Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA7278

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-05-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 00/4884
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Vreemdelingenkamer

__________________________________________________

UITSPRAAK ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht juncto artikel 34a Vreemdelingenwet

__________________________________________________

Reg.nr: AWB 00/4884 VRWET

Inzake: A, thans verblijvende in het Huis van Bewaring te Nieuwegein, hierna te noemen de vreemdelinge,

gemachtigde mr. M.C. Zuidweg, advocaat te Delft,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. D. Kuiper, ambtenaar ten departemente.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

De vreemdelinge stelt te zijn geboren op [...] 1965 en de Soedanese nationaliteit te hebben.

Op 1 mei 2000 is de vreemdelinge in bewaring gesteld met toepassing van het bepaalde in artikel 26, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet (Vw). Op 9 mei 2000 is het verzoek om toelating van de vreemdelinge niet

ingewilligd wegens kennelijke ongegrondheid, en heeft verweerder de vreemdelinge vervolgens op 10 mei 2000 met toepassing van het bepaalde in artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a, Vw in bewaring gesteld.

Op 4 mei 2000 heeft de vreemdelinge tegen de vrijheidsontnemende maatregel beroep ingesteld en tevens verzocht om een schadevergoeding.

Openbare behandeling van dit beroep heeft plaatsgevonden op 11 mei 2000.

De vreemdelinge is aldaar verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Tevens was ter zitting een tolk in de Engelse taal aanwezig.

II. OVERWEGINGEN

Ter beoordeling staat of de toepassing of tenuitvoerlegging van de onderhavige maatregel tot vrijheidsontneming in strijd is met de Vreemdelingenwet, dan wel bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet

gerechtvaardigd is te achten.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de vreemdelinge tot vier maal is gehoord in het kader van de door haar ingediende asielaanvraag.

De vreemdelinge heeft verweerder tijdens deze gehoren niet kunnen overtuigen dat zij afkomstig is uit Soedan, waarop verweerder na afloop van het laatste gehoor op 1 mei 2000 tot de conclusie is gekomen dat sprake zou zijn van

manifest bedrog. Het belang van de openbare orde vorderde derhalve de inbewaringstelling van de vreemdelinge.

De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Onder manifest bedrog wordt door verweerder verstaan het doelbewust misleiden van de Nederlandse autoriteiten door een asielzoeker, teneinde te bewerkstelligen dat betrokkene verblijf wordt toegestaan, terwijl zulks bij bekendheid

met de juiste gegevens niet het geval zou zijn.

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat in geval van manifest bedrog de openbare orde in geding kan zijn. In het onderhavige geval is de rechtbank echter van oordeel dat van zodanig manifest bedrog, dat de vreemdelinge in

verband met het daaruit voortvloeiende gevaar voor de openbare orde in bewaring kan worden gesteld, geen sprake is.

Verweerder baseert zijn conclusie dat sprake is van manifest bedrog op

hetgeen de vreemdelinge in het eerste gehoor en het aanvullend eerste gehoor op 17 januari 2000, het nader gehoor op 19 januari 2000, het aanvullend gehoor op 8 februari 2000 en het aanvullend gehoor van 1 mei 2000 heeft verklaard.

Aan verweerder kan wel worden toegegeven dat het asielrelaas, zoals dit uit de rapporten naar voren komt op zijn minst niet erg aannemelijk is, maar evenzeer komt uit deze rapporten naar voren dat, hoewel de vreemdelinge heeft

aangegeven dat zij in de Engelse taal kan worden gehoord, zij deze taal slechts in gebrekkige mate beheerst. Voorts blijkt dat niet kon worden achterhaald welke taal de vreemdelinge wel beheerst. De vreemdelinge is daarom niet in de

gelegenheid geweest in een taal die zij redelijk goed beheerst over de motieven voor haar asielaanvraag te worden gehoord. Dit betekent dat niet kan worden uitgesloten dat de vreemdelinge (een deel van) de vragen niet heeft begrepen

en haar antwoorden niet goed heeft kunnen verwoorden. Verweerders oordeel dat op grond van hetgeen de vreemdelinge volgens de verslagen van de bovengenoemde verhoren heeft aangegeven moet worden aangenomen dat zij uit Nigeria komt,

deelt de rechtbank niet.

Nu, naast de hiervoor gesignaleerde twijfel over de vraag of een adekwaat gehoor van de vreemdelinge heeft plaatsgevonden, moet worden geconcludeerd dat de vreemdelinge zich sedert haar komst naar Nederland aan de bepalingen

aangaande het toezicht op vreemdelingen heeft gehouden en er geen bijzondere omstandigheden zijn aan te wijzen op grond waarvan moet worden aangenomen dat zij zich, nog voor zij kennis heeft kunnen nemen van en reageren op het

verslag van het gehoor en de beslissing op haar asielverzoek, aan dit toezicht zal onttrekken, is de rechtbank van oordeel dat verweerder de vreemdelinge ten onrechte in bewaring heeft gesteld.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de toepassing en tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw.

Het beroep dient derhalve gegrond te worden verklaard en de bewaring dient te worden opgeheven.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen, met dien verstande dat aan de vreemdelinge een schadevergoeding wordt toegekend over de onrechtmatige bewaring vanaf 1 mei 2000 tot

de dag van opheffing van de maatregel op 11 mei 2000.

Het te vergoeden bedrag is vastgesteld op f. 1.600,-- (2 x f. 200,-- verblijf in politiecel en 8 x f. 150,-- verblijf in Huis van Bewaring).

De rechtbank ziet in dit geval tevens aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de door de vreemdelinge gemaakte proceskosten.

Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op f. 1.420,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt f. 710,-- en

wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van de vreemdelinge een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient de betaling van dit bedrag ingevolge artikel 8:75, tweede lid Awb te geschieden aan de griffier van

de rechtbank.

III. BESLISSING

De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage:

RECHTDOENDE:

1. verklaart het beroep gegrond;

2. beveelt de opheffing van de maatregel tot vrijheidsontneming ex artikel 26 Vw van de vreemdelinge met ingang van 11 mei 2000;

3. kent aan de vreemdelinge een schadevergoeding toe van f. 1.600,-- ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de rechtbank;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten ad f. 1.420,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier dient te vergoeden.

IV. RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open voor zover het

betreft het beroep tegen het bevel tot in bewaringstelling. Voor zover het betreft de beslissing op het verzoek om schadevergoeding staat tegen deze uitspraak hoger beroep open bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage.

De Officier van Justitie kan binnen veertien dagen na de uitspraak en de vreemdeling binnen een maand na de betekening van de uitspraak hoger beroep instellen door het indienen van een verklaring als bedoeld in de artikelen 449 en

451a Wetboek van Strafvordering bij de

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage.

Aldus gedaan door mr. E. Kouwenhoven en uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2000, in tegenwoordigheid van J.J. Brands, griffier.

afschrift verzonden op: 31 mei 2000