Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA7469

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-02-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 00/599, 00/602, 00/603
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:86, geldigheid: 2000-02-11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Haarlem

fungerend president

enkelvoudige kamer voor Vreemdelingenzaken

U I T S P R A A K

artikel 8:81 en 8:86 Algemene Wet Bestuursrecht (Awb)

artikel 33a, 34a en 34j Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr: AWB 00/599 VRWET H (voorlopige voorziening)

AWB 00/602 VRWET H (beroepszaak)

AWB 00/603 VRWET H (vrijheidsontneming)

inzake: A, geboren op [...] 1980, van Nepalese

nationaliteit, verblijvende in het Grenshospitium te

Amsterdam, verzoeker,

gemachtigde: mr. P.J. Dietz de Loos, advocaat te Wassenaar,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. T.H.T.W. Zee, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te 's-Gravenhage.

1. GEGEVENS INZAKE HET GEDING

1.1 Aan de orde is het verzoek om voorlopige voorziening hangende het beroep van verzoeker tegen de beschikking van verweerder van 18 januari 2000. Deze beschikking is genomen in het kader van de zogenoemde AC-procedure en behelst

de niet-inwilliging van de aanvraag om toelating als vluchteling en strekt tevens tot het niet verlenen van een vergunning tot verblijf wegens klemmende redenen van humanitaire aard. Verzocht wordt om schorsing van de beslissing van

verweerder om uitzetting niet achterwege te laten totdat op het beroep tegen voormelde beschikking is beslist.

1.2 Voorts is aan de orde het beroep gericht tegen de

vrijheidsontnemende maatregel van artikel 7a Vw die verweerder verzoeker met ingang van 16 januari 2000 heeft opgelegd. Dit beroep strekt tevens tot toekenning van schadevergoeding.

1.3 De openbare behandeling van de geschillen heeft plaatsgevonden op 9 februari 2000. Daarbij hebben verzoekster en verweerder bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader uiteengezet. Voorts is verzoekster ter zitting

gehoord.

2. OVERWEGINGEN

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde

spoed, gelet op de betrokken belangen, zulks vereist.

2.2 Op grond van artikel 8:86 van de Awb heeft de president na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen

aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. Er bestaat in dit geval aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.

2.3 De AC-procedure voorziet in een afdoening van asielverzoeken binnen 48 uur.

Deze procedure leent zich slechts voor die asielverzoeken waaromtrent binnen deze korte termijn procedureel en inhoudelijk naar behoren kan worden beslist.

2.4 De president stelt vast dat er in dit geval geen sprake is van een zodanig asielverzoek.

Daarbij is het volgende van belang.

2.5 Verzoeker, afkomstig uit B, een dorp in de bergen in het westen van Nepal, heeft aan zijn asielverzoek ten grondslag gelegd dat hij er door de maoïstische beweging van wordt verdacht geheime informatie naar de politie te hebben

doorgespeeld en door de politie van het doorspelen van geheime informatie naar de maoïstische beweging. Verzoeker heeft weliswaar nooit iets met de maoïstische partij (CPN Maoist) te maken gehad, maar hij steunt deze partij in zijn

hart. Hij hoorde ongeveer 6 weken geleden van zijn mede-dorpsbewoners over de verdachtmakingen. Verzoeker is toen per voet naar Lamjung vertrokken en van daar per bus naar Kathmandu, waar hij werk heeft gezocht. De laatste 8 à 9

dagen voor zijn vlucht heeft hij bij een Indiase man in de huishouding gewerkt. Deze heeft, na verzoekers verhaal te hebben gehoord, zonder enige tegenprestatie verzoekers vlucht geregeld en betaald.

Verzoeker kan niet terug want zowel de politie als de partij hebben het op zijn leven gemunt.

