Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA7101

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-02-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 99/4855
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te 's-Hertogenbosch

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

--------------------------------

Uitspraak

--------------------------------

AWB 99/4855 VRWET

Uitspraak van de rechtbank ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 33a van de Vreemdelingenwet (Vw) in het geschil tussen:

A, geboren [...] 1985, eiseres,

gemachtigde mr. J.F. Sang A Jang te Rotterdam

en

de Minister van Buitenlandse Zaken te 's-Gravenhage, verweerder.

I. PROCESVERLOOP

Eiseres bezit de Surinaamse nationaliteit en is vreemdeling in de zin van de Vw.

Op 28 juli 1998 heeft de moeder van eiseres B, nader

aan te duiden als referente, ten behoeve van eiseres een aanvraag ingediend om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf. Bij besluit van 11 november 1998 heeft verweerder deze aanvraag niet ingewilligd.

Bij brief van 20 november 1996 is namens eiseres tegen voornoemd besluit bezwaar gemaakt bij verweerder. Referente en de gemachtigde van eiseres hebben op 4 mei 1999 de belangen van eiseres nader bepleit voor een ambtelijke

(hoor)commissie van verweerders visadienst. Vervolgens heeft verweerder bij besluit van 1 juni 1999 het bezwaar ongegrond verklaard.

Bij beroepschrift van 25 juni 1999, ter griffie van de rechtbank ontvangen op 27 juni 1999, is namens eiseres beroep ingesteld tegen het besluit op het bezwaar. Bij brief van 9 juli 1999 zijn de gronden van het beroepschrift

ingediend.

Verweerder heeft naar aanleiding van het voornoemde beroep de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden, waarin wordt geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

De gemachtigde van eiseres heeft bij brief van 30 november 1999 meegedeeld dat hij noch referente ter zitting zal verschijnen. Wel heeft hij zijn standpunt door middel van een pleitnota nader toegelicht.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 1 december 1999, waar eiseres, referente noch de gemachtigde van eiseres is verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde

mr. L.C. Harderwijk, ambtenaar bij het Ministerie van

Justitie te 's-Gravenhage.

II. OVERWEGINGEN

In dit geding dient te worden beoordeeld of het besluit van 1 juni 1999, waarbij de bezwaren van eiseres tegen de weigering van een machtiging tot voorlopig verblijf ongegrond zijn verklaard, in rechte stand kan houden.

Eiseres beoogt verblijf hier te lande bij referente in het kader van gezinshereniging.

De rechtbank gaat bij de beoordeling van het bestreden besluit uit van de navolgende feiten.

Eiseres is geboren uit de relatie tussen referente en

C. Eiseres is door laatstgenoemde op 26 april 1985 erkend.

Referente is in april 1995 Nederland binnengekomen met achterlating van eiseres bij haar ouders. Zij is destijds op grond van een relatie in het bezit gesteld van een vergunning tot verblijf. Nadien is die relatie verbroken.

Referente heeft sedert juli 1996 een nieuwe relatie, met D. Op 13 mei 1998 heeft referente de Nederlandse

nationaliteit verkregen. Op 28 juli 1998 heeft referente een aanvraag om afgifte van een machtiging tot verblijf ten behoeve van eiseres ingediend.

Ingevolge artikel 41, eerste lid, onder c, Vreemdelingenbesluit moeten vreemdelingen, die zich naar Nederland begeven voor een verblijf aldaar van langer dan drie maanden, voor toegang tot Nederland in het bezit zijn van een geldig

paspoort dat is voorzien van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf.

Ingevolge artikel 33d van de Vw worden besluiten omtrent de afgifte van visa of machtigingen tot voorlopig verblijf, gegeven krachtens het Souverein Besluit van 12 december 1813, voor de toepassing van wettelijke voorschriften over

bezwaar en beroep gelijk gesteld met besluiten aangaande toelating, gegeven op grond van deze wet.

De verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf kan, evenals een vergunning tot verblijf ingevolge artikel 11, vijfde lid, Vw aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend. De gronden voor

afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf zijn gelijk aan die voor afgifte van een vergunning tot verblijf.

De Staatssecretaris van Justitie voert met het oog op de bevolkings- en werkgelegenheidssituatie hier te lande bij de toepassing van dit artikellid een beleid waarbij vreemdelingen in het algemeen - behoudens verplichtingen

voortvloeiende uit internationale overeenkomsten - slechts voor verlening van een vergunning tot verblijf in aanmerking komen, indien met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend of indien er sprake

is van klemmende redenen van humanitaire aard.

Dat met het verblijf van eiseres een wezenlijk Nederlands belang is gediend, is de rechtbank niet gebleken.

Verweerder hanteert, als uitwerking van de globale beleidsregel dat op grond van klemmende redenen van humanitaire aard een vergunning tot verblijf kan worden verleend, voor een aantal categorieën vreemdelingen specifieke criteria.

Eén van die categorieën betreft minderjarige kinderen. Dit beleid is neergelegd in hoofdstuk B1/5 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 1994.

Ingevolge het gestelde in paragraaf B1/5.1 van de Vc moeten minderjarige kinderen om voor toelating in aanmerking te komen (onder meer) feitelijk behoren tot het gezin van de ouder(s) bij wie verblijf in Nederland wordt beoogd. De

gezinsband moet reeds in het buitenland hebben bestaan.

De kinderen behoren niet feitelijk tot het gezin indien de gezinsband is verbroken. De gezinsband wordt geacht definitief te zijn verbroken in de volgende gevallen:

- duurzame opneming in een ander gezin en de ouders zijn niet meer met het gezag belast of voorzien niet meer in de kosten van opvoeding en verzorging;

- het zelfstandig gaan wonen en in eigen onderhoud voorzien;- het vormen van een zelfstandig gezin door het aangaan van een huwelijk of een relatie;

- het belast zijn met de zorg voor buitenhuwelijkse kinderen.

De bewijslast om aan te tonen dat de feitelijke gezinsband tussen ouder en kind niet is verbroken ligt bij de in Nederland verblijvende ouder, die de overkomst van het kind vraagt. Naarmate de scheiding tussen ouder en kind langer

duurt, wordt de bewijslast voor de persoon in Nederland zwaarder. De ouder zal goede redenen moeten aanvoeren, waarom hij of zij het kind niet eerder naar Nederland heeft laten overkomen. Tevens zal de ouder moeten aantonen op welke

wijze invulling is gegeven aan de relatie tussen ouder en kind in de periode van de scheiding.

Daarbij is de intentie van de ouder om het kind naar Nederland te laten komen van belang, alsook op welke wijze de ouder deze intentie vorm heeft gegeven. (bijvoorbeeld brieven, telefoontjes, etc.).

Blijkens het primaire en het bestreden besluit heeft verweerder de onderhavige aanvraag getoetst aan het vorenvermelde beleid.

Na aanvankelijk zich op het standpunt gesteld te hebben dat zij in het kader van vorenvermeld beleid dan wel op grond van klemmende redenen van humanitaire aard tot Nederland dient te worden toegelaten, heeft eiseres zich in beroep

op het standpunt gesteld dat verweerder haar op grond van de Overeenkomst Suriname 1981 een machtiging tot voorlopig verblijf had moeten verlenen. Volgens eiseres had verweerder de onderhavige aanvraag primair moeten toetsen aan het

gezinsherenigingsbeleid neergelegd in bijlage 1 behorend bij de Overeenkomst Suriname 1981. Eiseres onderbouwt dit beroep - kortgezegd - zo dat zij van mening is dat zij onder de regeling valt verwoord in paragraaf 1, tweede

streepje, van voornoemde bijlage. Tevens is zij van mening dat in het kader van laatstgenoemde regeling een verbroken gezinsband geen belemmering kan vormen voor gezinshereniging.

