Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA7191

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-05-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 99/6859
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:12, geldigheid: 2000-05-24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

enkelvoudige kamer

Uitspraak

artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 33a Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr. : AWB 99/6859 VRWET

inzake : A, wonende te B, eiser,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eiser, geboren op [...] 1968, bezit de Iraanse nationaliteit. Hij verblijft sedert 26 februari 1998 als vreemdeling in de zin van de Vw in Nederland. Op 27 februari 1998 heeft hij aanvragen ingediend om toelating als vluchteling

en verlening van een vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard. Bij besluit van 9 juli 1998 heeft verweerder op deze aanvragen afwijzend beslist. De aanvraag om toelating als vluchteling is niet

ingewilligd vanwege kennelijke ongegrondheid. Aan eiser is uitstel van vertrek verleend. Eiser heeft tegen het besluit bezwaar gemaakt bij bezwaarschrift van 3 augustus 1998, aangevuld bij brief van 8 september 1998. Bij besluit van

10 juni 1999 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard, en bepaald dat het aan eiser verleende uitstel met ingang van 22 januari 1999 is opgeheven. Op 19 juli 1999 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de opheffing van het

uitstel van vertrek.

2. Bij beroepschrift van 1 juli 1999 heeft eiser tegen het besluit van 10 juni 1999, voor zover daarbij het bezwaar ongegrond is verklaard, beroep ingesteld bij de rechtbank. De gronden van beroep zijn ingediend op

19 juli 1999. De rechtbank heeft partijen meegedeeld het beroep versneld te zullen behandelen. Op 10 september 1999 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 17

april 2000 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 mei 2000. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. S.Y.M. Metselaar-Hou, advocaat te Haarlem. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door gemachtigde

mr. J.E.H.M. Pinckaers, advocaat te 's-Gravenhage. Tevens was ter zitting aanwezig A. Solteninejad, tolk.

II. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

2. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij in aanmerking komt voor toelating als vluchteling dan wel voor verlening van een vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard. Bij het nader gehoor heeft

eiser verklaard dat hij geboren is te Shiraz en shi'itisch moslim is. Omstreeks 15 april 1997 is eiser gearresteerd vanwege het opnemen op video van een programma dat door een verboden satellietzender van de Mujaheddin werd

uitgezonden, waarin de leiders van het islamitisch bewind belachelijk werden gemaakt. Een vriend van eiser, aan wie eiser de videoband had uitgeleend, is met de videoband opgepakt en heeft een bekentenis afgelegd. Eiser is

geblinddoekt afgevoerd en gedurende 2,5 maand in voorarrest vastgehouden. Eiser werd in een isoleercel geplaatst en werd elke dag eerst gemarteld alvorens te worden verhoord. Door de martelingen zijn nierbloedingen ontstaan.

Vervolgens is eiser overgebracht naar een gevangenis, alwaar hij tot 25 jaar gevangenisstraf is veroordeeld. Van zijn broer vernam eiser daar dat zijn vriend was gearresteerd. Er was geen sprake van behandeling van eisers zaak door

de rechtbank, en evenmin was er rechtshulp voor eiser. Eiser stelt dat de Iraanse overheid zijn activiteiten als politieke activiteiten tegen het regime zag, en hem ervan verdacht tot de Mujaheddin te behoren.

Eiser heeft eerder in 1992 voor de periode van een maand in detentie gezeten. Hij was opgepakt terwijl hij stond te kijken naar een in de buurt van zijn werk gehouden demonstratie van rolstoelgangers en oorlogsveteranen, bij welke

demonstratie schermutselingen uitbraken.