2.6 Bij de correcties en aanvullingen op het nader gehoor heeft verzoeker aangegeven niet alles te hebben verteld. Hij was bang en de manier van vraagstelling was er niet op gericht hem over zijn schroom heen te helpen. Verzoeker

heeft aan de Indiase man 600.000 Nepal moeten betalen. Dit geld is door zijn vader betaald. De papieren die hij nodig had voor zijn reis zijn door de Indiase man ingenomen toen zij in Nederland landden. Aanleiding voor eisers vlucht

uit Nepal was dat één à anderhalve maand geleden twee gemaskerde en gewapende mannen verzoekers huis zijn binnengevallen en hem beschuldigden van het doorspelen van informatie van de maoïstische beweging aan de politie. Ze dreigden

hem te vermoorden

en sloegen hem. Even daarvoor had hij van dorpsgenoten gehoord dat hij ook beschuldigd werd door de politie van het doorspelen van informatie aan de maoïstische beweging. Verzoekers cultuur, waarin men eerst spreekt als iets wordt

gevraagd, heeft verhinderd dat dit in het nader gehoor naar voren is gekomen.

2.7 Bij de nadere gronden van zijn verzoek en beroep is namens verzoeker, voor zover hier van belang, nog aangevoerd dat de door verweerder gestelde tegenstrijdige verklaringen het gevolg zijn van verzoekers gebrek aan opleiding en

de "culture-shock" ten gevolge van alle indrukken in een totaal andere wereld waarin hij terecht is gekomen. Voorts is gewezen op de sinds 1996 verslechterde situatie in Nepal, zoals die blijkt uit gegevens van Amnesty

International. Als algemeen uitgangspunt dient te gelden dat, hoe slechter de mensenrechtensituatie in een bepaald land is, des te eerder tot vluchtelingschap moet worden geconcludeerd. Vanwege het feit dat onvoldoende informatie

over Nepal voorhanden is, kan verweerder in een AC-procedure niet de conclusie trekken dat de politieke en mensenrechtensituatie aldaar zodanig is dat asielzoekers uit dat land niet als vluchteling kunnen worden aangemerkt dan wel

niet te vrezen hebben voor een behandeling als verboden bij artikel 3 EVRM. Bovendien heeft verzoeker aannemelijk gemaakt dat met betrekking tot hem persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan die een vrees voor vervolging in

Vluchtelingenverdragrechtelijke zin rechtvaardigen: hij zat tussen twee vuren en beide partijen maken zich schuldig aan grove schendingen van de mensenrechten. Voor zover verzoeker niet voor toelating als vluchteling in aanmerking

komt, meent hij in aanmerking te komen voor een vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard. Gelet op zijn relaas, het feit dat hij niet over papieren beschikt en de informatie van Amnesty

International, is de kans niet denkbeeldig dat verzoeker bij terugkomst direct wordt gearresteerd, mishandeld en

gedetineerd. Gebeurt dit niet door de autoriteiten, dan nog zal hij hetzelfde risico lopen van de zijde van de maoïstische beweging.

Ten slotte doet verzoeker een beroep op verweerders traumatabeleid.

2.8 Namens verzoeker is ter zitting bezwaar gemaakt tegen de aanwezigheid van de door de rechtbank opgeroepen tolk, omdat deze reeds eerder in de procedure, en wel tijdens de 48-uurs procedure, als tolk ten behoeve van de rechtshulp

is opgetreden. Daarbij is gewezen op de scherpe scheidslijn die wordt gehanteerd tussen tolken die optreden voor verweerder dan wel de rechtshulp en de tolken die in dezelfde procedure optreden in opdracht van de rechtbank.

2.9 Verweerder heeft ter zitting gemotiveerd verweer gevoerd.

2.10 De president oordeelt als volgt.

2.11 Ten aanzien van de door de rechtbank opgeroepen tolk Nepali, wordt overwogen dat de president bekend is met het feit dat vermeden dient te worden dat de onderscheidene actoren in de AC-procedure gebruik maken van één en

dezelfde tolk. De

rechtbank streeft ernaar voor de terechtzitting niet een tolk op te roepen welke eerder in de procedure als tolk is

opgetreden.Met name in de onderhavige procedure is zulks echter onmogelijk gebleken. Naar de president is gebleken zijn er in Nederland drie beëdigde tolken Nepali aanwezig. Zowel voor de geplande zitting van 26 januari 2000 als de

geplande zitting van 28 januari 2000 heeft de opgeroepen tolk Nepali wegens ziekte verstek moeten laten gaan, terwijl geen

vervangende tolk aanwezig was, waardoor die zittingen geen doorgang konden vinden. Ook voor de onderhavige zitting bleek de aanvankelijk opgeroepen tolk wegens ziekte niet aanwezig te kunnen zijn. In het belang van de vreemdeling,

immers de vreemdeling moet in staat worden gesteld ter zitting te worden gehoord omtrent zijn reisverhaal en zijn asielmotieven, heeft de president vervolgens de in het Aanmeldcentrum werkzame tolk verzocht ter zitting op te treden.

