtbank het volgende.

Ingevolge artikel 11, vijfde lid, van de Vw kan een vergunning tot verblijf aan de vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend.

Verweerder voert met het oog op de bevolkings- en werkgelegenheidssituatie hier te lande een beleid waarbij vreemdelingen in het algemeen slechts voor verblijf in aanmerking komen, indien met hun aanwezigheid hier te lande een

wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel indien zij een reëel risico lopen bij terugkeer een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) te

ondergaan, of indien sprake is van overige klemmende redenen van humanitaire aard.

Gesteld, noch gebleken is dat met de aanwezigheid van eiser hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend.

Verweerder voert met het oog op de bevolkings- en werkgelegenheidssituatie hier te lande een beleid waarbij in het algemeen vreemdelingen slechts voor verblijf in aanmerking komen wanneer een verdragsrechtelijke verplichting daartoe

noopt, dan wel wanneer met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend of klemmende redenen van humanitaire aard tot toelating van de vreemdeling nopen.

Een relevante verdragsrechtelijke bepaling vormt in dit verband artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Daarin is bepaald dat niemand onderworpen mag worden

aan folteringen noch onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen. Verweerder voert het beleid om aan personen die een reëel risico lopen bij uitzetting een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM te ondergaan, in

beginsel een vergunning tot verblijf te verlenen.

Uit hetgeen hiervoor ten aanzien van eisers beroep op het vluchtelingschap is overwogen, vloeit voort dat het niet aannemelijk is dat eiser bij terugkeer naar zijn land van herkomst een reëel risico loopt onderworpen te worden aan

folteringen of een onmenselijke behandeling, zoals bedoeld in artikel 3 EVRM.

Dat eiser aan enige andere verdragsbepaling een aanspraak op verblijf in Nederland kan ontlenen, is de rechtbank niet gebleken. Verder is gesteld noch gebleken dat met de aanwezig van eiser hier te lande een wezenlijk Nederlands

belang is gediend. Evenmin is het bestaan van klemmende redenen van humanitaire aard, op grond waarvan eiser verblijf in Nederland zou moeten worden toegestaan, aannemelijk gemaakt.

Ten aanzien van het beroep gericht tegen de weigering van verlening van een vergunning tot verblijf op grond van het beleid ten behoeve van alleenstaande minderjarige asielzoekers dat is neergelegd in de Vreemdelingencirculaire 1994

(Vc), onder B7/13 (het zogeheten AMA- beleid) overweegt de rechtbank als volgt.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser geen aanspraak op verblijf kan ontlenen aan het AMA-beleid, daar uit leeftijdsonderzoek gebleken is dat eiser ten tijde van de aanvraag meerderjarig was.

Eiser heeft de resultaten van het leeftijdsonderzoek gemotiveerd bestreden.

Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is de rechtbank het volgende gebleken.

Het röntgenologisch onderzoek heeft plaatsgevonden op 26 februari 1999.

Uit de röntgenfoto's bleek dat de sleutelbeensluiting volledig was.

Blijkens het verslag van het leeftijdsonderzoek van 13 april 1999 van drs. H.Th. van der Pas is de conclusie van het onderzoek dat eiser op dat moment tenminste 21 jaar oud was en ten tijde van zijn binnenkomst in Nederland, ruim

twee jaar daarvoor ruim 18 jaar was.

Gelet op Bijlage II bij het onderzoeksrapport gaat drs. H.Th. van der Pas bij het leeftijdsonderzoek uit van de volgende veronderstellingen.

1. Uit sleutelbeenonderzoeken is gebleken dat de laagste leeftijd waarbij sleutelbeensluiting is gevonden 20 jaar is. Daarbij wordt niet uitgesloten dat sleutelbeensluiting ook op

19-jarige leeftijd waargenomen zou kunnen worden.

