Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA7347

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-08-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 99/9063, 99/9065
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2000/272
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Haarlem

enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken

U I T S P R A A K

artikel 8:77 Algemene Wet Bestuursrecht (Awb)

artikel 33a Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nrs: AWB 99/9063 S1813 H

AWB 99/9065 S1813 H

inzake: 1. A

2. B

3. C,

allen wonende te Sri Lanka, eisers,

gemachtigde: mr. S.R. Kwee, advocaat te Rotterdam;

tegen: de Minister van Buitenlandse Zaken, verweerder,

gemachtigde: mr. B. Hoepelman, werkzaam bij de onder de Minister van Justitie ressorterende Immigratie- en

Naturalisatiedienst te 's-Gravenhage.

1. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

1.1 Eiseres, geboren op [...] 1961, eiser sub 1, geboren op [...] 1986 en eiser sub 2, geboren op [...] 1980, hebben de Srilankaanse nationaliteit. Eiseres sub 1 en eisers sub 2 en sub 3 zijn, naar gesteld, de echtgenote en twee

zonen van D,

geboren op [...] 1948, van Srilanakaanse nationaliteit (hierna te noemen: referent). Referent is op 17 maart 1997 hier te lande als vluchteling toegelaten. Op 12 december 1997 heeft referent ten behoeve van eisers aanvragen

ingediend om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf. Bij afzonderlijke besluiten van 9 februari 1998 heeft verweerder deze aanvragen niet ingewilligd.

Tegen deze besluiten zijn geen rechtsmiddelen aangewend.

1.2 Op 29 juni 1998 heeft referent ten behoeve van eisers andermaal aanvragen ingediend om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf. Bij afzonderlijke besluiten van 10 februari 1999 heeft verweerder deze aanvraag niet

ingewilligd. Eisers hebben op 9 maart 1999 afzonderlijke bezwaarschriften ingediend tegen de niet-inwilligingen van de aanvragen. Referent is op 17 juni 1999 door een ambtelijke

commissie gehoord. Bij afzonderlijke besluiten van 27 september 1999 zijn de bezwaarschriften ongegrond verklaard.

1.3 Op 22 oktober 1999 hebben eisers tegen deze beslissingen beroep ingesteld bij de rechtbank. Het beroepschrift is op 26 november 1999 nader aangevuld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in

zijn verweerschrift geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

1.4 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 31 mei 2000. Ter zitting hebben eiser en verweerder bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader uiteengezet.

2. OVERWEGINGEN

2.1 In dit geding dient te worden beoordeeld of de

ongegrondverklaringen van het bezwaar in rechte stand kunnen houden. Daartoe moet worden bezien of deze besluiten de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kunnen doorstaan.

De onderbouwing van de aanvragen

2.2 Eisers leggen aan de aanvragen om afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf en het onderhavige beroep ten grondslag dat zij in aanmerking komen voor de afgeleide vluchtelingenstatus of een vergunning tot verblijf met als

doel: "verblijf bij echtgenoot respectievelijk vader D".

2.3 Referent heeft op 10 april 1992 hier te lande aanvragen om toelating als vluchteling en om verlening van een vergunning tot verblijf ingediend. Op 24 juli 1994 is aan referent een vergunning tot verblijf verleend, met ingang van

1 september 1992 en geldig tot 1 september 1995. Op 17 maart 1997 is referent hier te lande als vluchteling toegelaten. Referent heeft gezondheidsproblemen.

De bestreden besluiten en de standpunten van partijen

2.4 Voor de standpunten van eisers en verweerder verwijst de rechtbank kortheidshalve naar het aan deze uitspraak gehechte aanvullend beroepschrift en de besluiten op bezwaar.

2.5 Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd, zoals weergegeven in het zich bij de stukken bevindende verweerschrift en ter zitting zijn ingenomen standpunt gehandhaafd.