Onder de hiervoor

geschetste omstandigheden is de president van het oordeel dat het belang van de vreemdeling, die zijn vrijheid op grond van artikel 7a Vw is ontnemen, dient te prevaleren boven het uitgangspunt dat in de onderscheiden fase van de

procedure, geen gebruik wordt gemaakt van dezelfde tolk. Overigens wijst de president erop dat de thans ter zitting aanwezige tolk niet aanwezig is geweest bij het eerste en nader gehoor van de vreemdeling, terwijl de ter zitting

verschenen tolk ten

overstaan van de president en in aanwezigheid van de

vreemdeling de belofte heeft afgelegd, inhoudende haar taak onpartijdig en naar beste weten te vervullen.

2.12 Niet in geding is dat verzoeker afkomstig is uit Nepal. Uit de beschikbare achtergrondinformatie over dit land, zoals een Country Report van het U.S. State Department van 1999 en berichten van Amnesty International uit

datzelfde jaar, blijkt dat de mensenrechtensituatie aldaar verslechterd is sinds een maoïstische groepering in 1996 de 'People's War' heeft

uitgeroepen met als doel het omverwerpen van regering en monarchie. Door deze groepering worden bomaanslagen gepleegd en burgers en gezagsdragers vermoord. Bij de bestrijding van het geweld hebben ook de Nepalese autoriteiten zich

volgens deze berichten schuldig gemaakt aan mensenrechtenschendingen.

Volgens een bericht van Amnesty International van maart 1999 heeft de lancering van een 'intensified security mobilization' door de autoriteiten in 1998 geresulteerd in een enorme

toename van het aantal willekeurige arrestaties, marteling, buitengerechtelijke executies en verdwijningen. Vele mensen die ervan verdacht werden banden te hebben met de maoïsten werden gearresteerd en gedetineerd. Tevens blijkt uit

recente informatie op Internet dat op dit moment sprake is van een escalerende situatie.

2.13 Ondanks de omstandigheid dat de rechtsbijstandsverleners van verzoeker in hun reacties op het eerste- en nader gehoor het belang daarvan uitdrukkelijk aan de orde hebben gesteld, blijkt uit de bestreden beschikking niet dat

verweerder deze informatie omtrent de huidige situatie in Nepal in het licht van hetgeen verzoeker naar voren heeft gebracht bij de

beoordeling van de aanvraag heeft betrokken of dat er nader onderzoek is verricht. Dit lag echter wel voor de hand

aangezien er geen recent ambtsbericht voorhanden is (althans niet van 1996 of daarna).

Weliswaar kan niet op voorhand worden gezegd dat verweerder, vanwege de tegenstrijdigheden in zijn verklaringen, ten onrechte twijfelt aan de geloofwaardigheid van verzoekers asielrelaas doch anderzijds kan evenmin worden ontkend

dat verzoekers relaas spoort met de beschikbare achtergrondinformatie. Met name blijkt uit die informatie dat reeds het verdacht zijn van het zijn van aanhanger van de maoïstische beweging voldoende kan zijn om zonder vorm van

proces te worden geëxecuteerd door de politie. Verweerder had derhalve niet zonder meer kunnen oordelen dat verzoeker geen gegronde vrees voor vervolging heeft.

2.14 Voorts is de president van oordeel dat verweerder, juist gelet op de zeer gebrekkige informatie omtrent de algemene toestand in Nepal, niet zonder nader onderzoek in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat verzoeker bij

terugkeer naar zijn land van herkomst niet hoeft te vrezen voor een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. Op grond van het voorgaande kan niet gezegd worden dat deze zaak zich leende voor afdoening binnen de AC-procedure.

2.15 Gelet op het vorenoverwogene behoeft hetgeen partijen overigens hebben aangevoerd in het kader van deze AC-procedure geen bespreking meer.

2.16 Het beroep tegen de afwijzende beschikking op de asielaanvraag van verzoeker zal dan ook gegrond worden verklaard. Gegeven deze beslissing bestaat geen aanleiding meer voor toewijzing van het verzoek om voorlopige voorziening.