2. Sleutelbeensluiting bij 20-jarigen is een zeer zeldzaam verschijnsel bij de onderzochte gevallen.

3. Bij een gewoon rijpingsproces sluit het sleutelbeen op de leeftijd van 21 jaar, respectievelijk op de leeftijd van 20 jaar als betrokkene tot de uiterst vroege rijpersbehoort. Deze conclusie heeft een kwantitatieve

betrouwbaarheid van meer dan 95%.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat gelet op de veronderstellingen de conclusie gerechtvaardigd is dat eiser ten tijde van het onderzoek 21 jaar of ouder was. Onderzoeken waarin gevallen gemeld staan van een volledige

sleutelbeensluiting bij 19 jaar worden als onbetrouwbaar bestempeld. Verder heeft verweerder gewezen op het feit dat de Commissie voor Staatstoezicht op de Volksgezondheid (verder te noemen: Commissie voor Staatstoezicht) het

onderzoeksprotocol leeftijdsonderzoek heeft onderzocht en akkoord bevonden.

Namens eiser is betoogd dat de conclusie dat eiser ten tijde van het onderzoek 21 jaar was, onvoldoende is onderbouwd. De veronderstellingen zijn gebaseerd op de uitkomsten van onderzoeken zoals die in de literatuur bekend zijn en

in de Bijlage II bij het onderzoeksrapport, nader benoemd; een deel betrof onderzoeken waarbij de leeftijdsspreiding 11 tot 30 jaar bedroeg, maar een ander deel betrof onderzoeken waarbij de leeftijdsspreiding 17 of 21 jaar tot 30

jaar bedroeg. Als gevolg daarvan is onvoldoende vast komen te staan of volledige sleutelbeensluiting bij 19-jarigen niet voorkomt dan wel bij 20-jarigen zo zeldzaam is dat daarmee geen rekening behoeft te worden gehouden.

Overigens is er mede aan de hand van een reactie van de Stichting Medisch Advies Collectief de vraag opgeworpen of de conclusies van de onderzoeken generaliseerbaar zijn voor AMA's, omdat niet duidelijk is geworden dat vroege

rijping niet wordt beïnvloed door ras of door factoren waaraan de ama's gemiddeld meer zijn blootgesteld dan de onderzochte gevallen.

De rechtbank is met eiser van oordeel dat verweerders conclusie dat eiser ouder dan 21 jaar was op de datum van het leeftijdsonderzoek onvoldoende is onderbouwd. Op basis van de sleutelbeenonderzoeken die basis vormen voor het

onderzoeksprotocol valt niet uit te sluiten dat volledige sleutelbeensluitingen ook voorkomen bij 20-jarigen en, in de toekomst wellicht ook bij 19-jarigen blijken voor te komen. Uit het onderzoeksrapport betreffende eiser blijkt

voorts niet om welke reden hij niet tot die - uiterst - vroege rijpers zou behoren. Derhalve is de conclusie dat eiser ten tijde van zijn binnenkomst in Nederland ouder was dan 18 jaar onvoldoende gemotiveerd.

Namens verweerder is verder aangevoerd dat de statistisch kleine kans dat een asielzoeker met een volledig uitgerijpt sleutelbeen jonger is dan 21 jaar valt binnen de "margins of error" als bedoeld in paragraaf 5.11 van de UNHCR

Guidelines op Policies and Procedures in dealing with Unaccompanied Children Seeking Asylum van februari 1997. De rechtbank kan verweerder daarin niet volgen. Bedoelde richtlijn luidt: "When scientific procedures are used in order

to determine the age of the child, margins of error should be allowed." De rechtbank leidt uit deze bewoordingen af dat de UNHCR daarmee heeft beoogd aan te geven dat er rekening mee moet worden gehouden dat wetenschappelijke

procedures geen volledig betrouwbare resultaten opleveren en dat daarom, bij gebruikmaking van dergelijke procedures ("procedures are used"), een foutenmarge moet worden gehanteerd. De UNHCR heeft, naar het oordeel van de rechtbank,

