Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA7190

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-06-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 98/8883
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 3:46, geldigheid: 2000-06-22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

enkelvoudige kamer

Uitspraak

artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 33a Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr.: AWB 98/8883 VRWET

inzake : A (A), wonende te B, eiser,

tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eiser, geboren op [...] 1969, bezit de Marokkaanse nationaliteit. Hij verblijft - naar eigen zeggen - sedert september 1991 als vreemdeling in de zin van de Vw in Nederland. Bij brief van 31 december 1997 heeft de raadsman van

eiser een aanvraag, gedateerd 29 december 1997, ingediend om een vergunning tot verblijf met als doel: "op grond van 6-jaren beleid".

Deze aanvraag is op 2 januari 1998 ontvangen. Bij besluit van 24 juli 1998 heeft verweerder op deze aanvraag afwijzend beslist. Bij bezwaarschrift van 14 augustus 1998, aangevuld bij schrijven van 7 september 1998 heeft eiser tegen

dit besluit bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is bij besluit van 9 oktober 1998 ongegrond verklaard. Het besluit is diezelfde dag aan de gemachtigde van eiser gezonden.

2. Bij beroepschrift van 22 oktober 1998, aangevuld bij schrijven van 12 maart 1999, heeft mr. E.R. Hagenaars, advocaat te Amsterdam, namens eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft partijen

meegedeeld het beroep versneld te zullen behandelen. Op 7 december 1998 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 24 februari 1999 heeft verweerder geconcludeerd

tot ongegrondverklaring van het beroep.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juni 1999. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Hagenaars, voornoemd.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door gemachtigde mr. P.C.

Mostert, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van verweerders ministerie.

Ter zitting is het onderzoek met toepassing van artikel 8:64 Awb geschorst omdat het vooronderzoek in deze zaak niet volledig is geweest. Partijen stemden in met aanhouding van de zaak in afwachting van de resultaten van het verder

uit te voeren vooronderzoek.

4. Op 8 juli 1999 heeft de rechtbank een aantal vragen ingezonden aan verweerder. Verweerder heeft in zijn reactie van 11 augustus 1999 hierop geantwoord. Bij brief van 9 september 1999 heeft gemachtigde van eiser gereageerd op de

antwoorden van verweerder.

Bij brief van 24 mei 2000 heeft verweerder zijn standpunt nog nader onderbouwd.

5. Het onderzoek ter zitting is hervat op 8 juni 2000. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. E.R. Hagenaars, voornoemd.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M.L.H. Hermans, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van verweerders ministerie.

II. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

2. Bij de beantwoording van die vraag gaat de rechtbank uit van de volgende feiten. Eiser is sinds september 1991 werkzaam als keukenhulp voor 38 uur per week bij Meuwese Espresso B.V. te B. Hij heeft van

7 augustus 1992 tot 23 april 1993 ingeschreven gestaan in het bevolkingsregister van B. Eiser heeft jaaropgaven en loonstaten overgelegd over de jaren 1992 tot en met 1997. De werkgever van eiser heeft per brief van 29 april 1997

verklaard dat over de periode van september 1991 tot en met 31 december 1991 geen loonstaten van eiser beschikbaar zijn, maar dat hij destijds wel reeds in dienst was van Meuwese Espresso B.V.

3. Verweerder stelt zich blijkens het bestreden besluit op het standpunt

dat eiser geen beroep kan doen op toelating op grond van het "witte-illegalenbeleid", nu dit beleid op 31 december 1997 beëindigd is.

De aanvraag van eiser is op 2 januari 1998 ontvangen. Er is geen nieuw specifiek beleid afgekondigd. Er is geen sprake van overige klemmende redenen van humanitaire aard die tot toelating nopen. Eiser is in de bezwaarfase niet

gehoord omdat daartoe op grond van artikel 32 lid 2 Vw geen verplichting bestond. Ter zitting van 10 juni 1999 heeft verweerder gesteld dat eiser eerder een aanvraag had kunnen indienen en dat derhalve de gevolgen van de te late

aanvraag geheel voor risico van eiser komen.

4. Eiser is van mening dat verweerder ten onrechte niet is ingegaan op het feit dat de vreemdelingendienst beschikte over informatie van de belastingdienst waaruit blijkt dat eiser sinds 1991 onder afdracht van premies en

belastingen arbeid heeft verricht. Bovendien mag hem niet worden tegengeworpen dat zijn aanvraag één dag te laat is ingediend; dat zou in strijd zijn met het redelijkheidsbeginsel. Eiser is volledig in Nederland geïntegreerd en de

Marokkaanse samenleving dermate ontwend dat gedwongen terugkeer een onevenredige hardheid zou betekenen. Eiser is in de bezwaarfase ten onrechte niet gehoord.

5. Ter zitting van 10 juni 1999 stelt gemachtigde van eiser dat verweerder ten onrechte de aanvraag niet inhoudelijk heeft beoordeeld. Ter zitting van 8 juni 2000 handhaaft eiser zijn standpunt.

6. Ter zitting van 8 juni 2000 heeft verweerder zijn standpunt herhaald en eraan toegevoegd dat voor diegenen die geen beroep meer kunnen doen op het genoemde beleid, een nieuwe regeling in het leven is geroepen op grond waarvan een

commissie van burgemeesters zich nog eens over de zaak buigt.

