Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA7459

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-05-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 99/2289, 99/2288
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2000/169

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Haarlem

enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken

fungerend president

U I T S P R A A K

artikel 8:77 en 8:81 Algemene Wet Bestuursrecht (Awb)

artikel 33a Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr: AWB 99/2289 VRWET H (beroepszaak)

AWB 99/2288 VRWET H (voorlopige voorziening)

inzake: A, geboren op [...] 1976, van Surinaamse

nationaliteit,

eiseres/verzoekster, verder te noemen: eiseres,

gemachtigde: mr. A. Rogaar, advocaat te Amsterdam,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. M. van den Berg, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te 's-Gravenhage.

1. GEGEVENS INZAKE HET GEDING

1.1 Eiseres is met ingang van 1 juni 1995 in het bezit gesteld van een vergunning tot verblijf met als doel "verblijf bij moeder, B" (hierna te noemen: referente). Deze vergunning was

laatstelijk verlengd tot 1 juni 1997.

1.2 Op 16 april 1998 heeft eiseres verzocht om verlenging van de aan haar verleende vergunning tot verblijf. Thans is aan de orde het beroep tegen het besluit van verweerder van 24 februari 1999, waarbij de niet-inwilliging van de

aanvraag om de vergunning tot verblijf van eiseres te verlengen, is gehandhaafd.

1.3 Tevens is aan de orde het verzoekschrift van eiseres om bij wijze van voorlopige voorziening over te gaan tot schorsing van de beslissing van verweerder om uitzetting niet achterwege te laten, totdat op het beroep is beslist.

1.4 Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot

ongegrondverklaring van het beroep en afwijzing van het verzoek.

1.5 De openbare behandeling van de geschillen heeft plaatsgevonden op 26 april 2000. Daarbij hebben eiseres en verweerder bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader uiteengezet.

2. OVERWEGINGEN

2.1 Ingevolge artikel 11, vijfde lid, Vw kan het verlengen van een vergunning tot verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend. Het door verweerder bij de toepassing van dit artikellid

gevoerde beleid is vastgelegd in de Vreemdelingencirculaire 1994 (Vc).

2.2 Ingevolge het in deze van toepassing zijnde beleid, neergelegd in paragraaf A4/6.13 Vc, diende eiseres voor het verstrijken van de geldigheidsduur van de aan haar verleende vergunning tot verblijf een aanvraag tot verlenging in

te dienen. Ten tijde van het verlopen van de vergunning tot verblijf van eiseres (1 juni 1997) diende de aanvraag om verlenging te worden gevraagd in ieder geval binnen zes maanden na het verlopen van de geldigheidsduur van de

vergunning tot verblijf.

2.3 Eiseres heeft op 16 april 1998 verzocht om verlenging van de eerder aan haar verleende vergunning tot verblijf. In verband met de termijnoverschrijding heeft eiseres zich op het standpunt gesteld dat deze verschoonbaar is, nu

zij zich tijdig heeft gemeld bij de Vreemdelingendienst. Nadat zij op 8 april 1997 haar paspoort en haar verblijfsdocument was verloren, heeft zij dit op 9 april 1997 gemeld bij de Vreemdelingendienst en nogmaals op 28 mei 1997.

Aldaar is zij echter weggestuurd met de mededeling dat zij eerst een nieuw paspoort diende aan te vragen bij de Surinaamse autoriteiten en dat zij terug kon komen als zij in het bezit zou zijn gesteld van een nieuw paspoort. Op 9

april 1998 heeft eiseres haar nieuwe paspoort ontvangen waarna zij de onderhavige aanvraag heeft gedaan.

2.4 Verweerder heeft geoordeeld dat het verzoek om verlenging van de vergunning tot verblijf te laat is ingediend, nu dit niet is gedaan binnen een termijn van zes maanden na het verstrijken van de geldigheidsduur van de vergunning

en eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze overschrijding verschoonbaar is. Niet aangetoond is dat eiseres inderdaad door de Vreemdelingendienst zou zijn weggestuurd.

