Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA7401

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-10-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 00/10001, 00/10004
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage

Sector Bestuursrecht

Eerste kamer, meervoudig

-------------------------------------------

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

-------------------------------------------

Reg.nrs.: AWB 00/10001 en AWB 00/10004 WW44

Inzake (1) [eiser sub 1] te Zoetermeer en [eiser sub 1] Milieu Projecten B.V., gevestigd te Zoetermeer, (2) [eiser sub 2] te Zoetermeer, (3) [eisers sub 3] en 6 anderen te Zoetermeer, eisers,

tegen het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer, verweerder.

Derde partij(en): Fortis Investments Ontwikkeling B.V., de Stichting Vidomes als rechtsopvolgster van de Christelijke Woningstichting Zoetermeer, Ontwikkelingsmaatschappij Beagle Vastgoed B.V., HBC Woningbouw Regio West B.V., Bouwfonds Woningbouw B.V., Hopman Projectrealisatie B.V.. Eurowoningen Groep B.V., vergunninghouders.

1. Aanduiding bestreden besluit.

Het besluit van verweerder van 22 augustus 2000, kenmerk SW/SO nr 000687.

2. Zitting.

Datum: 19 en 28 september 2000.

Namens eisers sub 1 is verschenen [eiser sub 1], bijgestaan door de advocaat mr. P.J.L. Duijsens.

Eiser sub 2 is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. L.J. van Pelt, die tevens is verschenen namens eisers sub 3, van wie tevens [...] en op 28 september 2000 tevens [...] in persoon zijn verschenen.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn advocaat mr. J.H. Meijer, bijgestaan door mr. J. van den Bergh, ir. A.H.H. Schenk en op 19 september 2000 mr. B.A. Boelema, ambtenaren van de gemeente Zoetermeer en de wethouders G.M. Smid en E.M.G. Plantinga.

Namens de Stichting Vidomes is verschenen haar advocaat mr. M.J.W. Hoek. De overige vergunninghouders hebben zich laten vertegenwoordigen door hun advocaat mr. J. Mentink.

Namens het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland is verschenen S. de Smidt.

Op 28 september is namens het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bleiswijk verschenen C.H.J. Lamers, burgemeester van deze gemeente, om inlichtingen te geven.

3. Feiten.

Bij besluiten van 13 juli 1999 heeft verweerder in totaal 14 bouwvergunningen verleend aan de hierboven genoemde vergunninghouders, onder gelijktijdige verlening van vrijstellingen als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) zoals die luidde tot 3 april 2000, en vrijstellingen als bedoeld in artikel 50, vijfde lid, van de Woningwet (WoW). De verleende bouwvergunningen betreffen in totaal 1064 woningen in het projectgebied Oosterheem in Zoetermeer, samen uitmakende deelplan 1, eerste jaarschijf (plangebied Hoven en Veld), verder aan te duiden als het deelplan.

Tegen deze besluiten hebben eisers bezwaarschriften bij verweerder ingediend.

Eisers sub 1 en 2 hebben tevens de President van deze rechtbank verzocht met toepassing van artikel 8:81 van de Awb de verleende bouwvergunningen te schorsen.

Bij uitspraak van 1 oktober 1999 heeft de President, beslissend op deze verzoeken, de bouwvergunningen geschorst tot en met 6 weken na de verzending van de beslissingen op de bezwaarschriften van eisers.

Op 21 september 1999 zijn eisers gehoord omtrent hun bezwaren door de Commissie Behandeling Bezwaar- en Beroepschriften van de gemeente Zoetermeer.

Bij brief van 22 oktober 1999 heeft deze commissie verweerder geadviseerd de bezwaarschriften gegrond te verklaren en nieuwe besluiten te nemen.

Bij besluit van 9 november 1999 heeft verweerder, in afwijking van het uitgebrachte advies, de bezwaarschriften van eisers ongegrond verklaard en de verleende bouwvergunningen gehandhaafd.

Tegen dit besluit hebben eisers beroepschriften ingediend.

Tevens hebben zij de President van deze rechtbank verzocht met toepassing van artikel 8:81 van de Awb het bestreden besluit te schorsen.