Wettelijk kader

2.6 Ingevolge artikel 33d Vw worden beschikkingen omtrent de afgifte van visa of machtigingen tot voorlopig verblijf, gegeven krachtens het Souverein Besluit van 12 december 1813 (Stcrt. 1814, 4), voor de toepassing van de

wettelijke voorschriften van bezwaar en beroep gelijkgesteld met beschikkingen aangaande toelating, gegeven op grond van de Vreemdelingenwet.

2.7 De verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf kan, evenals een vergunning tot verblijf ingevolge artikel 11, vijfde lid, Vw, aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend. De gronden

voor afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf zijn, zoals blijkt uit hoofdstuk A4/5.3 van de Vreemdelingencirculaire 1994 (Vc), gelijk aan die voor afgifte van een vergunning tot verblijf.

2.8 De Staatssecretaris van Justitie voert met het oog op de bevolkings- en werkgelegenheidssituatie hier te lande bij de toepassing van dit artikellid een beleid waarbij vreemdelingen in het algemeen -behoudens verplichtingen

voortvloeiende uit internationale overeenkomsten- slechts voor verlening van een vergunning tot verblijf in aanmerking komen, indien met hun verblijf hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend of indien er sprake is

van klemmende redenen van humanitaire aard.

Dit beleid is neergelegd in de Vreemdelingencirculaire 1994 (Vc).

Beoordeling van de beroepen

2.9 De rechtbank ziet zich in de onderhavige zaken allereerst voor de vraag gesteld of het standpunt van verweerder dat eisers geen nieuwe feiten en omstandigheden hebben aangevoerd in rechte kan stand houden. De rechtbank is van

oordeel dat zulks niet het geval is. Redengevend is in de eerste plaats dat niet vaststaat dat eisers van de eerdere afwijzende beschikking van verweerder d.d.

9 februari 1998 hebben kennis genomen. Voorts heeft referent ter adstructie van de door hem ingediende aanvraag een aantal documenten ingediend op grond waarvan niet kan worden gezegd dat eisers geen nieuwe feiten en omstandigheden

hebben aangevoerd in vergelijking van de eerdere aanvraag.

2.10 Het gaat om de volgende bescheiden:

a) een op [...] 1996 door de Nederlande Ambassade te

Colombo gelegaliseerde "Rgeister of Marriages, no. [...], waaruit blijkt dat referent en eiseres op [...] 1978 in

het huwelijk zijn getreden;

b) een op [...] 1996 door de Nederlande Ambassade te

Colombo gelegaliseerde "Certificate of Birth", no. [...], waaruit blijkt dat referent in de hoedanigheid van vader op [...] 1980 aangifte heeft gedaan van de geboorte van eiser sub 2;

c) een op [...] 1996 door de Nederlande Ambassade te

Colombo gelegaliseerde "Certificate of Birth", no. [...], waaruit blijkt dat referent in de hoedanigheid van vader op [...] 1986 aangifte heeft gedaan van de geboorte van eiser sub 1;d) een op [...] 1997 door de Nederlande Ambassade

te Colombo gelegaliseerde verklaring d.d. [...] 1997, inhoudende dat eisers sub 1 en 2 de zoons zijn van referent en eiseres.

2.11 De hier genoemde gelegaliseerde documenten hebben ertoe geleid dat het huwelijk van eiseres en referent op 6 oktober 1998 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente Rotterdam is vermeld als

rechtsfeit. Voorts heeft de registratie van de (gelegaliseerde) aktes van eisers in de basisadministratie mede geleid tot de toekenning van

kinderbijslag door de Sociale Verzekeringsbank aan referent.

De genoemde documenten zijn dus toegelaten tot de Nederlandse rechtsorde.

2.12 Ondanks deze omstandigheden ziet verweerder in de onderhavige zaak onvoldoende aanleiding om de familierechtelijke relatie tussen eisers en referent aan te nemen. Verweerder blijft vasthouden aan hetgeen referent op 6 mei 1992

heeft verklaard in het kader van zijn asielaanvraag, nl. dat hij niet was getrouwd en alleen plannen had om in het huwelijk te treden.

