Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA7195

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-06-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 99/9192
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2000/S253

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

enkelvoudige kamer

Uitspraak

artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 33a Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr.: AWB 99/9192 VRWET

inzake : A, wonende te B, eiser,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eiser, geboren op [...] 1987, bezit de nationaliteit van de Federale Republiek Joegoslavië (FRJ). Hij verblijft sedert 14 maart 1999 als vreemdeling in de zin van de Vw in Nederland. Op 26 april 1999 heeft eiser bij de korpschef

van de regiopolitie Utrecht een aanvraag ingediend om een vergunning tot verblijf met als doel: "verblijf bij ouder, C". Bij besluit van 31 mei 1999 heeft verweerder deze aanvraag buiten behandeling gesteld. Eiser heeft tegen dit

besluit op 25 juni 1999, aangevuld bij schrijven van 13 juli 1999, bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is bij besluit van 4 augustus 1999 ongegrond verklaard.

2. Bij beroepschrift van 31 augustus 1999 heeft eiser tegen dit afwijzende besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft partijen meegedeeld het beroep versneld te zullen behandelen. Op 3 februari 2000 zijn de op de

zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juni 2000. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr M.D. Groot, advocaat te Utrecht. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. C.F.D. Kagenaar,

gemachtigde, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van verweerders ministerie. Tevens was ter zitting aanwezig C.

II. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit, waarbij eisers bezwaar tegen het buiten behandeling stellen van zijn aanvraag ongegrond is verklaard, in rechte stand kan houden.

2. Bij de beantwoording van die vraag gaat de rechtbank uit van de volgende feiten.

2.1 Eiser is samen met een familielid naar Nederland gekomen. Dit familielid heeft inmiddels asiel aangevraagd in Nederland. Eiser heeft geen contact met zijn moeder. De vader van eiser, C (verder: C), heeft ten behoeve van eiser

een vergunning tot verblijf aangevraagd. C heeft bij de aanvraag aangegeven dat de huidige situatie in Kosovo zeer onstabiel is, zodat eiser niet terug kan keren naar zijn eigen land. C verblijft sedert 10 september 1993 in

Nederland. Op 17 september 1997 is C met terugwerkende kracht, namelijk met ingang van 10 september 1996, in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning zonder beperkingen.

2.2 Eiser heeft in bezwaar, onder andere, een checklist machtiging tot voorlopig verblijf (verder: mvv) vereiste (model D50) overgelegd en een toelichting daarop.

3. Eiser heeft in bezwaar aangevoerd dat hij getraumatiseerd is door de

gebeurtenissen in Kosovo. C heeft overwogen om ten behoeve van eiser asiel aan te vragen maar vanwege zijn lichamelijke en geestelijke gesteldheid daar niet voor gekozen. Als ouder vond hij het beter eiser bij zich te hebben in de

veilige en vertrouwde omgeving van zijn vader. Ten onrechte is verweerder in het besluit in primo voorbijgegaan aan de achtergrond van eiser. Hij behoort tot de groep der etnische Albanezen en is slachtoffer van de oorlog in Kosovo.

Hij is ten tijde van de massale exodus gevlucht. Er is sprake van prima facie vluchtelingschap. Ten onrechte is eiser niet in het bezit gesteld van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv). Ook is ten onrechte aan eiser

het ontbreken van een mvv tegengeworpen. Er is geen acht geslagen op zijn leeftijd, etnische Albanese achtergrond, zijn vlucht uit Kosovo en zijn geestelijke gesteldheid. Ten onrechte wordt gesteld dat eiser niet heeft doen blijken

dat hij behoort tot een van de categorieën die in aanmerking komen voor vrijstelling van het mvv-vereiste. Uit de overgelegde checklist mvv, alsmede de toelichting daarop, blijkt dat eiser afkomstig is uit Kosovo en dat hij aangeeft

dat het op grond van individuele omstandigheden van bijzondere hardheid zou getuigen het mvv-vereiste te stellen. Verweerder is in het besluit in primo volledig voorbijgegaan aan dit gestelde. Eiser dient verder vrijgesteld te

worden van het paspoortvereiste, door zijn achtergrond en de manier waarop hij is gevlucht. Het bestreden besluit levert een schending op van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de

fundamentele vrijheden (EVRM) en is tevens in strijd met de zorgvuldigheid genomen. Eiser wenst gehoord te worden. Eiser dient in aanmerking te komen voor verblijf op grond van het beleid inzake gezinshereniging zoals neergelegd in

hoofdstuk B1/5.1 van de Vreemdelingencirculaire (Vc). C heeft na zijn vlucht vanuit Nederland contact onderhouden met eiser waardoor de feitelijke gezinsband is blijven bestaan. C heeft zodra hij daartoe in staat was in de kosten en

opvoeding van eiser voorzien.