Verweerder en vergunninghouders hebben de President verzocht met toepassing van artikel 8:86 van de Awb de op 1 oktober 1999 getroffen voorlopige voorziening op te heffen.

Bij uitspraak van 16 december 1999 heeft de President, beslissend op deze verzoeken, het verzoek om opheffing afgewezen en het bestreden besluit geschorst met ingang van 23 december 1999.

Bij uitspraak van 19 juli 2000 heeft de rechtbank de beroepen van eisers gegrond verklaard, het besluit van 9 november 1999 vernietigd en verweerder opgedragen een nieuwe beslissing te nemen op de bezwaarschriften met inachtneming van deze uitspraak. Tevens heeft de rechtbank bepaald dat de door de president van de rechtbank op 16 december 1999 getroffen voorlopige voorziening eerst twee weken na de bekendmaking van de nieuwe beslissing vervalt.

Op 8 augustus 2000 zijn eisers opnieuw gehoord omtrent hun bezwaren door de Commissie Behandeling Bezwaar- en Beroepschriften van de gemeente Zoetermeer.

Bij brief van 15 augustus 2000 heeft deze commissie verweerder geadviseerd de bezwaren ongegrond te verklaren.

Bij besluit van 22 augustus 2000, bekendgemaakt op gelijke datum, heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben eisers bij brieven van 4 september 2000 beroepschriften ingediend.

Verweerder heeft bij faxbericht van 8 september 2000, ingekomen bij de rechtbank op 8 september 2000 en bij de sector bestuursrecht op 11 september 2000, een verweerschrift ingediend.

Ter zitting van 19 september 2000 hebben eisers sub 1 een brief van 18 september 2000 van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bleiswijk in geding gebracht.

Naar aanleiding hiervan is op verzoek van verweerder en vergunninghouders de behandeling ter zitting geschorst en voortgezet op 28 september 2000.

Verweerder heeft het convenant van 9 november 1999, met bijlagen over de door de gemeente Bleiswijk in gang gezette MER-procedure ten behoeve van de reconstructie van de N209 en de gezamenlijke verklaring van de gemeenten Zoetermeer, Bleiswijk en de provincie Zuid-Holland van 27 september 2000 in geding gebracht.

Eisers hebben hier geen bezwaren tegen gemaakt.

Naar aanleiding van de brief van 18 september 2000 heeft de rechtbank tevens de burgemeester van Bleiswijk verzocht inlichtingen ter zitting te verschaffen.

4. Bewijsmiddelen.

De gedingstukken en het verhandelde ter zitting.

5. Motivering.

5.1

5.1.1

De rechtbank heeft aanleiding gezien ambtshalve toepassing te geven aan artikel 8:52 van de Awb.

Partijen hebben hier geen bezwaar tegen gemaakt.

Aangezien de in deze procedure behandelde beroepen zijn ingediend namens alle indieners van bezwaarschriften tegen de primaire besluiten van 13 juli 1999 en deze besluiten bij het thans bestreden besluit zijn gehandhaafd, kunnen gelet op artikel 8:1 en 7:1, in samenhang met artikel 6:13 van de Awb, geen andere ontvankelijke beroepen dan de thans beoordeelde tegen het bestreden besluit meer worden ingediend, zodat het einde van de beroepstermijn niet behoeft te worden afgewacht alvorens de onderhavige beroepen kunnen worden behandeld. Daarbij betrekt de rechtbank dat bovendien tegen het besluit van 9 november 1999 ook geen beroepen zijn ingesteld door anderen dan de huidige eisers.

5.1.2

De rechtbank verwijst voor de feiten en voorgeschiedenis naar haar uitspraak van 19 juli 2000, rechtsoverwegingen 5.1 en 5.2.1.

Van toepassing is de WRO zoals die luidde tot 3 april 2000.

5.2

5.2.1

Op 6 juni 2000 is het ontwerp-bestemmingsplan "Oosterheem 2000" ter inzage gelegd als bedoeld in artikel 23 van de WRO. Aangezien naar aanleiding daarvan zienswijzen als bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de WRO zijn ingediend kan, gelet op artikel 25 van de WRO, dit ontwerp gedurende vier maanden na 6 juni 2000 als grondslag dienen voor het toepassen van artikel 19 van de WRO.

De verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 19 van de WRO van 4 mei 1999 was ten tijde van het bestreden besluit geëxpireerd.

De verklaringen van geen bezwaar als bedoeld in artikel 19 van de WRO en artikel 50, vijfde lid, van de Woningwet van 6 juli 2000 zijn door gedeputeerde staten van Zuid-Holland gehandhaafd, naar blijkt uit de brief van dit college aan verweerder van 21 augustus 2000.

Aan de formele vereisten voor toepassing van artikel 19 van de WRO is derhalve voldaan.

5.2.2

In aanvulling op het ten tijde van het besluit van 9 november 1999 reeds aanwezige planologisch kader (rechtsoverweging 5.2.1.3 en 5.2.1.4 van de uitspraak van 19 juli 2000) was ten tijde van het thans bestreden besluit als planologisch kader aanwezig het reeds genoemde ontwerp-bestemmingsplan, dat is opgesteld met gebruikmaking van de mede daartoe opgestelde milieu-effectrapportage (rechtsoverweging 5.2.3 van de uitspraak van 19 juli 2000). Over dit ontwerp-plan is bij brief van 16 juni 2000 door de Provinciale Planologische Commissie (PPC) advies uitgebracht.

Daarmee is thans wel voldoende planologisch kader aanwezig om de bij toepassing van artikel 19 vereiste afwegingen van belangen te kunnen maken en beoordelen, ook afgezet tegen de zwaarte van de planologische ingreep (rechtsoverweging 5.2.2.1 van de uitspraak van 19 juli 2000).

5.2.3

De redenen waarom verweerder bij het nemen van zijn besluit van 9 november 1999 naar het oordeel van de rechtbank, zoals verwoord in rechtsoverweging 5.2.4.3 van haar uitspraak van 19 juli 2000, niet zonder meer gebruik had mogen maken van de verklaring van geen bezwaar van 6 juli 1999 zijn gezien het vorenstaande niet meer van toepassing op het thans bestreden besluit.

5.3

5.3.1

Centraal in dit geschil staat, gelet op de inhoud van de beroepsgronden, de vraag of het ontwerp-bestemmingsplan "Oosterheem 2000", waarop met het bestreden besluit wordt vooruitgelopen, rechtskracht zal kunnen verkrijgen.

De door eisers naar voren gebrachte argumenten hebben voornamelijk op deze vraag betrekking, behoudens voor zover zij zien op de vraag of verweerder bij afweging van de relevante belangen toepassing mocht geven aan artikel 19 van de WRO.

Aangezien de rechtbank reeds uit hoofde van artikel 8:69, tweede lid, van de Awb, bij de toetsing van een anticipatiebesluit moet beoordelen of het toekomstig planologisch kader ook daadwerkelijk tot stand zal komen, is er geen grond voor het oordeel dat deze argumenten buiten het geding dienen te blijven.

Verder zijn deze argumenten naar voren gebracht naar aanleiding van nieuwe feiten ten opzichte van de door de rechtbank vernietigde vorige beslissing op bezwaar van 9 november 1999, namelijk het ontwerp-bestemmingsplan en het advies daarover van de PPC.

De terzake van deze argumenten door verweerder en vergunninghouders opgeworpen excepties falen derhalve.

5.3.2

In het advies van de PPC van 16 juni 2000 is op een aantal onderdelen het ontwerp-bestemmingsplan voorzien van de aantekening "G2" en op één punt van de aantekening "G1", hetgeen betekent dat goedkeuring door gedeputeerde staten van Zuid-Holland als bedoeld in artikel 28 van de WRO afhankelijk is van een nadere motivering door de raad van de gemeente Zoetermeer, respectievelijk wijziging van het ontwerp-bestemmingsplan.

Met uitzondering van de kwestie van de ontsluiting van het plangebied Oosterheem, waarover de rechtbank hieronder komt te spreken, zien de aantekeningen van de PPC niet op de onderdelen van het bestemmingsplan waarop met het thans bestreden besluit vooruit wordt gelopen.