Voorts heeft verweerder referent tegengeworpen dat hij pas op 12 december 1997 een aanvraag heeft ingediend en dat de

leeftijd van referent op zijn geboorteakte niet overeenkomt met die in zijn huwelijksakte. Tenslotte werpt verweerder eisers tegen dat referent tijdens het gehoor van de ambtelijke commissie niet heeft kunnen vertellen wanneer

eiseres jarig is, wanneer hij in het huwelijk is getreden en wanneer zijn kinderen zijn geboren.

2.13 De rechtbank is ondanks deze tegenwerpingen tot het oordeel gekomen dat verweerder in redelijkheid niet heeft kunnen beslissen dat de familierechtelijke relatie niet aannemelijk is op de enkele basis van de verklaringen van

referent.

Verweerder gaat naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte voorbij aan de omstandigheid dat referent een aantal

gelegaliseerde documenten heeft overgelegd. Blijkens de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 februari 1999 (gepubliceerd in JV 1999, 76) dient onder legalisatie te worden verstaan het door een

bevoegde Nederlandse autoriteit voor echt verklaren van het

desbetreffende document, opdat dat document kan worden

toegelaten tot de Nederlandse rechtsorde. De beslissing wordt tot uitdrukking gebracht door middel van het plaatsen van een verklaring (stempel) op het document. De beslissing tot

legalisatie is veelal gebaseerd op een onderzoek naar de handtekening en/of stempels van de plaatselijke autoriteiten op het desbetreffende stuk. Het gaat om de echtheid van de (uitwendige) vorm van het document. Legalisatie heeft,

aldus bedoelde uitspraak, bewijsrechtelijk gevolg: het

gelegaliseerde document heeft bewijskracht en kan in

voorkomende gevallen als bewijs worden gebruikt; het erin opgenomen feitencomplex wordt voor juist aangehouden.

2.14 Blijkens de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 11 mei 2000 (gepubliceerd in JV 2000,

116) volgt verweerder voorts het beleid, zoals neergelegd in de - ten tijde van de bestreden beslissing geldende -

circulaire van de Staatssecretaris van Justitie aan de

ambtenaren van de burgelijke stand en de gemeentelijke

basisadministratie van 8 mei 1996 met kenmerk 555949/96/9 (C4, bijlage 1, Vc 1994), dat voor aangeboden documenten uit de landen Ghana, Nigeria, India, Pakistan en de Dominicaanse Republiek verificatie van de inhoud van het document

plaatsvindt alvorens tot legalisatie kan worden overgegaan.

Bij dit beleid geldt dat op een aanvrager de last rust om aan te tonen dat de inhoud van een document deugdelijk is. De aanvrager dient in beginsel met ondersteunende, uit objectieve bronnen afkomstige gegevens de inhoud van het ter

legalisatie aangeboden document aannemelijk te maken. Dit beleid acht de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State in het algemeen niet kennelijk onredelijk of anderszins rechtens onjuist.

2.15 Uit hetgeen hiervoor is weergegeven, in onderling verband en samenhang bezien, volgt naar het oordeel van de rechtbank dat, behoudens de door de Staatssecretaris van Justitie aangewezen landen, op grond van de legalisatie van

een document kan worden verondersteld dat ook de inhoud van het betreffende document voor echt mag worden aangenomen en dat in een

vreemdelingrechtelijke procedure bij twijfel aan de echtheid van de inhoud van een gelegaliseerd document de bewijslast op het betreffende bestuursorgaan rust om aan te tonen dat de inhoud niet juist is en niet op de vreemdeling.

