Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA7273

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-06-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 00/6391, 00/6392
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Mondelinge uitspraak
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 'S GRAVENHAGE

Vreemdelingenkamer

Fungerend president

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak ingevolge de artikelen 8:84, eerste lid, juncto 8:67 Algemene wet bestuursrecht en 33a en 33b Vreemdelingenwet

Reg.nr.: AWB 00/6391 en 00/6392 VRWET

Inzake: A en B,

verblijvende te C, verzoekers,

gemachtigde mr. C.J. Schoorl,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. M.C.E.G. Kamminga.

1. ZITTING

Datum: 23 juni 2000.

Ter zitting zijn verschenen verzoekers in persoon, bijgestaan door hun gemachtigde, en verweerder bij gemachtigde.

Zitting hebben:

mr. G.P. Kleijn, president,

drs. F.J.M. van den Berg, griffier.

Na het onderzoek ter zitting te hebben gesloten, heeft de president partijen meegedeeld dat op woensdag 28 juni 2000 om 12.00 uur uur mondeling uitspraak wordt gedaan. De uitspraak luidt als onder 3.

vermeld.

2. OVERWEGINGEN

In geschil is de dreigende verwijdering van verzoekers, die zijn geboren op [...] 1963 respectievelijk [...] 1963 en de Srilankaanse nationaliteit bezitten, als gevolg van de niet-inwilligingen van 10 juni 2000 van hun aanvragen om

toelating als vluchteling.

De president stelt voorop dat de rechtbank, zittinghoudende te Haarlem, bij uitspraak van 22 maart 2000, verzonden op 6 april 2000 (registratienummers AWB 99/1670 en 99/385), het beroep van verzoekers van 25 februari 2000 met

betrekking tot hun vorige aanvragen ongegrond heeft verklaard. De beslissing op die aanvragen is derhalve in rechte onaantastbaar geworden. Het geding heeft zich toegespitst op de vraag of de algemene situatie in Sri Lanka thans

zodanig is dat uitzetting van verzoekers achterwege dient te blijven.

Verzoekers hebben in dit verband onder meer een beroep gedaan op:

- een uitspraak van deze rechtbank, zittinghoudende te Zwolle, van 31 mei 2000 (registratienummer Awb 00/5434 VRWET);

- een uitspraak van deze rechtbank, zittinghoudende te Haarlem, van 16 juni 2000 (registratienummers Awb 00/5206, 00/5207 en 00/5208 VRWET);- een brief van de UNHCR van 1 mei 2000;

- e-mailcorrespondentie van 3 mei 2000 en 4 mei 2000 tussen mr. R. Heringa en M. Velautham, advocaat in Colombo en werkzaam bij het Forum for Human Dignity (FHD) en

- een bericht van FHD van 9 juni 2000.

De president is met verweerder van oordeel dat ook indien verzoekers worden gevolgd in hun standpunt dat de Srilankaanse autoriteiten bij terugkeer van verzoekers in Sri Lanka een eventueel aan verzoekers verstrekt laissez-passer

zouden innemen, verzoekers nadien niet behoeven te vrezen dat zij hun identiteit niet kunnen aantonen. Verzoekers

behouden immers ook in dat geval de beschikking over andere documenten waaruit hun identiteit genoegzaam blijkt. Verzoeker heeft blijkens het rapport van gehoor van 24 juni 1994 verklaard in februari 1985 zijn paspoort aan

verweerder te hebben afgegeven toen hij een aanvraag heeft ingediend om toelating als vluchteling. Verzoekster heeft blijkens hetzelfde rapport van gehoor verklaard haar paspoort in Sri Lanka te hebben achtergelaten. Voorts hebben

beiden verklaard te beschikken over bescheiden aan de hand waarvan hun identiteit kan worden vastgesteld.

Verzoeker beschikt over een uittreksel uit het geboortenregister en verzoekster beschikt over een ID-kaart en een uittreksel uit het geboortenregister. Gelet hierop is de president derhalve van oordeel dat in het onderhavige geval

niet noodzakelijk is dat de uitkomst van het nader onderzoek dient te worden afgewacht dat door het Ministerie van Buitenlandse Zaken zou worden gedaan naar aanleiding van de stelling dat op de luchthaven van Colombo de

laissez-passers zouden worden ingenomen.

Wat betreft de door verzoekers aangevoerde persoonlijke redenen om wederom asiel aan te vragen wordt volledigheidshalve overwogen dat de brief waarin de dood van de broer van verzoeker wordt beschreven alsmede de overgelegde

krantenknipsels, reeds ten tijde van hun vorige aanvraag door verzoekers zijn ingebracht, zodat deze niet als nova kunnen worden aangemerkt. Voorts is een beroep op de algemene situatie in de woonplaats van verzoekers,

Chavakachcheri, op zichzelf niet toereikend voor een gegrond beroep op vluchtelingschap. Tevens is de president met verweerder van oordeel dat niet is gebleken van een causaal verband tussen de dood van de nicht van verzoekster en

de problemen van verzoekers.

Met betrekking tot de stelling van verzoekers dat hun gedwongen terugkeer naar Sri Lanka strijd oplevert met artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), wordt

overwogen dat reeds bij onherroepelijke uitspraak van 22 maart 2000 is geoordeeld dat verzoekers onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat juist zij bij terugkeer in Sri Lanka een verhoogd risico lopen op schending van artikel

3 EVRM. In de onderhavige procedure is een brief van 9 juni 2000 van het FHD overgelegd waarin ondermeer wordt medegedeeld dat er in Kadawatha stoffelijke overschotten zijn gevonden van vier mensen en waarin melding wordt gemaakt

van de betrokkenheid bij arrestaties van onbekende bewapende mannen met een wit busje. De president is van oordeel dat hiermee niet aannemelijk is geworden dat thans ten aanzien van verzoekers concrete gronden bestaan dat zij bij

terugkeer in Sri Lanka worden bedreigd met een in artikel 3 EVRM verboden foltering, behandeling of bestraffing.

Van overige klemmende redenen van humanitaire aard op grond waarvan verweerder aan verzoekers bij afweging van de betrokken belangen een vergunning tot verblijf had moeten verlenen is evenmin gebleken. De overgelegde brief van de

directeur van de school 't Gilde in Purmerend leidt niet tot een ander oordeel. Voorts wordt overwogen dat de door verzoekster overgelegde medische verklaring dateert van 5 januari 1998 en niet is gebleken dat verzoekster zich

sindsdien onder medische behandeling heeft gesteld. Bovendien wordt met verweerder geoordeeld dat de enkele doorverwijzing van verzoekster naar het RIAGG nog niet tot de conclusie kan leiden dat medische behandeling noodzakelijk is.

Verweerder heeft de onderhavige aanvragen om toelating naar het oordeel van de president terecht kunnen beoordelen en afdoen binnen het zogenoemde AC-model.

Op grond van het voorgaande is de president van oordeel dat verweerder terecht besloten heeft de uitzetting niet achterwege te laten. Nu voorts nader onderzoek naar het oordeel van de president redelijkerwijs niet kan bijdragen aan

de beoordeling van de zaken, worden de bezwaren met

toepassing van artikel 33b Vw ongegrond verklaard.

Gegeven de beslissing in de hoofdzaken is er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 Algemene wet bestuursrecht.

Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de president niet gebleken.

3. BESLISSING

De president van de arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage:

1. verklaart de bezwaren ongegrond;

2. wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af.

4. RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Verzonden op: 29 juni 2000