4. In het bestreden besluit stelt verweerder zich op het standpunt dat de aanvraag op juiste gronden buiten behandeling is gesteld. Verweerder overweegt dat het voor de hand had gelegen dat voor of namens eiser een verzoek tot asiel

was gedaan. De stelling van C dat niet voor een asielverzoek is gekozen is op geen enkele wijze nader onderbouwd. Bovendien houdt verweerder rekening met de leeftijd, de lichamelijke en geestelijke (lees: gesteldheid) van een

asielzoeker. Daarnaast merkt verweerder op dat eiser zijn vader sinds 1993 niet meer heeft gezien. De vraag is hierbij of zijn vader wel zo vertrouwd is als wordt gesteld. Op grond hiervan concludeert verweerder dat het tegenwerpen

van het paspoort- en mvv-vereiste niet van onevenredige hardheid getuigt. Aangezien er geen asielverzoek aan zijn aanvraag ten grondslag ligt, komt eiser ook niet in aanmerking voor een vvtv. Van een schending van artikel 8 EVRM is

geen sprake. Niet valt in te zien waarom van eiser niet geëist kan worden terug te keren naar Kosovo om aldaar aan de vereisten van zijn aanvraag te voldoen. Gelet op het bepaalde in artikel 32, tweede lid Vw, bestaat er geen

verplichting om eiser te horen en dit wordt evenmin door de zorgvuldigheid gevorderd.

5. Eiser heeft ter zitting een brief van de RIAGG Amersfoort en omstreken overgelegd, waaruit blijk dat de symptomen van eiser passen bij een posttraumatische stress-stoornis.

De rechtbank overweegt het volgende.

6. Ingevolge artikel 4:5, eerste lid Awb, kan een aanvraag om een vergunning tot verblijf buiten behandeling worden gesteld indien de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de

aanvraag of indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het

bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag aan te vullen.

7. Ingevolge artikel 16a, eerste lid, Vw wordt een aanvraag om een vergunning tot verblijf slechts in behandeling genomen indien de vreemdeling beschikt over een geldige mvv, die aan hem is afgegeven in zijn land van herkomst of in

zijn land van bestendig verblijf.

8. De rechtbank stelt vast dat eiser niet in het bezit is van een geldige mvv. Ingevolge artikel 16a, zesde lid, Vw kan de Minister van Justitie in zeer bijzondere, individuele gevallen voor het in behandeling nemen van een aanvraag

om toelating afzien van het eisen van het bezit van een geldige mvv (de zogenaamde hardheidsclausule).

9. De rechtbank is van oordeel dat de gevolgen van de beslissing om geen ontheffing van het mvv-vereiste te verlenen voor eiser disproportioneel zijn in verhouding tot het door verweerder te dienen belang van een geordende

binnenkomst. De rechtbank acht hierbij van belang dat zowel ten tijde van de aanvraag als ten tijde van de buiten behandeling stelling een vvtv-beleid gold ten aanzien van etnische Albanezen uit Kosovo waaruit blijkt dat verweerder

ten tijde van de buiten behandeling stelling van de aanvraag van eiser van oordeel was dat gedwongen verwijdering van deze categorie personen van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar. De rechtbank

is van oordeel dat verweerder gezien het voorgaande niet kan volharden in zijn standpunt dat het tegenwerpen van het mvv-vereiste aan eiser niet van een onevenredige hardheid getuigt. De rechtbank acht voorts de leeftijd van eiser

ten tijde van de bestreden beschikking -eiser was toen elf jaar- van gewicht.

10. Op grond van het bovenstaande slaagt het beroep op de hardheidsclausule. Verweerder heeft derhalve de aanvraag ten onrechte buiten behandeling gesteld en zal deze alsnog inhoudelijk dienen te beoordelen.

11. Het bestreden besluit komt derhalve -onder gegrondverklaring van het beroep- voor vernietiging in aanmerking. Nu verweerder -gelet op hetgeen in deze uitspraak is overwogen- na de vernietiging van het bestreden besluit het

bezwaar van eiser slechts gegrond kan verklaren, bestaat er voor de rechtbank aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, Awb zelf in de zaak te voorzien.

12. Nu het beroep gegrond wordt verklaard is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft

moeten maken. Deze kosten zijn begroot op f 1.420,- als kosten van de verleende rechtsbijstand.

13. Ingevolge artikel 8:74, eerste lid Awb, dient het griffierecht te worden vergoed door de rechtspersoon, aangewezen door de rechtbank.

De rechtbank beslist daarom als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. verklaart het bezwaar van eiser gegrond;

4. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad f. 225,- (zegge: tweehonderd en vijfentwintig gulden);

5. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op f. 1.420,- (zegge:

veertienhonderd en twintig gulden), te betalen door de Staat der Nederlanden aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2000, door mr. M.A. Vermeulen, rechter, in tegenwoordigheid van mr. R.A.J. Hubel, griffier.

Afschrift verzonden op: 28 juni 2000

Conc.:SH

Coll:

Bp:-

D:b

110497