2.5 Blijkens de gedingstukken staat vast dat eiseres zich op 9 april 1997 en op 28 mei 1997 heeft gemeld bij de Vreemdelingendienst teneinde aan te geven dat zij haar paspoort en verblijfsdocument

was verloren. Tevens heeft zij een verzoek tot vervanging van haar verblijfsdocument gedaan. Niet gebleken is dat de

Vreemdelingendienst vervolgens de door artikel 33, zesde lid, Voorschrift Vreemdelingen (VV) voorgeschreven procedure heeft gevolgd. Immers ingevolge dit artikellid worden -voor zover hier van belang- documenten, als bedoeld in de

bijlagen 5a-5g bij het VV, vervangen, indien de vreemdeling aangifte heeft gedaan van vermissing of verlies van dat document en wel nadat de korpschef heeft vastgesteld dat er gegronde redenen zijn om te

veronderstellen dat de aangifte naar waarheid is gedaan.

2.6 Uit de gedingstukken is de rechtbank niet gebleken dat de korpschef gegronde redenen heeft gehad om te veronderstellen dat de aangifte niet naar waarheid is gedaan. Derhalve had het door eiseres verloren verblijfsdocument moeten

worden vervangen. Nu verweerder dit heeft nagelaten en eiseres kennelijk heeft medegedeeld dat eerst om verlenging kon worden verzocht wanneer zij in het bezit was van een nieuw dan wel vervangend grensoverschrijdingsdocument,

concludeert de rechtbank dat de termijnoverschrijding van de aanvraag tot verlenging mede door toedoen van verweerder tot stand gekomen is. Nu zich onder de gedingstukken een op 9 april 1997 gedateerd proces-verbaal van vermissing

verblijfsdocument bevindt en verweerder hieraan bij de bestreden beslissing volledig is voorbijgegaan, is de rechtbank van oordeel dat verweerder ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom de aanvraag om verlenging van de

verblijfsvergunning niet tijdig heeft plaatsgevonden en dat niet gebleken is van verschoonbare redenenen. Dit klemt des te meer nu eiseres zich nog op 28 mei 1997 bij de Vreemdelingendienst heeft gemeld, kennelijk met de bedoeling

om de aan haar verleende vergunning te verlengen. Het ontgaat de rechtbank waarom eiseres niet in de gelegenheid is gesteld om, ondanks het verlies van haar grensoverschrijdingsdocument, een aanvraag tot verlenging in te dienen.

2.7 Nu de rechtbank de bestreden beslissing in zoverre ondeugdelijk gemotiveerd acht, komt de bestreden beslissing reeds daarom voor vernietiging in aanmerking.

2.8 Verweerder heeft ten overvloede getoetst of eiseres in aanmerking komt voor voortgezet verblijf bij referente. Verweerder heeft daarbij overwogen dat eiseres geen aanspraak kan maken op voortgezet verblijf, nu de gezinsband

tussen haar en referente wordt geacht te zijn verbroken door de geboorte van eiseresses dochter op [...] 1997. Ingevolge hoofdstuk B1/8 Vc j° B1/7 Vc geldt dat de gezinsband met de ouder(s) verbroken wordt geacht - onder meer- als

het kind belast is met de zorg voor een

buitenhuwelijks kind, aldus verweerder.

2.9 De rechtbank houdt het ervoor dat eiseres in Nederland is toegelaten in het kader van verruimde gezinshereniging met referente. Ten behoeve van eiseres is blijkens de gedingstukken op 19 mei 1995 een machtiging tot voorlopig

verblijf afgegeven, waarmee eiseres op 23 mei 1995 Nederland is ingereisd. Zij had toen reeds de leeftijd van 18 jaar bereikt. Gelet op de systematiek van de Vreemdelingencirculaire dient verweerder dan ook te worden gevolgd in zijn

opvatting dat voor de beoordeling of sprake is van verbreking van de gezinsband tussen eiseres en referente, bepalend is hetgeen is neergelegd in hoofdstuk B1/8.1 Vc. In dit hoofdstuk is bepaald dat verbreking van de gezinsband zich

