Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA7455

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-06-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 99/2329
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Haarlem

enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken

U I T S P R A A K

artikel 8:77 Algemene Wet Bestuursrecht (Awb)

artikel 33a Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr: AWB 99/2329 VRWET H

inzake: A, geboren op [...] 1956, van Ghanese

nationaliteit, eiser

gemachtigde: mr. P.G.M. Lodder, advocaat te Utrecht,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. S.D.M. Michaël, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te 's-Gravenhage.

1. GEGEVENS INZAKE HET GEDING

1.1 Aan de orde is het beroep tegen het besluit van verweerder van 15 februari 1999, waarbij de niet-inwilliging van de aanvraag om eiser een vergunning tot verblijf te verlenen op grond van het beleid inzake voortgezet verblijf na

verbreking huwelijk, en de beslissing hem ongewenst te verklaren, zijn gehandhaafd.

1.2 Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot

ongegrondverklaring van het beroep.

1.3 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 24 mei 2000. Daarbij hebben eiser en verweerder bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader uiteengezet.

2. OVERWEGINGEN

2.1 Ingevolge artikel 11, vijfde lid, Vw kan het verlenen van een vergunning tot verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend. Het door verweerder bij

de toepassing van dit artikellid gevoerde beleid is vastgelegd in de Vreemdelingencirculaire 1994 (Vc).

2.2 De rechtbank is met verweerder van oordeel dat het huwelijk van eiser sedert 5 juni 1992 als feitelijk verbroken dient te worden beschouwd, dat derhalve op diezelfde datum zijn verblijfsstatus ex artikel 10, tweede lid, Vw van

rechtswege is komen te vervallen, en dat eiser niet in aanmerking komt voor een vergunning tot verblijf op grond van het beleid inzake voortgezet verblijf na verbreking huwelijk. Daartoe wordt verwezen naar het desbetreffende

gedeelte van het in de onderhavige zaak op 13 november 1998 uitgebrachte advies van de Adviescommissie voor vreemdelingenzaken, dat is aangehecht aan deze uitspraak en hiervan deel uitmaakt.

2.3 Ingevolge artikel 21, eerste lid, aanhef en onder b, Vw kan een vreemdeling ongewenst worden verklaard indien hij bij rechterlijk gewijsde is veroordeeld wegens een opzettelijk begaan misdrijf waartegen een gevangenisstraf van

drie jaren of meer is bedreigd.

2.4 Blijkens hoofdstuk A4/4.3.2.2 Vc -samengevat voorzover thans van belang- vindt ongewenstverklaring plaats overeenkomstig een glijdende schaal. Daarbij is het uitgangspunt dat een veroordeling tot een straf die boven de in de

glijdende schaal aangegeven beleidsnorm uitstijgt, steeds tot ongewenstverklaring zal leiden.

Bij een verblijfsduur van ten minste drie jaar maar minder dan vier jaar leidt een onherroepelijke veroordeling wegens een opzettelijk begaan misdrijf tot meer dan 18 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf tot

ongewenstverklaring. Als verblijfsduur geldt de periode dat de vreemdeling voorafgaand aan het begaan van het strafbare feit onafgebroken in Nederland heeft verbleven op grond van de artikelen 9, 9a en 10 Vw.

2.5 Eiser is bij arrest van 20 september 1995 van het Gerechtshof te 's-Gravenhage veroordeeld wegens een opzettelijk begaan misdrijf, waartegen een gevangenisstraf van drie jaar of meer is bedreigd, tot een onvoorwaardelijke

gevangenisstraf van twee jaar en zes maanden. Dit arrest is inmiddels onherroepelijk geworden. Blijkens het zich in het dossier bevindende arrest heeft eiser het misdrijf gepleegd "in of omstreeks de periode van 1 januari 1990 tot

en met 2 maart 1991, in ieder geval in of omstreeks de periode 1 januari 1991 tot en met 18 april 1991." Op 1 januari 1991 verbleef eiser meer dan drie maar minder dan vier jaar in Nederland. Aangezien de opgelegde straf meer

bedraagt dan 18 maanden, heeft verweerder kunnen besluiten eiser ongewenst te verklaren.

2.6 De omstandigheid dat eiser ten tijde van het plegen van het misdrijf houder was van een verblijfsrecht op grond van artikel 10, tweede lid, Vw, kan niet tot het oordeel leiden dat hij, nu hij die status van rechtswege is

verloren, niet alsnog ongewenst kan worden verklaard. Daartoe neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.

2.7 Blijkens hoofdstuk A4/4.3.2.2 onder a Vc -samengevat weergegeven voorzover relevant- is, gelet op de aard van het verblijfsrecht op grond van artikel 10, tweede lid, Vw, ongewenstverklaring en ontzegging van voortgezet verblijf

op grond van een inbreuk op de openbare orde van houders van een dergelijk verblijfsrecht niet mogelijk. Bij verlies van het verblijfsrecht op grond van artikel 10, tweede lid, Vw kan die inbreuk op de openbare orde echter wel

alsnog leiden tot de beslissing dat de vreemdeling niet voor voortgezet verblijf in aanmerking komt.

2.8 Hoewel in dit beleid niet expliciet is vermeld dat bij verlies van de status ex artikel 10, tweede lid, Vw een inbreuk op de openbare orde alsnog tot ongewenstverklaring kan leiden, acht de rechtbank de verklaring namens

verweerder ter zitting dat verweerder niet bedoeld heeft ongewenstverklaring van vreemdelingen die hun status ex artikel 10, tweede lid, Vw hebben verloren, uit te sluiten, aannemelijk. Blijkens hoofdstuk A4/4.3.1 Vc vallen

ongewenstverklaring en ontzegging van voortgezet verblijf immers

samen.