Eiseres wijst er nog op dat de Rechtseenheidskamer (REK) zich op 9 maart 2000 zal buigen over enkele aspecten met betrekking tot de Overeenkomst Suriname 1981.

Verweerder stelt zich primair op het standpunt dat namens eiseres eerst in de beroepsfase een beroep is gedaan op de Overeenkomst Suriname 1981, hetgeen betekent dat dit beroep -gelet op de ex tunc toetsing- buiten beschouwing dient

te blijven. Verweerder wijst er in dit verband op dat de Overeenkomst Suriname 1981 de belangen van het individu beoogt te waarborgen, zodat het op de weg van het individu ligt om een uitdrukkelijk beroep daarop te doen en dat

verweerder niet ambtshalve behoefde na te gaan of eiseres aan die overeenkomst rechten ontleende.

Subsidiair is verweerder van oordeel dat eiseres geen verblijfsrecht kan ontlenen aan bijlage 1 behorend bij de Overeenkomst Suriname 1981 dan wel aan de overgangsregeling bij die overeenkomst, aangezien referente haar

verblijfsrecht niet aan de voornoemde regelingen ontleent, zodat in het onderhavige geval het reguliere beleid inzake gezinshereniging van toepassing is. Wat dit laatste betreft stelt verweerder dat eiseres daaraan geen

verblijfsaanspraken kan ontlenen, aangezien de feitelijke gezinsband tussen eiseres en referente definitief is verbroken.

De rechtbank overweegt als volgt.

Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat verweerder gehouden was bij de beoordeling van de onderhavige aanvraag ambtshalve na te gaan of eiseres mogelijk verblijfsaanspraken ontleende aan de Overeenkomst Suriname 1981,

aangezien het hier geldend recht betreft.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat eiseres geen verblijfsaanspraken kan ontlenen aan paragraaf 1, bijlage 1, behorend bij de Overeenkomst Suriname 1981. Daartoe overweegt de rechtbank, onder verwijzing naar de uitspraak van de

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 14 november 1996, Awb 95/10526 VRWET, dat de rechten die kunnen worden ontleend aan de voornoemde regeling slechts toekomen aan (gezinsleden van) diegenen die hun verblijfsrecht ontlenen

aan de

Vestigingsovereenkomst 1975, het bij de Overeenkomst Suriname 1981 gevoegde Protocol inzake verkregen rechten dan wel de in de laatstgenoemde overeenkomst neergelegde overgangsregeling. Aangezien

vaststaat dat referente haar verblijfsrecht niet aan bovengenoemde regelingen ontleent - zij is in het kader van gezinsvorming met haar Nederlandse partner tot Nederland toegelaten - kan het beroep van eiseres ter zake niet

gehonoreerd worden.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat ook indien wordt aangenomen dat paragraaf 1 van voornoemde bijlage op de onderhavige aanvraag van toepassing is, eiseres niet in aanmerking komt voor verblijf hier te lande op grond van die

regeling. Immers, deze regeling vereist dat sprake is van een gezinsband. Dit blijkt uit de bewoordingen van voornoemde paragraaf, aanhef en eerste streepje, luidende:

"Tot de leden van het gezin, die voor gezinshereniging met de Surinaamse onderdaan die zich in Nederland heeft gevestigd in aanmerking komen, behoren:

- de echtgenoot en de tot het gezin behorende minderjarige kinderen voorzover één der ouders met het wettig gezag over deze kinderen is belast;

-..."

De rechtbank is van oordeel dat door verweerder terecht is geoordeeld dat de feitelijke gezinsband tussen eiseres en referente definitief is verbroken. In dit verband wijst de rechtbank op het volgende.