Gedurende de detentie is eiser ernstig mishandeld en is zijn nier beschadigd. Als gevolg daarvan werd eiser overgebracht naar een ziekenhuis, waarna hij vrijgelaten is. In verband met de eerste detentie had eiser een dossier bij de

veiligheidsdienst. Eiser meent dat er een verband is tussen beide detenties, en dat de gevangenisstraf van 25 jaar zo hoog is omdat eiser is aangemerkt als een tegenstander van het regime. Eiser merkt daarbij op dat het enkele bezit

van een schotelantenne normaal alleen tot een geldboete leidt. Hij vermoedt dat hem ook het kopiëren en verspreiden van videocassettes ten laste is gelegd.

Eiser kreeg voor de begrafenis van zijn moeder een paar dagen verlof, op voorwaarde dat een borgsom van 50 miljoen toeman werd betaald. De familie van eiser heeft hiervoor de eigendomsakten van twee huizen overgelegd.

Eiser is niet naar de gevangenis teruggekeerd, en is vervolgens op 8 februari 1998 vanuit Shiraz per auto naar Uruban gegaan. Vervolgens heeft eiser per muilezel via Khaneke en Van uiteindelijk de grens met Turkije gepasseerd.

Vanuit Istanbul is eiser per vrachtwagen in Nederland gekomen.

Eiser stelt dat de huizen inmiddels in beslag zijn genomen en dat hij in Iran wordt gezocht.

In bezwaar bestrijdt eiser de overweging van verweerder dat aan een deel van zijn verklaringen geen waarde kan worden gehecht omdat het zou gaan om vermoedens van de zijde van eiser, c.q. om 'via-via-informatie'. Voorts meent eiser

dat verweerder ten onrechte heeft overwogen dat aan eisers verklaring met betrekking tot de aard van zijn bestraffing geen waarde kan worden gehecht. Eiser heeft de reële verwachting dat hem een onevenredig

zware, dan wel discriminatoire bestraffing wacht. Eiser bestrijdt voorts de stelling van verweerder dat niet aannemelijk is dat eiser een verlofperiode is toegestaan, en de stelling dat eiser zonder problemen is uitgereisd.

Eiser heeft van zijn zwager C telefonisch vernomen dat zijn familie is ondergedoken en dat zijn vader gedurende twee dagen gedetineerd is geweest. Ook is hem ten onrechte verweten dat het verband tussen beide arrestaties niet is

onderbouwd dan wel geconcretiseerd. Eiser stelt zich op het standpunt dat er in ieder geval sprake is van een cumulatie van maatregelen die dienen te leiden tot de conclusie dat hij gegronde vrees voor vervolging in de zin van het

Vluchtelingenverdrag heeft. Daarnaast doet hij een beroep op artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

In beroep benadrukt eiser dat het in zijn geval gaat om een politieke vervolging en geen strafrechtelijke. Hij is niet in staat het vonnis te laten zien, omdat hij het vonnis niet heeft mogen behouden. Eiser is van mening dat hij de

informatie omtrent zijn familie niet met bescheiden kan aantonen. Omdat eiser niet is teruggekeerd na zijn verlof, zal hij bij terugkeer naar Iran extra worden bestraft, misschien geëxecuteerd. In het bestreden besluit is voorts

geen aandacht besteed aan de eerdere detentie en de opgelopen nierbeschadiging. Eiser stelt dat hij had moeten worden gehoord door een ambtelijke commissie dan wel door de Adviescommissie voor vreemdelingenzaken (ACV).

Ter zitting legt eiser nog een krantenartikel over uit de Financial Times van 8 en 9 april 2000 waarin onder meer wordt geschreven over de jacht op satellietschotels in Iran.