geen oordeel willen geven over de toelaatbaarheid van foutenmarges in de "scientific procedures" zelf. De rechtbank is van oordeel dat de strekking van bedoelde passage is dat er bij het gebruik van de procedures rekening mee wordt

gehouden dat de kalenderleeftijd een aantal jaren hoger of lager kan liggen dan de bij het - in casu röntgenologisch - onderzoek vastgestelde leeftijd op basis van biologische rijpheid en dat deze "margin of error" ten voordele van

betrokkene dient te strekken. De rechtbank is van oordeel dat niet zonder nadere onderbouwing kan worden gezegd dat het gebruik van het leeftijdsonderzoek in zijn huidige vorm voor het achteraf vaststellen van de kalenderleeftijd op

het tijdstip van binnenkomst, van personen die reeds enige jaren in Nederland verblijven, aan de door de UNHCR geformuleerde richtlijn voldoet. Bij dit gebruik van het leeftijdsonderzoek blijft er een, naar het oordeel van de

rechtbank niet aanvaardbare, kans bestaan dat personen die ten tijde van hun binnenkomst in Nederland minderjarig waren door verweerder als meerderjarigen worden behandeld.

De rechtbank is weliswaar met verweerder van oordeel dat niet zonder belang voor de vraag of de resultaten van het onderzoek de conclusie van het rapport kunnen dragen is, dat de Commissie voor Staatstoezicht het onderzoeksprotocol

heeft akkoord bevonden. De rechtbank merkt daarbij echter wel het volgende op. In de brief van 30 november 1998 van de Hoofdinspecteur namens de Commissie voor Staatstoezicht aan de Hoofddirecteur van de IND staat dat geconcludeerd

is dat over de clavicula-methode waarop het onderzoeksprotocol is gebaseerd geen twijfel - meer - bestaat, maar dat het de voorkeur verdient om met die methode slechts de biologische rijpheid en niet de kalenderleeftijd vast te

stellen. Daaruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de staatscommissie zich ook akkoord heeft verklaard met de conclusie dat bij volledige sleutelbeensluiting de kalenderleeftijd gesteld dient te worden op 21 jaar of

ouder.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering als bedoeld in artikel 7:12 van de Awb. Derhalve is tevens het bestreden besluit niet op

zorgvuldige wijze tot stand gekomen hetgeen in strijd is met het bepaalde in artikel 3:2 van de Awb.

Uit het voorgaande vloeit voort dat het onderhavige beroep gegrond is.

Het bestreden besluit zal derhalve worden vernietigd.

Verweerder is gehouden een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen.

Verweerder wordt in overweging gegeven om de Commissie voor Staatstoezicht te vragen ten aanzien van de conclusies (met name dat betrokkene geacht moet worden 21 jaar of ouder te zijn) die op grond van het sleutelbeenonderzoek

worden getrokken een nader oordeel te geven alvorens in heroverweging op het bezwaar opnieuw te beslissen.

Voorts acht de rechtbank termen aanwezig verweerder onder toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en

de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal f 1.420,-- voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

* 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;* 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

* waarde per punt f 710,--;

* wegingsfactor 1.

Tevens zal de rechtbank bepalen dat door verweerder aan eiser het door hem gestorte griffierecht dient te worden vergoed.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank,

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat verweerder een nieuwe beslissing neemt op het bezwaar;

gelast verweerder aan eiser het door hem gestorte griffierecht ten bedrage van f 50,-- te vergoeden;

veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten vastgesteld op f 1.420,-- en te voldoen aan de griffier.

Aldus gedaan door mr. A. Stehouwer als voorzitter, mr. D.J. de Lange en mr. J. Grijns als leden van de meervoudige kamer in tegenwoordigheid van mr. K. van de Pas als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 oktober 2000.

Afschriften verzonden:

IS