Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA7198

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-06-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 99/10651, 00/1447
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:86, geldigheid: 2000-06-30
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

president

Proces-verbaal van de zitting van 30 juni 2000 inhoudende mondelinge Uitspraak

op grond van artikel 8:84 j° 8:86 Algemene wet bestuursrecht (Awb) j° artikel 33a Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr.: AWB 99/10651 VRWET en AWB 00/1447 VRWET

inzake: A, wonende te B, verzoekster tevens

eiseres,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

I. OVERWEGINGEN

1. Verzoekster, tevens eiseres (hierna ook te noemen: A), geboren op 22 januari 1972, bezit de Filipijnse nationaliteit. Op 7 juni 1999 heeft A bij de korpschef van de regiopolitie Utrecht verlenging van de geldigheidsduur van de

aan haar verleende vergunning tot verblijf met als doel: "verblijf bij echtgenoot C" gevraagd. Bij besluit

van 8 juli 1999 heeft verweerder deze aanvraag buiten behandeling gesteld.

A heeft tegen dit besluit bij bezwaarschrift van 26 juli 1999 bezwaar gemaakt. Verweerder heeft A bij brief van 1 september 1999 meegedeeld dat zij de beslissing op bezwaar niet in Nederland mag afwachten.

2. Bij verzoekschrift van 10 september 1999 heeft A verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat is beslist op bezwaar.

Het bezwaar van A is bij besluit van 27 januari 2000 ongegrond verklaard.

3. Bij beroepschrift van 17 februari 2000, aangevuld bij brief van 29 februari 2000, heeft A tegen dit afwijzende besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij brief van 7 maart 2000 heeft A het petitum van het verzoek om een

voorlopige voorziening gewijzigd. Thans verzoekt zij een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep.

4. De rechtbank heeft partijen meegedeeld het beroep versneld te zullen behandelen. Op 7 april 2000 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 16 juni 2000 heeft

verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep en tot afwijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening.

5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juni 2000. A is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. J.G.M. Dassen, advocaat te Amersfoort. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. drs. C.R. Jansen,

gemachtigde, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van verweerders ministerie. Tevens was ter zitting C, de echtgenoot van A, aanwezig.

6. Verweerder heeft de aanvraag van A om voortgezette toelating buiten behandeling gesteld omdat zij niet in het bezit was van een geldige mvv en zij niet voor vrijstelling van het mvv-vereiste in aanmerking kwam.

A was in het bezit van een vergunning tot verblijf met als doel: 'verblijf bij echtgenoot C". Deze vergunning is voor het laatst verlengd tot 22 maart 1999. De onderhavige aanvraag is ingediend na het verstrijken van de

geldigheidsduur van de aan haar verstrekte vergunning tot verblijf. Mitsdien is de verlengingsaanvraag niet tijdig ingediend en dient de aanvraag te worden beschouwd als een aanvraag om eerste toelating.

7. A heeft aangevoerd dat zij - in tegenstelling tot eerdere keren - geen herinneringsbrief (verder: rappelbrief) heeft ontvangen waarin stond vermeld dat zij haar vergunning tot verblijf diende te verlengen. A heeft terecht mogen

vertrouwen op het door verweerder toezenden van een rappelbrief. Uit kamerstukken blijkt dat er bijzonder veel waarde wordt gehecht aan het rappel-systeem, temeer nu een termijnoverschrijding vergaande gevolgen heeft. Bij de

vreemdelingendienst is aan A medegedeeld dat, door de ingebruikneming van een nieuw computersysteem, er een periode geen rappelbrieven zijn verstuurd. De vreemdelingendienst gaf toe dat er veel gedupeerden waren. Een computerstoring

bij de vreemdelingendienst kan aan A niet worden tegengeworpen. A concludeert dat de termijnoverschrijding op grond van het bovenstaande verschoonbaar is te achten.

8. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de aanvraag op juiste gronden buiten behandeling is gesteld. De enkele omstandigheid dat A (mogelijk) geen rappelbrief heeft ontvangen ter herinnering aan haar belang van een tijdige

verlenging, leidt niet tot een ontheffing van het mvv-vereiste op grond van artikel 52a onder e van het Vreemdelingenbesluit (Vb). A heeft een eigen verantwoordelijkheid bij het verlengen van haar vergunning tot verblijf. Voorts

merkt verweerder op dat het beroep op de hardheidsclausule, zoals neergelegd in artikel 16a, zesde lid, Vw niet slaagt. A was niet in het bezit van een geldige mvv en haar aanvraag is, met toepassing van artikel 4:5 Awb, op juiste

gronden buiten behandeling gesteld.

De president overweegt het volgende.

9. Ingevolge artikel 4:5, eerste lid Awb, kan een aanvraag om een vergunning tot verblijf buiten behandeling worden gesteld indien de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de

aanvraag of indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het

bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag aan te vullen.

10. Ingevolge artikel 16a, eerste lid, Vw, inwerking getreden op 11 december 1998, wordt een aanvraag om een vergunning tot verblijf slechts in behandeling genomen indien de vreemdeling beschikt over een geldige mvv, die aan hem is

afgegeven in zijn land van herkomst of in zijn land van bestendig verblijf.

11. Artikel 16a, vierde lid, Vw juncto artikel 52a, aanhef onder e, Vb, eveneens in werking getreden op 11 december 1998, bepaalt onder meer dat vreemdelingen die niet tijdig een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van hun

vergunning tot verblijf hebben ingediend wegens omstandigheden die hun niet zijn toe te rekenen, kunnen worden vrijgesteld van de eis van het bezit van een geldige mvv.

12. Verweerder voerde ten tijde van de schorsingsbeslissing en van het bestreden besluit het beleid dat een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van een vergunning tot verblijf moet worden ingediend voor het tijdstip waarop

de vergunning haar geldigheid verliest.

13. Het voorgaande heeft onder meer tot gevolg dat per 11 december 1998 elke aanvraag om verlenging, ingediend na voornoemd tijdstip, wordt aangemerkt als een aanvraag om eerste toelating waarbij het ontbreken van een mvv wordt

tegengeworpen.

14. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 16a Vw blijkt dat steeds is benadrukt dat het de eigen verantwoordelijkheid van de vreemdeling is om te zorgen voor een tijdige verlenging van zijn vergunning tot verblijf,

maar dat verweerder daarnaast steeds heeft erkend ook zelf een verantwoordelijkheid te hebben om de vreemdeling te wijzen op het belang van een tijdige verlenging van zijn verblijfsvergunning. Verweerder heeft om die reden immers de

onvoorwaardelijke toezegging gedaan de vreemdeling drie maanden voor het verstrijken van de geldigheidsduur van zijn verblijfsvergunning schriftelijk te herinneren aan het belang dat hij heeft bij een tijdige verlenging. Zoals deze

rechtbank en zittingplaats eerder heeft overwogen in een uitspraak van 14 oktober 1999 (AWB 99/2137 VRWET; Jub 1999, nr. 20-3) is er in situaties als onderhavige sprake van een -door verweerder en de vreemdeling- gedeelde

verantwoordelijkheid.

15. Als niet of onvoldoende weersproken gaat de president er van uit dat de Vreemdelingendienst te Amersfoort geen rappelbrief aan A heeft toegezonden en dat A tenslotte zelf contact met die Vreemdelingendienst heeft opgenomen.

Voorts is niet in geschil dat de aanvraag om verlenging van de voordien aan A verleende vergunning tot verblijf binnen drie maanden na de expiratie van die vergunning is gedaan.

16. De president is van oordeel dat verweerder zich in het onderhavige geval niet van zijn verantwoordelijkheid heeft gekweten, terwijl de mate waarin A in verzuim is geweest - voorzover daar al sprake van is geweest - daar vrijwel

geheel tegen wegvalt. Dit oordeel rechtvaardigt op zichzelf al dat het verzoek om een voorlopige voorziening wordt toegewezen.