7. Bij brief van 8 juli 1999 heeft de rechtbank verweerder onder meer de volgende vraag gesteld: "Indien in casu aangenomen zou worden dat er slechts over de periode van 1 januari 1992 tot en met 31 december 1997 kan worden

aangetoond dat door eiser "wit" is gewerkt, hoe dient dan de tegenwerping van de aanvraag van 2 januari 1998 te worden geplaatst ervan uitgaande dat bij het doen van een aanvraag vóór 1 januari 1998 aan eiser zou worden

tegengeworpen dat hij niet aan de eis van zes jaar wit werken heeft voldaan? (...).¿ Hierop heeft verweerder bij brief van 11 augustus 1999 het volgende geantwoord: "Per 31 december 1997 is het bijzondere beleid voor illegaal

verblijvende vreemdelingen die gedurende zes jaar in Nederland hebben verbleven en gedurende die periode "wit" hebben gewerkt beëindigd. Het beleid heeft reeds bij de totstandkoming daarvan een in tijd beperkte duur gehad. (...).

Bij de publicatie van TBV 1995/1, verduidelijkt in TBV 1996/4, was duidelijk dat de toepasselijkheid van het beleid op 31 december 1997 zou eindigen. Verweerder is bevoegd beleid te maken, te wijzigen en te doen eindigen. Nu reeds

bij de publicatie van TBV 1995/1 en TBV 1996/4 aangegeven is dat het witte illegalenbeleid op 31 december 1997 beëindigd zou worden, was voor vreemdelingen toen reeds te voorzien dat na die datum aan dit beleid geen rechten meer

kunnen worden ontleend."

De rechtbank overweegt het volgende.

8. Ingevolge artikel 11 lid 5 Vw kan het verlenen van een vergunning tot verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend.

9. Verweerder voert bij de toepassing van dit artikellid het beleid dat vreemdelingen niet voor toelating in aanmerking komen, tenzij met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel klemmende

redenen van humanitaire aard of verplichtingen voortvloeiende uit internationale overeenkomsten tot toelating nopen. Dit beleid is neergelegd in de Vreemdelingencirculaire (Vc).

10. In geschil is de toepasselijkheid van het witte-illegalenbeleid, zoals vastgelegd in Tussentijds Bericht Vreemdelingencirculaire (TBV) 1995/1 en

TBV 1996/4. Dit beleid heeft een geldigheidsduur tot en met 31 december 1997.

11. Het witte-illegalenbeleid zoals vastgelegd in TBV 1995/1 en TBV 1996/4 vereist onder meer dat de aanvrager gedurende zes jaar direct voorafgaand aan de aanvraag in Nederland heeft verbleven en in die periode inkomen heeft

verkregen uit arbeid waarvoor premies en belastingen zijn afgedragen.

12. Eisers aanvraag is gedateerd 29 december 1997 en door verweerder ontvangen op 2 januari 1998. Laatstgenoemde datum geldt derhalve als de datum waarop de aanvraag is ingediend. De rechtbank stelt vast dat de aanvraag daarmee na

de expiratiedatum van voornoemd beleid is ingediend.

13. De rechtbank overweegt dat niet vaststaat dat eiser vóór 1 januari 1992 inkomen uit arbeid heeft verkregen waarover premies en belastingen zijn afgedragen. Niet in geschil is voorts dat eiser vanaf 1 januari 1992 onafgebroken

wit heeft gewerkt. Gelet hierop gaat de rechtbank ervan uit dat, om de zes-jarentermijn vol te maken, 31 december 1997 meegeteld dient te worden als dag waarop wit is gewerkt. Nu de circulaire bepaalt dat het beleid geldig is tot en

met 31 december 1997, gaat de rechtbank ervan uit dat deze datum daadwerkelijk mee kan tellen bij de berekening van de zes-jarentermijn.

14. Verweerder heeft zich ter zitting van 10 juni 1999 en 8 juni 2000 op het standpunt gesteld dat eiser eerder een aanvraag had kunnen indienen en dat derhalve de gevolgen van een te late indiening geheel voor risico van eiser

komen. Verweerder gaat hiermee evenwel voorbij aan de vraag hoe 31 december 1997 mee kan tellen voor het bepalen van de termijn nu het beleid als eis stelt dat voorafgaand aan de aanvraag zes jaar wit moet zijn gewerkt en verweerder

bovendien aangeeft dat een aanvraag uiterlijk 31 december 1997 moet zijn ingediend. Dit is ook de strekking van de hierboven onder rechtsoverweging 7 weergegeven vraag die door de rechtbank aan verweerder is gesteld. Verweerder

blijft het antwoord hierop schuldig.

15. Gelet op het voorgaande en met inachtneming van het feit dat eiser zo snel als hem na het volmaken van de zes-jarentermijn mogelijk was, op 2 januari 1998, zijnde de eerste werkdag van 1998, een aanvraag heeft ingediend, is de

rechtbank van oordeel dat een redelijke beleidstoepassing meebrengt dat eiser niet mag worden tegengeworpen dat zijn aanvraag te laat is ingediend.

16. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat verweerder ten onrechte bij de aanvraag niet is uitgegaan van de toepasselijkheid van het beleid inzake witte illegalen, zodat het besluit in strijd met artikel 3:46 Awb een deugdelijke

motivering ontbeert. Het beroep is dan ook gegrond.

17. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken.

Deze kosten zijn begroot op ƒ 1775,- als kosten van verleende rechtsbijstand.

18. Ingevolge artikel 8:74 lid 1 Awb, dient het griffierecht te worden vergoed door de rechtspersoon, aangewezen door de rechtbank.

De rechtbank beslist daarom als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad ƒ 210,- ;

5. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op ƒ 1775,- (zegge zeventienhonderd en vijfenzeventig gulden), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier.

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2000, door mr. F. Salomon, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.A. Lammertink, griffier.

Afschrift verzonden op:

Conc:HL

Coll:

Bp:

D:B