2.17 Met betrekking tot de aan verzoeker opgelegde maatregel overweegt de rechtbank allereerst dat ter zitting namens

verzoeker is gesteld dat de hoortermijn van artikel 34a, tweede lid, Vw is overschreden en dat de opgelegde maatregel ex artikel 7a Vw derhalve onrechtmatig is.

2.18 De rechtbank overweegt als volgt.

Vastgesteld is dat voor de oorspronkelijke zitting van 26 januari 2000 een deugdelijke oproeping voor een tolk in het Nepali, de taal waarin verzoeker steeds is gehoord, heeft plaatsgevonden en dat deze tolk zich de avond

voorafgaand aan de geplande zitting heeft afgemeld. Tevens staat vast dat voor die datum geen andere tolk Nepali kon worden opgeroepen, mede daarin gelegen -zoals ter zitting heden door de tolk is verklaard- er in Nederland slechts

drie tolken Nepali zijn, waarvan één part-time werkt. Voorts bleek op 28 januari 2000 evenmin een tolk Nepali aanwezig te kunnen zijn.

Wèl kon voor de zitting van 2 februari 2000 over een dergelijke tolk worden beschikt, doch de gemachtigde van verzoeker was op die datum verhinderd en stemde in met een behandeling van het beroep op 9 februari 2000.

Geconcludeerd moet derhalve worden dat verzoeker niet binnen de termijn van artikel 34a, tweede lid, kon worden gehoord.

De rechtbank is, onder verwijzing naar de uitspraak van de Rechtseenheidskamer van 20 juli 1994, AWB 94/4786 VRWET, echter van oordeel dat in het onderhavige geval geen aanleiding bestaat te concluderen tot onrechtmatigheid van de

aan de vreemdeling opgelegde vrijheidsontnemende maatregel wegens overschrijding van de termijn van twee weken, nu getracht is de vreemdeling op zo kort mogelijke termijn te horen, en wel op 26 januari 2000, 28 januari 2000 en 2

februari 2000.

2.19 Vorengaande laat onverlet dat op grond van voormelde gegrondverklaring van het beroep de grond voor de voortgezette toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel ex artikel 7a Vw is komen te ontbreken. Het beroep tegen de

voortduring van de maatregel is derhalve gegrond.

2.20 Nu de toepassing van de maatregel nimmer onrechtmatig is geweest, wordt geen aanleiding gezien de vreemdeling op

gronden van billijkheid een schadevergoeding toe te kennen.

2.21 Verweerder zal worden veroordeeld in de proceskosten.

2.22 De president ziet tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:82, vierde lid, Awb, te bepalen dat verweerder aan verzoeker het zowel voor de hoofdzaak als voor het verzoek om voorlopige voorziening betaalde griffierecht

ad telkens f 50,-- zal vergoeden.

3. BESLISSING

De fungerend president:

3.1 verklaart het beroep gegrond en vernietigt de bestreden beschikking van 18 januari 2000;

3.2 draagt verweerder op een nieuwe beschikking te nemen op de aanvraag van 16 januari 2000;

3.3 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

3.4 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad f 1.420,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, moet voldoen;

3.5 wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door verzoeker betaalde griffierecht ad tweemaal f 50,--.

De rechtbank:

3.6 verklaart het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel ex artikel 7a Vw gegrond en beveelt de opheffing van de maatregel van de vreemdeling met ingang van 11 februari 2000;

3.7 wijst het verzoek om toekenning van schadevergoeding af.

3.8 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad f 710,--, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon, die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, moet voldoen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.H. Franke, fungerend president, tevens lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken, in tegenwoordigheid van mr. W.B. Klaus als griffier en uitgesproken in het openbaar op 11 februari

2000, in tegenwoordigheid van de griffier.

afschrift verzonden op: 11 februari 2000

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Gerechtshof te 's- Gravenhage, voor zover het betreft de beslissing inzake

schadevergoeding. De Officier van Justitie kan binnen veertien dagen na de uitspraak en de vreemdeling binnen een maand na de betekening van de uitspraak hoger beroep instellen door het indienen van een verklaring als bedoeld in de

artikelen 449 en 451a van het Wetboek van Strafvordering bij de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, zittingsplaats Haarlem.

Voor het overige staat geen gewoon rechtsmiddel open.