17. Daar komt bij dat zich in het afgelopen half jaar ten aanzien van vreemdelingen die, materieel gezien, om voortgezet verblijf verzoeken enkele ontwikkelingen hebben voorgedaan die het ook vanuit de werking van het

consistentiebeginsel onbegrijpelijk maken dat verweerder het bestreden besluit niet heeft ingetrokken, maar er - formeel gesproken - integendeel bij is gebleven dat A Nederland zal dienen te verlaten. Verweerder heeft de Tweede

Kamer immers reeds op 31 januari 2000 meegedeeld voornemens te zijn de mvv-plicht voor die vreemdelingen die om voortgezet verblijf vroegen te laten vervallen. In deze brief deelde verweerder tevens mede voornemens te zijn "na

instemming van Uw Kamer met vorenstaande wijziging van artikel 52a Vb" (..) "beleidsmatig reeds vooruit te lopen op de voorgestelde wijziging". Vervolgens heeft de Tweede Kamer in een Algemeen Overleg van 23 maart 2000 in overgrote

meerderheid aan verweerder doen blijken tegen de voorgestelde wijziging van regelgeving en beleid geen bezwaar te hebben. Zoals mede blijkt uit de brief die verweerder vervolgens op 7 juni 2000 aan de Tweede Kamer heeft gezonden

wordt thans de noodzakelijke wijziging van art. 52a Vb voorbereid. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder tenslotte meegedeeld dat het TBV waarin, vooruitlopend op die wijziging, de beleidsregels voor deze gevallen zullen

zijn neergelegd hoogst waarschijnlijk binnen enkele weken gepubliceerd zal zijn. Het geheel van deze ontwikkelingen brengt met zich dat thans a fortiori niet (meer) valt in te zien welk rechtens te respecteren belang verweerder er

nog bij heeft zich tegen toewijzing van de gevraagde voorziening te verzetten. De omstandigheid dat verweerder - onder verwijzing naar een op "23 maart aanstaande met de Tweede Kamer" te houden overleg - de rechtbank op 29 mei 2000

heeft verzocht de behandeling van het onderhavige verzoek aan te houden doet daar niet aan af.

18. Op grond van het voorgaande dient het verzoek van A te worden toegewezen.

19. Aangezien nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, zal met toepassing van artikel 8:86 Awb tegelijk met de beslissing omtrent de voorlopige voorziening uitspraak gedaan worden in de

hoofdzaak, die is geregistreerd onder nr. AWB 00/1447 VRWET. Op grond van hetgeen hiervoor onder rechtsoverweging II. 15 tot en met 17 is overwogen, zal het beroep gegrond worden verklaard. Het bestreden besluit komt derhalve voor

vernietiging in aanmerking.

20. Nu het verzoek wordt toegewezen en het beroep gegrond wordt verklaard

is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die A in verband met de behandeling van het verzoek en het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken.

Deze kosten zijn begroot op f 2.130,- als kosten van de verleende rechtsbijstand.

21. Ingevolge artikel 8:74, eerste lid Awb, dient het griffierecht te worden vergoed door de rechtspersoon, aangewezen door de rechtbank.

II. BESLISSING:

De president

in de zaak geregistreerd onder nummer AWB 99/10651 VRWET:

1. wijst het verzoek toe in die zin dat verweerder wordt verboden verzoekster uit Nederland te (doen) verwijderen zolang verweerder niet een nieuwe beslissing op bezwaar heeft genomen;

2. veroordeelt verweerder in de kosten van het geding, aan de zijde van verzoekster begroot op f 1.420,- (zegge: veertienhonderd en twintig gulden), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier;

3. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door verzoekster betaalde griffierecht ad f 225,- (zegge: tweehonderd en vijfentwintig gulden).

in de zaak geregistreerd onder nummer AWB 00/1447 VRWET:

1. verklaart het beroep gegrond met toepassing van artikel 8:86 AWB;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder binnen 6 weken een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4. veroordeelt verweerder in de kosten van het geding, aan de zijde van eiseres begroot op f 710,- (zegge: zevenhonderd en tien gulden ), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier;

5. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiseres betaalde griffierecht ad f 225,- (zegge: tweehonderd en vijfentwintig gulden);

mr. R.A.J. Hubel griffier mr. W.J. van Bennekom rechter

afschrift verzonden op: 12 juli 2000

Conc.: SH

Coll.:

BP:

D: b