Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA7193

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-06-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 99/1530
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

enkelvoudige kamer

Uitspraak

artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 33a Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr. : AWB 99/1530 VRWET

Inzake: A, wonende te B, eiser,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Eiser, geboren op [...] 1972, bezit de Somalische nationaliteit. Hij verblijft sedert 28 augustus 1995 als vreemdeling in de zin van de Vw in Nederland. Op 28 augustus 1995 heeft hij aanvragen ingediend om toelating als vluchteling

en verlening van een vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard. Bij besluit van 13 mei 1996, uitgereikt aan eiser op 21 mei 1996, heeft verweerder op deze aanvragen afwijzend beslist. De aanvraag om

toelating als vluchteling is niet ingewilligd vanwege niet-ontvankelijkheid. Eiser heeft tegen het besluit bezwaar gemaakt bij ongedateerd bezwaarschrift, ontvangen door verweerder op 13 juni 1996. Het bezwaar is aangevuld bij brief

van 1 juli 1996. Bij besluit van 2 september 1996 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en aan eiser een voorwaardelijke vergunning tot verblijf verleend, met ingang van 28 augustus 1995, geldig tot 28 augustus 1996 onder

gelijktijdige verlenging tot 28 augustus 1997. Het besluit is bij brief van 2 september 1996 aan de gemachtigde van eiser gezonden en op 11 september 1996 aan eiser in persoon uitgereikt.

2. Bij beroepschrift van 7 oktober 1996 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Op 8 mei 1998 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en bepaald dat verweerder opnieuw op het bezwaar moet beslissen

met inachtneming van de uitspraak. Op 1 juli 1998 heeft eiser beroep bij de rechtbank ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar. Eiser is in het bezit gesteld van een vergunning tot verblijf zonder beperkingen met ingang

van 28 augustus 1998. Het beroep, gericht tegen het niet-tijdig beslissen op bezwaar, is op 4 november 1998 ingetrokken. Op 8 december 1998 is eiser gehoord door een ambtelijke commissie van verweerder. Bij besluit van 14 januari

1999 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Het besluit is bij brief van 14 januari 1999 aan de gemachtigde van eiser verzonden.

3. Bij beroepschrift van 10 februari 1999, aangevuld bij brieven van 25 maart 1999 en 18 november 1999, heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Op 20 april 2000 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken

van verweerder ter griffie ontvangen. In

het verweerschrift van 10 april 2000 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep. Eiser heeft bij schrijven van 19 april 2000 het beroep nog aangevuld.

4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 mei 2000. Eiser noch zijn gemachtigde is verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. D. van den Berg, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst

van verweerders ministerie.

II. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

2. Eiser stelt dat zijn aanvraag om toelating ten onrechte niet- ontvankelijk verklaard is, daar hij een geldige reden had om niet te voldoen aan de aanwijzing als bedoeld in artikel 17a van de Vw. Eiser is aangetroffen in Frankrijk

en had de bedoeling naar Engeland te gaan. Dit, vanwege het feit dat hij mensen ontmoet had die al drie jaar in Nederland waren en nog geen verblijfstitel hadden en vanwege het feit dat hij met negen mensen op een kamer moest

slapen. Eiser stelt dat artikel 17a van de Vw slechts een ordemaatregel is om te voorkomen dat mensen niet beschikbaar zijn in het opvang- en onderzoekscentrum. Eiser had al een intakegesprek en een Nader Gehoor gehad, zodat zijn

dagelijkse aanwezigheid niet meer vereist was.

Eiser stelt zich voorts op het standpunt dat hij in aanmerking komt voor toelating als vluchteling.

3. Verweerder stelt zich primair op het standpunt dat eisers aanvraag om toelating als vluchteling terecht niet-ontvankelijk verklaard is vanwege het feit dat eiser zonder geldige reden niet heeft voldaan aan de aanwijzingen,

bedoeld in artikel 17a van de Vw. Het door eiser aangevoerde is niet voldoende om aangemerkt te worden als een geldige reden in de zin van artikel 15b, eerste lid, aanhef en onder d van de Vw. Subsidiair stelt verweerder zich op het

standpunt dat er in redelijkheid geen enkel vermoeden bestaat dat eiser vluchteling is.

De rechtbank overweegt het volgende.

5. Ingevolge het bepaalde in artikel 15b, eerste lid, aanhef en onder d van de Vw wordt een aanvraag niet ingewilligd wegens de niet-ontvankelijkheid ervan indien vreemdeling zonder geldige reden niet heeft voldaan aan de bevelen,

bedoeld bij artikel 17a van de Vw. Blijkens de Memorie van Antwoord moet uitgangspunt zijn dat de in artikel 15b, eerste lid, aanhef en onder d van de Vw neergelegde verplichting op zichzelf weinig uitzonderingen toelaat (TK

1992-1993, 22 735 nr. 5, p. 43).

6. Dit brengt met zich dat er slechts in zeer bijzondere gevallen een rechtvaardiging kan worden gevonden voor het niet voldoen aan de aanwijzingen van artikel 17a van de Vw.

De redenen die eiser aanvoert overtuigen de rechtbank niet. Deze zijn noch naar hun aard, noch in eisers specifieke geval, als uitzonderlijk te kwalificeren.

Nog daargelaten de vraag of - zoals eiser stelt - zijn dagelijkse aanwezigheid daadwerkelijk niet meer vereist was, is het niet aan eiser om op grond van deze aanname zich aan de aanwezigheidsplicht te onttrekken.

Het had op eisers weg gelegen een verzoek bij verweerder in te dienen tot wijziging of opheffing van deze verplichting. Dat eiser dit niet heeft gedaan dient voor zijn eigen risico te komen.

Verweerder heeft dan ook in het thans bestreden besluit terecht gesteld dat de aanvraag om toelating als vluchteling niet-ontvankelijk is op grond van artikel 15b, eerste lid, aanhef en onder d van de Vw.

7. Eiser is met ingang van 28 augustus 1998 in het bezit gesteld van een vergunning tot verblijf op humanitaire gronden. De noodzaak voor een inhoudelijke beoordeling in verband met een eventueel gevaar voor refoulement als bedoeld

in artikel 33 van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen, is hiermee komen te vervallen. Of terugzending naar Somalië schending van artikel 3 van het Europese Verdrag tot bescherming van de

rechten van de mens en de

fundamentele vrijheden (EVRM) zou opleveren, behoeft in dit geding niet te worden beoordeeld, aangezien eiser in het bezit is gesteld van een vergunning tot verblijf op humanitaire gronden en uitzetting naar het land van herkomst

thans niet aan de orde is.

8. De conclusie is dat verweerder in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen. Voorts is niet gebleken dat het bestreden besluit in aanmerking komt om te worden vernietigd wegens strijd met enig algemeen beginsel

van behoorlijk bestuur.

9. Op grond van het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

10. Van omstandigheden op grond waarvan verweerder het griffierecht zou moeten vergoeden dan wel een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.

11. De rechtbank beslist daarom als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2000, door mr. D. Radder, rechter, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Michiels van Kessenich, griffier.

Afschrift verzonden op: 28 juni 2000

Conc.: RW

Coll:

Bp: -

D: B