3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser geen gegronde reden heeft te vrezen voor vervolging in de zin van het Verdrag. Volgens verweerder berusten de verklaringen van eiser omtrent de aanleiding voor en gronden van zijn

bestraffing op vermoedens. Voorts is niet aannemelijk dat eiser op grond van het bezit van de videoband en een schotelantenne tot 25 jaar gevangenisstraf is veroordeeld. Hierbij verwijst verweerder naar het ambtsbericht van de

Minister van Buitenlandse Zaken van 5 juni 1997, waaruit blijkt dat het bezit dan wel de verspreiding van verboden materiaal, waaronder satellietschotels en video¿s, door de autoriteiten niet als een bedreiging wordt gezien voor de

interne veiligheid van de Islamitische Republiek, en dat dit hooguit leidt tot een geldboete. Evenmin acht verweerder het aannemelijk dat eiser, gezien de hoge straf die hem is opgelegd, drie dagen met verlof mag, gedurende welk

verlof hij zonder problemen het land kon verlaten. Bovendien duidt dit er niet op dat eiser door de autoriteiten als een belangrijk tegenstander wordt gezien. Eiser heeft de relatie tussen de zware straf in 1997 en de eerdere

arrestatie in 1992 niet nader geconcretiseerd of onderbouwd. Eiser heeft geen documenten overgelegd waaruit blijkt dat hij wordt gezocht. Sinds eisers gevangenschap gedurende een maand in 1992 is niet gebleken van een bijzondere

belangstelling voor eiser van de kant van de Iraanse autoriteiten. Het feit dat zijn vader is opgepakt de dag nadat eiser zich had moeten melden, doch dat hij twee dagen later weer is vrijgelaten, duidt niet op een negatieve

belangstelling voor eiser. Verder is de stelling van eiser dat zijn familie is ondergedoken volgens verweerder niet onderbouwd. Eiser heeft voorts zijn stelling dat verwijdering naar Iran in strijd zou zijn met artikel 3 EVRM niet

aannemelijk gemaakt.

In het verweerschrift voert verweerder nog aan dat eiser geen tastbaar bewijs heeft overgelegd dat zijn relaas onderbouwt, waarbij verweerder verwijst naar het ambtsbericht van 5 maart 1998 waaruit volgt dat dagvaardingen en/of

oproepen om te verschijnen voor de openbare rechtbank in persoon of bij een familielid dienen te worden afgegeven, of op de deur

worden geprikt. Verder verwijst verweerder nog naar de ambtsberichten van 1 mei 1996, 5 juni 1997, 5 maart 1998 en 28 oktober 1998, waaruit blijkt dat de strafprocesvoering de afgelopen jaren een positieve ontwikkeling heeft

ondergaan.

Met betrekking tot het afzien van horen merkt verweerder op dat eiser niet tot op zekere hoogte aannemelijk heeft gemaakt gegronde redenen te hebben voor vervolging in de zin van artikel 15 Vw, waardoor geen aanleiding bestond eiser

door de ACV te doen horen. Verder is de uitzondering van artikel 32 lid 2 Vw van toepassing.

De rechtbank overweegt het volgende.

4. Ingevolge artikel 1(A) van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (het Vluchtelingenverdrag) in combinatie met artikel 15 Vw kunnen als vluchteling worden toegelaten vreemdelingen die afkomstig

zijn uit een land waar zij gegronde reden hebben te vrezen voor vervolging wegens ras, godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep.

5. Ingevolge artikel 11 lid 5 Vw kan het verlenen van een vergunning tot verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend. Verweerder voert bij de toepassing van dit artikellid het beleid dat

vreemdelingen niet voor toelating in aanmerking komen, tenzij met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel klemmende redenen van humanitaire aard of verplichtingen voortvloeiende uit

internationale overeenkomsten tot toelating nopen. Dit beleid is neergelegd in de Vreemdelingencirculaire (Vc).

6. De rechtbank is van oordeel dat de situatie in Iran ten tijde van het bestreden besluit niet zodanig was dat vreemdelingen afkomstig uit dat land in het algemeen zonder meer als vluchteling kunnen worden aangemerkt.

Beslissend is derhalve de individuele situatie van eiser, bezien in het licht van de algemene situatie in het land van herkomst. In dat licht zal tot op zekere hoogte aannemelijk moeten worden dat er feiten en omstandigheden zijn

met betrekking tot eiser persoonlijk, die zijn vrees voor vervolging rechtvaardigen.