-onder meer- voordoet indien de vreemdeling niet langer behoort tot het gezin van degene bij wie verblijf was toegestaan. Niet nader

geëxpliciteerd wordt wanneer daarvan sprake is. Verweerder is van mening dat voor de beantwoording van deze vraag aansluiting dient te worden gezocht bij het bepaalde in hoofdstuk B1/7.1 Vc, waarin is vermeld dat de gezinsband

definitief wordt geacht te zijn verbroken indien sprake is van -onder andere- het belast zijn met de zorg voor buitenhuwelijkse kinderen. In casu is daarvan sprake.

2.10 De rechtbank is evenwel van oordeel dat de door verweerder voorgestane benadering in het onderhavige geval niet kan worden gevolgd. Hoewel deze benadering op zichzelf niet

onverenigbaar lijkt te zijn met het toepasselijke beleid, heeft die benadering in een geval als het onderhavige, waarin eiseres ook na de geboorte van haar kind bij referente is blijven wonen, tot gevolg dat de gezinsband verbroken

wordt geacht enkel door de geboorte van een kind. Het beleid in hoofdstuk B1/7.1 Vc is allereerst bedoeld om te bepalen of de gezinsband is blijven bestaan tussen een in Nederland

verblijvende referent en een in het buitenland verblijvend gezinslid. De rechtbank is van oordeel dat het doortrekken van deze regel naar de situatie dat beiden reeds jaren in

Nederland in gezinsverband samenleven, in situaties als de onderhavige leidt tot onredelijke gevolgen. Niet volgehouden kan worden dat in een dergelijk geval sprake is van een

feitelijke verbreking van de gezinsband tussen de ouder en het kind.

2.11 Het beroep is mitsdien gegrond.

2.12 De bestreden beslissing kan niet in stand blijven. Verweerder zal worden opgedragen een nieuwe beschikking te nemen met inachtneming van deze uitspraak binnen een daartoe te stellen termijn.

Ten aanzien van de voorlopige voorziening

2.13 Gegeven de beschikking in de hoofdzaak is er geen grond meer voor het treffen van de verzochte voorlopige voorziening, zodat het verzoek zal worden afgewezen.

Ten aanzien van de voorlopige voorziening en het beroep

2.14 In dit geval bestaat aanleiding verweerder in de hoofdzaak met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten, zulks met inachtneming van het Besluit proceskosten

bestuursrecht. De kosten zijn op voet van het bepaalde in het bovengenoemde Besluit vastgesteld op f 1.420,-- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van

eiseres een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge het tweede lid van artikel 8:75 Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier.

Nu het verzoek om voorlopige voorziening is gemotiveerd door verwijzing naar het beroepschrift, bestaat geen aanleiding voor een afzonderlijke proceskostenveroordeling voor het verzoek om voorlopige voorziening.

2.15 Uit de gegrondverklaring volgt dat verweerder het betaalde griffierecht ad tweemaal f 225,-- dient te vergoeden.

3. BESLISSING

De rechtbank:

ten aanzien van de hoofdzaak:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt de bestreden beschikking;

3.3 bepaalt dat verweerder binnen veertien weken na datum van verzending van deze uitspraak een besluit op het bezwaarschrift van eiseres van 7 december 1998 dient te nemen;

3.4 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad f 1.420,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem dient te vergoeden;

3.5 wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiseres betaalde griffierecht ad f 225,--.

De president:

ten aanzien van de gevraagde voorlopige voorziening:

3.6 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

3.7 wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiseres betaalde griffierecht ad f 225,--.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.H. Franke, lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken, tevens fungerend president, en uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2000, in tegenwoordigheid van mr. M.L. Bressers als

griffier.

afschrift verzonden op: 25 mei 2000

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.