2.9 Aan eisers stelling dat hij door het Gerechtshof te 's-Gravenhage ten onrechte is veroordeeld, gaat de rechtbank voorbij. In de onderhavige zaak is aan de rechtbank ter beoordeling of verweerder eiser op goede gronden een

vergunning tot verblijf heeft onthouden en hem ongewenst heeft verklaard. De vraag of eiser terecht is veroordeeld is niet aan de orde. Eisers inmiddels onherroepelijke veroordeling is slechts een feit, dat de rechtbank in de

beoordeling van het onderhavige geding dient te betrekken.

2.10 Niet is gebleken van feiten en omstandigheden op grond waarvan verweerder in afwijking van het beleid ongewenstverklaring van eiser achterwege had dienen te laten.

Eiser heeft aangevoerd dat verweerder niet heeft onderbouwd dat eisers terugkeer naar Ghana niet onevenredig hard is. Het is in beginsel evenwel niet verweerder die dient te onderbouwen dat eisers terugkeer naar Ghana geen

onevenredige hardheid betekent, maar eiser die dient te onderbouwen dat, naar hij heeft gesteld, zijn terugkeer wèl een onevenredige hardheid oplevert. Eiser heeft voor de juistheid van zijn stelling dat zijn terugkeer naar Ghana

niet kan worden gevergd geen enkel aanknopingspunt geboden.

2.11 Eiser heeft aangevoerd dat zijn ongewenstverklaring niet op de juiste wijze aan hem is bekend gemaakt.

2.12 Ingevolge artikel 21, tweede lid, Vw wordt, indien de bekendmaking van de beschikking geschiedt door toezending, van de beschikking mededeling gedaan in de Staatscourant.

2.13 Blijkens de dossierstukken is de beschikking in eerste aanleg van 16 oktober 1997, waarbij eiser is ongewenst verklaard, op diezelfde datum toegezonden aan de toenmalige gemachtigde van eiser. Eiser heeft op 13 november 1997,

derhalve tijdig, tegen die beschikking bezwaar gemaakt.

2.14 Niet is in geschil dat van de beschikking geen mededeling is gedaan in de Staatscourant. Derhalve moet aan eiser worden toegegeven dat zijn ongewenstverklaring niet op de in de wet aangegeven wijze is bekend gemaakt. Naar het

oordeel van de rechtbank kan dit formele gebrek evenwel niet leiden tot de conclusie dat de ongewenstverklaring van eiser ongeldig is. De ongewenstverklaring berust, zoals hiervoor onder 2.5 is

overwogen, op goede gronden.

Voorts is eiser doordat zijn ongewenstverklaring niet in de Staatscourant is gepubliceerd, niet in zijn belangen geschaad. Hij is immers door toezending aan zijn gemachtigde van de beschikking op de hoogte gebracht, en heeft tijdig

bezwaar daartegen kunnen instellen.

2.15 Tenslotte heeft eiser een beroep gedaan op het driejarenbeleid.

2.16 Blijkens hoofdstuk A4/6.17 Vc (oud) -samengevat voorzover thans van belang- verkrijgt een vreemdeling in reguliere zaken een vergunning onder beperking "op grond van het

driejarenbeleid", indien aan de volgende cumulatieve

voorwaarden is voldaan:

1. Er zijn ten minste drie jaren verstreken na de datum van de aanvraag om toelating en de vreemdeling heeft nog geen beslissing of nog geen onherroepelijke beslissing op zijn aanvraag ontvangen, terwijl het oorspronkelijk beoogde

verblijfsdoel nog steeds van toepassing is; én

2. de uitzetting is om beleidsmatige redenen achterwege gebleven;dat wil zeggen om een reden die verband houdt met het

verblijfsdoel; én

3. er is geen sprake van contra-indicaties, waaronder criminele activiteiten. Indien tijdens de driejarentermijn een strafbaar feit is gepleegd, terzake waarvan een serieuze verdenking is ontstaan (het gaat dan om een misdrijf), dan

wordt aangenomen dat hij een gevaar vormt voor de openbare orde, tenzij de strafzaak is afgerond zonder veroordeling.

2.17 Eiser is bij onherroepelijk geworden vonnis van 7 maart 1997 door de politierechter te Amsterdam veroordeeld wegens een misdrijf, gepleegd op 12 augustus 1996, zijnde tijdens de driejarentermijn. Derhalve kan worden aangenomen

dat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde, en is sprake van een

contra-indicatie, op grond waarvan verweerder aan eiser een vergunning tot verblijf op basis van het driejarenbeleid heeft kunnen weigeren.

2.18 Voorts is niet gebleken dat eiser anderszins aan het door verweerder gevoerde beleid aanspraken op verblijf hier te lande kan ontlenen. Evenmin is gebleken van het bestaan van feiten en omstandigheden op grond waarvan

verweerder eiser niettemin verblijf hier te lande had dienen toe te staan.

2.19 Het beroep is mitsdien ongegrond.

2.20 Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is niet gebleken.

3. BESLISSING

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F. Miedema, lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken, en uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2000, in tegenwoordigheid van mr. G.J. de Jong als griffier.

afschrift verzonden op: 19 juni 2000

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.