7. De rechtbank acht, anders dan verweerder, het asielrelaas van eiser consistent en niet zonder meer onaannemelijk. Het standpunt van verweerder dat niet aannemelijk is dat eiser is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 25 jaar

kan niet gedragen worden door de enkele motivering dat het bezit dan wel de verspreiding van verboden materiaal niet wordt gezien als een bedreiging van de interne veiligheid van de Islamitische republiek en hooguit leidt tot een

geldboete. Verweerder is immers in zijn overweging niet ingegaan op het door eiser gestelde dat het een video-opname betrof van een sarcastisch programma waarin de leiders van het islamitisch bewind belachelijk werden gemaakt, en

dat eisers activiteiten door de autoriteiten als politieke activiteiten werden beschouwd, tegen de achtergrond van zijn eerdere detentie. Voorts acht rechtbank het standpunt van verweerder dat niet aannemelijk is dat eiser als

gevolg van het overlijden van zijn moeder met verlof mocht, nadat hem een zo zware straf is opgelegd, en dat dit toegestane verlof er voorts niet op duidt, dat eiser als een belangrijk tegenstander van het regime wordt beschouwd,

onvoldoende onderbouwd. Niet gebleken is dat verweerder op dit punt onderzoek heeft verricht, hoewel eiser gesteld heeft dat een dergelijk verlof vrij gebruikelijk is en dat het verlof onder de voorwaarde van een borg is verleend.

8. De rechtbank is voorts van oordeel dat het door verweerder in het verweerschrift gestelde dat eiser geen tastbaar bewijs in de vorm van een dagvaarding heeft overgelegd, niet toereikend is als onderbouwing van verweerders

standpunt dat het relaas van eiser ongeloofwaardig is, nu dit eiser eerst in het verweerschrift wordt tegengeworpen. Bovendien is de rechtbank van oordeel dat deze stelling van verweerder niet op een

deugdelijke motivering berust, nu verweerder er zonder nadere onderbouwing vanuit is gegaan dat eiser door een openbare rechtbank is veroordeeld. De rechtbank acht het echter niet uitgesloten dat eiser door een revolutionaire

rechtbank is berecht, zoals eiser ook ter zitting heeft gesteld, welke rechtbank onder meer blijkens het ambtsbericht van 28 oktober 1998 in de regel geen schriftelijke stukken afgeeft. Het gestelde dat de strafprocesvoering in Iran

volgens een aantal ambtsberichten een positieve ontwikkeling blijkt te hebben ondergaan, en dat er meer rechtswaarborgen voor verdachten aanwezig zoals de mogelijkheid beroep tegen uitspraken van revolutionaire rechtbanken in te

stellen, kan evenmin leiden tot het oordeel dat eisers relaas ongeloofwaardig is. Nog daargelaten dat deze omstandigheden eerst in het verweerschrift door verweerder naar voren worden gebracht is de rechtbank van oordeel dat

verweerder onvoldoende gemotiveerd heeft waarom zij eisers relaas ongeloofwaardig maken.

9. Het voorgaande brengt met zich mee dat de bestreden beschikking vernietigd dient te worden wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, Awb, waarin is bepaald dat de beschikking op bezwaar dient te berusten op een deugdelijke

motivering. Het beroep is derhalve gegrond.

10. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken.

Deze kosten zijn begroot op Fl. 1420,- als kosten van verleende rechtsbijstand.

11. Ingevolge artikel 8:74 lid 1 Awb, dient het griffierecht te worden vergoed door de rechtspersoon, aangewezen door de rechtbank.

III. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad ƒ 50,-.

5. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op ƒ 1420,- (zegge veertienhonderd en twintig gulden), te betalen door de Staat der Nederlanden aan griffier.

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 24 mei 2000, door mr. F. Salomon, rechter, in tegenwoordigheid van mr. K.J. Kerdel, griffier.

Afschrift verzonden op: 22 juni 2000

Conc: KK

Coll:

Bp: -

D: B