Evenmin is gebleken dat indien goedkeuring aan de door de PPC aangeduide onderdelen mocht worden onthouden, dit consequenties zal hebben voor de plandelen waarop thans vooruit wordt gelopen.

Verder stelt de rechtbank vast dat namens gedeputeerde staten van Zuid-Holland ter zitting is verklaard dat gelet op de inhoud van het in deze procedure door verweerder ingediende verweerschrift, aan de kritiek van de PPC in voldoende mate tegemoet zal kunnen worden gekomen om goedkeuring van het bestemmingsplan mogelijk te maken.

5.3.3

5.3.3.1

Ten aanzien van de beoogde ontsluiting van het bestemmingsplangebied overweegt de rechtbank als volgt.

Vast staat dat het bestemmingsplan, met inbegrip van het gedeelte waarop thans wordt vooruitgelopen, geen rechtskracht zal kunnen verkrijgen indien de ontsluiting van het gehele plangebied planologisch niet goed is geregeld en er onvoldoende zicht is op tijdige realisering van de geplande ontsluiting.

5.3.3.2

De PPC heeft bij dit onderdeel van het ontwerp-bestemmingsplan opmerkingen gemaakt zowel ten aanzien van de ruimtelijke uitstraling als de financiële onderbouwing. De opmerkingen van de PPC over de ruimtelijke aspecten van de geprojecteerde ontsluiting zijn vooral ingegeven door de omstandigheid dat deze gedeeltelijk afhankelijk is van het realiseren van verkeerstechnische voorzieningen op het grondgebied van de gemeente Bleiswijk.

5.3.3.3

Van groot belang voor het feitelijk tot stand brengen van de beoogde ontsluitingssstructuur is de aansluiting van de daarvoor geprojecteerde Verlengde Australiëweg op de N209. Deze aansluiting moet worden aangelegd op Bleiswijks grondgebied. De N209 zal alleen dan het van de Verlengde Australiëweg afkomstige verkeer adequaat kunnen verwerken indien de N209 daarvoor wordt aangepast en met name de aansluiting daarvan op de A12 wordt gereconstrueerd. Ook deze aanpassing en reconstructie dienen op Bleiswijks grondgebied te worden uitgevoerd.

De gemeente Bleiswijk staat op verkeerskundige gronden op het standpunt dat de aansluiting van de Verlengde Australiëweg op de N209 eerst dan kan worden gerealiseerd indien de beoogde eindreconstructie van de N209 en de aansluiting daarvan op de A12 is gerealiseerd.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat deze gemeente de daartoe noodzakelijke medewerking (planologisch en anderszins) verleent en zal blijven verlenen, overeenkomstig het op 9 november 1999 daartoe gesloten convenant. Het voorbereiden van het daarvoor noodzakelijke nieuwe bestemmingsplan in de gemeente Bleiswijk is reeds in gang gezet en dit plan zal naar verwachting ruimschoots op tijd, dat wil zeggen uiterlijk 31 december 2002, zijn afgerond.

Gebleken is dat ook overigens geen planologische beletselen aanwezig zijn om deze aansluiting te realiseren.

Gelet hierop heeft verweerder bij het nemen van het bestreden besluit er op goede gronden van uit kunnen gaan dat hij aan deze opmerking van de PPC wat de ruimtelijke aspecten betreft voldoende tegemoet kan komen om goedkeuring van het bestemmingsplan op dit onderdeel te kunnen verkrijgen.

5.3.3.4

Omtrent de financiële kant van de opmerking van de PPC over de geplande ontsluiting overweegt de rechtbank als volgt.

De brief van 18 september 2000 van het college van burgemeester en wethouders kan, naar uit de toelichting van burgemeester Lamers ter zitting is gebleken, niet zo worden opgevat dat op het convenant wordt teruggekomen. Met deze brief is vooral beoogd aan te geven dat realisering van de reconstructie van de N209 en de aansluiting van de Verlengde Australiëweg feitelijk afhankelijk is van de beschikbaarstelling van financiële middelen, waarvan het niet zeker is dat die voor 2010 beschikbaar zullen komen. Daarmee sluit deze brief aan bij de opmerkingen van de PPC.