2.16 In het onderhavige geval staat vast dat de door referent overgelegde documenten, zoals hiervoor sub 2.10 weergegeven, zijn gelegaliseerd en dat zij reeds tot de Nederlandse

rechtsorde zijn toegelaten. Voorts staat vast dat Sri Lanka niet behoort tot de door de Staatssecretaris van Justitie aangewezen vijf probleemlanden. In het licht van al het

vorenoverwogene en in aanmerking genomen het belang dat blijkens het door de Staatssecretaris van Justitie gevoerde beleid wordt gehecht aan het vereiste van legalisatie - een materiële voorwaarde voor toelating - heeft verweerder

in het kader van de op hem rustende bewijslast niet enkel kunnen volstaan met het tegenwerpen van de door referent in een eerder stadium afgelegde verklaring (waarvoor referent een redelijke verklaring heeft gegeven) tijdens de

asielprocedure en zou het hoogstens in de rede hebben gelegen een

verificatieonderzoek in te stellen.

2.17 Voorts is de rechtbank, onder verwijzing naar de uitspraak van de nevenzittingsplaats Amsterdam van 15 december 1997

(gepubliceerd in JV 1998, S17), van oordeel dat in het kader van de uitleg en toepassing van het begrip nareis binnen redelijke termijn, zoals neergelegd in paragraaf B17/1.1. Vc 1994, uit de bestreden beslissing niet blijkt of en

in

hoeverre verweerder de daarbij relevant te achten

omstandigheden bij de beoordeling heeft betrokken en

meegewogen en daarover een standpunt heeft bepaald. Verweerder heeft slechts gekeken naar de termijn waarop na de toelating als vluchteling op 17 maart 1997 de aanvragen om verlening van een machtiging tot verblijf zijn ingediend,

te weten

12 december 1997. De rechtbank acht van belang dat uit de stukken blijkt dat referent meer dan drie jaar in gevangenschap heeft doorgebracht in Sri Lanka, dat hij sedert zijn aanvraag tot vluchteling 5 jaar lang op uitsluitsel heeft

moeten wachten en dat vaststaat dat zijn gezondheidstoestand niet optimaal is, referent lijdt aan epilepsie en stond voorts in 1994 onder behandeling van de Riagg. Hierbij komt dat de door referent overgelegde aktes al in december

1996 zijn gelegaliseerd, terwijl voorts in elk geval al namens referent op 25 september 1997 een aanzet is gegeven om de desbetreffende aanvragen in te dienen.

2.18 Uit het voorgaande volgt dat de bestreden besluiten onzorgvuldig zijn voorbereid en een draagkrachtige motivering ontberen. Het beroep is mitsdien gegrond. De overige

aangevoerde grieven behoeven derhalve geen bespreking. De bestreden besluiten van 27 september 1999 zullen worden

vernietigd. De rechtbank ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:72, vierde lid, Awb, aangezien geen sprake is van een situatie waarin rechtens nog slechts één besluit op bezwaar mogelijk is.

Verweerder zal derhalve worden opgedragen om binnen een termijn van tien weken opnieuw te beslissen op de bezwaarschriften van 9 maart 1999, met inachtneming van hetgeen is overwogen in deze

uitspraak.

2.19 In dit geval ziet de rechtbank aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten, zulks met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De

kosten zijn op voet van het bepaalde in het bovengenoemde Besluit vastgesteld op f 1.420,-- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

2.20 Uit de gegrondverklaring volgt dat verweerder het betaalde griffierecht ad f 225,-- dient te vergoeden.

3. BESLISSING

De rechtbank:

3.1 verklaart de beroepen gegrond;

3.2 vernietigt de bestreden besluiten van 27 september 1999;

3.3 draagt verweerder op binnen een termijn van tien weken opnieuw te beslissen op de bezwaarschriften van 9 maart 1999, met inachtneming van hetgeen is overwogen in deze uitspraak;

3.4 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad f 1.420,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan eisers moet voldoen;

3.5 wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad f 225,--.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.S. Korteweg-Wiers, lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken, en uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2000, in tegenwoordigheid van

mr. J. van de Kolk als griffier.

afschrift verzonden op: 10 augustus 2000

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.