In totaal voorziet het bestemmingsplan Oosterheem in de bouw van ongeveer 8.500 woningen alsmede de aanleg van een bedrijventerrein van 25 ha, een en ander met de bijbehorende infrastructuur. In het plan is alleen ten aanzien van de uit de PKB-VINEX voortvloeiende woningbouwtaakstelling een realiseringsdatum gesteld die vóór het einde van de uit artikel 33 van de WRO volgende planperiode van 10 jaar is gelegen, namelijk dat in 2005 6.000 woningen gerealiseerd dienen te zijn. Voor het overige is geen termijn aan de realisering van het bestemmingsplan gesteld. Hieruit volgt dat de volledige ontsluitingsstructuur zoals die in het bestemmingsplan is voorzien ook niet eerder gereed hoeft te zijn dan aan het eind van de planperiode. Daarbij overweegt de rechtbank nadrukkelijk dat de Verlengde Australiëweg weliswaar een belangrijk onderdeel vormt van de totale ontsluiting van het gehele plangebied Oosterheem, maar dat een belangrijk deel van het door de realisering van dit plangebied gegenereerde verkeer langs andere wegen zal worden aan- en afgevoerd, zodat verwezenlijking van onderdelen van het plangebied niet noodzakelijkerwijs afhankelijk is van de Verlengde Australiëweg.

5.3.3.5

Uit het vorenstaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat doorslaggevend is of er voldoende uitzicht is op realisering van de aansluiting van de Verlengde Australiëweg en de daarvoor noodzakelijke reconstructie van de N209 binnen de periode waarin het gehele bestemmingsplan Oosterheem 2000 moet zijn gerealiseerd.

Gelet op de terzake ter zitting gegeven toelichting en met name de stellingname van gedeputeerde staten hierover, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de financiering van de reconstructie van de N209 zodanig onzeker is dat daardoor realisering van deze reconstructie en de aansluiting van de Verlengde Australiëweg niet voor het einde van de planperiode te verwachten valt. Ook in zoverre heeft verweerder zich daarom bij het nemen van het bestreden besluit op goede gronden op het standpunt gesteld dat aan de opmerking van de PPC voldoende tegemoet kan worden gekomen.

5.3.4

Op grond van het in de dossiers aanwezige kaartmateriaal en de ter zitting gegeven toelichting is de rechtbank van oordeel dat de in het bestemmingsplan voorziene afstanden tussen de bedrijven van eisers sub 1 en 2 en de geprojecteerde woningbouw waarop het thans bestreden besluit ziet voldoende zijn om niet aan goedkeuring in de weg te staan.

5.3.5

Uit het vorenstaande volgt dat naar het oordeel van de rechtbank er ten tijde van het nemen van het bestreden besluit voldoende uitzicht was op het verkrijgen van rechtskracht van het bestemmingsplan Oosterheem 2000 om anticipatie daarop te kunnen rechtvaardigen.

5.4.

De rechtbank heeft in haar uitspraak van 19 juli 2000 de met het in geding zijnde deelplan gemoeide urgentie reeds als zwaarwegend beoordeeld.

Tussen het toen in geding zijnde besluit en het thans bestreden besluit hebben zich geen omstandigheden voorgedaan die deze urgentie minder zwaarwegend maken, integendeel, naar het oordeel van de rechtbank is de urgentie nog toegenomen, met name voor de realisering van de woningen waarvoor aan Vidomes bouwvergunning is verleend.

5.5

5.5.1

Uit het vorenstaande volgt dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat aan de voorwaarden voor het mogen toepassen van artikel 19 WRO ten tijde van het thans bestreden besluit wel is voldaan.

Aan de toepassing van deze bevoegdheid dient tevens een deugdelijke afweging van belangen ten grondslag te liggen.

5.5.2

De belangen die zijn gemoeid met het thans bestreden besluit vloeien primair voort uit de taakstelling van de PKB-VINEX.

Verder zijn de belangen gemoeid met de bouw van de woningen waarvoor aan Vidomes vergunning is verleend in de stukken voldoende uiteengezet.

Deze belangen zijn op zichzelf ook niet (gemotiveerd) door eisers bestreden.

5.5.3

De rechtbank stelt vast dat de aansluiting van de Verlengde Australiëweg op de N209 nog niet nodig is ten behoeve van het deelplan waarop het thans bestreden besluit ziet. De ontsluiting daarvan is namelijk al gerealiseerd via vooral de Oostweg en de Verlengde Oostweg, die reeds zijn aangelegd.

Dat de Verlengde Australiëweg wellicht pas geruime tijd na de realisering van deelplan 1 gereed zal komen brengt daarom, anders dan eisers betogen, niet mee dat daardoor de Zegwaartseweg, althans het gedeelte waaraan zij woonachtig zijn, als ontsluitingsroute zal gaan fungeren.

De rechtbank ziet mede daarom geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de verwachting dat de verkeersintensiteit op het door eisers bewoonde gedeelte van de Zegwaartseweg zal afnemen, mede omdat verweerder zich bij herhaling uitdrukkelijk bereid heeft verklaard, in overleg met eisers, de daartoe noodzakelijke verkeersmaatregelen te nemen. Het moet er daarom voor worden gehouden dat de verkeersintensiteit op dit weggedeelte zal afnemen en niet zal toenemen, althans niet in betekenende mate, ook niet als gevolg van de realisering van het thans in geschil zijnde deelplan. Ter zitting is gebleken dat hoogstens een toename met 150 voertuigbewegingen per etmaal, ongeveer 3% van de huidige verkeersintensiteit, valt te vrezen

5.5.4

Voor zover de bouw van de in het bestreden besluit voorziene woningen meebrengt dat eisers sub 1 en 2 nadere voorzieningen moeten treffen uit hoofde van de Wet milieubeheer respectievelijk in eventuele uitbreidingsmogelijkheden van hun bedrijven worden beperkt, heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat deze belangen niet opwegen tegen de met de bouw van deze woningen gemoeide belangen.

5.5.5

Uit het vorenstaande volgt dat er geen grond is voor het oordeel dat verweerder bij afweging van alle betrokken belangen niet in redelijkheid heeft mogen besluiten dat de nadelige gevolgen voor eisers van toepassing van artikel 19 van de WRO in dit geval niet onevenredig zijn in verhouding tot de met die toepassing gemoeide belangen.

5.6

5.6.1

De met toepassing van de vrijstellingen krachtens artikel 19 van de WRO verleende bouwvergunningen voldoen aan het ontwerp-bestemmingsplan zoals dat op 22 augustus 2000 voorlag, met uitzondering van enkele hoekwoningen.

Bij de aanbieding van het ontwerp-bestemmingsplan aan de gemeenteraad van Zoetermeer is tevens een wijzigingsvoorstel ingediend, waarin het ontwerp-bestemmingsplan op dit punt wordt aangepast. Gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 maart 1997, nummer R03.93.5924 (Roermond), voor zover bekend niet gepubliceerd, kan in deze situatie worden getoetst aan het ontwerp-bestemmingsplan zoals dat bij het wijzigingsvoorstel is aangepast.

De rechtbank constateert overigens dat het ontwerp-bestemmingsplan op 25 september 2000, met inbegrip van het wijzigingsvoorstel, door de gemeenteraad van Zoetermeer is vastgesteld, zodat thans de verleende bouwvergunningen geheel in overeenstemming zijn met het vastgestelde bestemmingsplan.

5.6.2

Gesteld noch gebleken is dat één van de andere, in artikel 44 van de Woningwet genoemde weigeringsgronden zich voordoet ten aanzien van de verleende bouwvergunningen.

5.7

Gelet op het vorenstaande dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard. Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.

6. Beslissing.

De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

Verklaart de beroepen ongegrond.

7. Rechtsmiddel.

Onverminderd het bepaalde in artikel 6:13, juncto artikel 6:24 Awb kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan tegen deze uitspraak binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Aldus gegeven door mrs. J.L. Verbeek, E.R. Houweling en M.A. Dirks en in het

openbaar uitgesproken op 9 oktober 2000, in tegenwoordigheid van de griffier E.R. Herklots.