Referente is in april 1995 Nederland ingereisd met achterlating van eiseres in Suriname bij haar ouders. Referente is vervolgens hier te lande een relatie aangegaan en heeft een gezin gesticht, waarvan eiseres nimmer deel heeft

uitgemaakt. Sedert juli 1996 heeft referente een nieuwe relatie, met D, met wie zij een nieuw gezin heeft gesticht. Eiseres heeft ook van dit gezin nimmer deel uitgemaakt.

Uit de stukken is gebleken dat referente eerst op 28 juli 1998 aantoonbare serieuze pogingen heeft ondernomen om eiseres naar Nederland over te laten komen in het kader van gezinshereniging. Dat referente sedert haar vertrek uit

Suriname in 1995 steeds de intentie heeft gehad eiseres naar Nederland over te laten komen heeft zij niet aangetoond.

Referente heeft daartoe geen (objectief verifieerbare) feiten of omstandigheden gesteld, terwijl in hetgeen zij heeft aangevoerd daartoe ook geen aanknopingspunten zijn te vinden. Dit geldt temeer nu uit verklaringen van referente

valt af te leiden dat de beweegreden voor referente om eiseres naar Nederland over te laten komen ligt in de omstandigheid dat de ouders van referente niet langer in staat zouden zijn voor eiseres te zorgen.

De stelling dat referente reeds eerder - te weten in 1995, 1996 dan wel 1997 - aan de Vreemdelingendienst kenbaar zou hebben gemaakt dat zij eiseres wil laten overkomen en dat zij getracht zou hebben een aanvraag om verlening van

een machtiging tot voorlopig verblijf ten behoeve van eiseres in te dienen, is niet aangetoond. Uit de omstandigheid dat eiseres in 1997 voor de duur van zes maanden in Nederland heeft verbleven op grond van een toeristen- visum

volgt geenszins de intentie van referente. Immers, dit duidt er juist op dat destijds slechts tijdelijk verblijf werd beoogt. Voorts brengt de enkele intentie om een gezinsband te vormen nog niet het daadwerkelijk bestaan van zo'n

band mee.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat referente niet heeft aangetoond dat zij sedert haar vertrek uit het land van herkomst steeds in de kosten van levensonderhoud van eiseres heeft voorzien. Met name over de periode van 1995

tot en met 1997 heeft referente in het geheel geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij in het levensonderhoud van eiseres heeft voorzien. Voor zover referente stelt in de voornoemde periode geld en goederen voor eiseres te

hebben gestuurd, merkt de rechtbank op dat zij dit niet heeft aangetoond.

Verder is de rechtbank van oordeel dat referente niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij sedert haar vertrek uit Suriname zich met de opvoeding en verzorging van eiseres heeft bemoeid.

Ten slotte merkt de rechtbank op dat referente niet heeft aangetoond dat zij in de periode van 1995 tot en met 1998 regelmatig - telefonisch dan wel schriftelijk - contact heeft gehad met eiseres. Dat referente in

1997 en 1998 naar Suriname is geweest vormt op zichzelf onvoldoende grond voor de conclusie dat de feitelijke gezinsband is blijven bestaan.

Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat eiseres geen

verblijfsaanspraken kan ontlenen aan de Overeenkomst Suriname 1981.

Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding het onderhavige beroep - in afwachting van de uitspraken van de REK- aan te houden.

Uit het voorgaande vloeit tevens voort dat eiseres geen aanspraak kan maken op toelating ingevolge het gezinsherenigingsbeleid neergelegd in hoofdstuk B1/5 van de Vc. Immers, de rechtbank heeft vastgesteld dat de feitelijke

gezinsband definitief is verbroken.

Niet is gebleken dat eiseres aan enige andere door verweerder gehanteerde beleidsregel aanspraak kan ontlenen op toelating.

Van bijzondere omstandigheden die leiden tot de conclusie dat verweerder aan eiseres, in afwijking van het gevoerde beleid, om (andere) klemmende redenen van humanitaire aard een machtiging tot voorlopig verblijf had behoren te

verlenen, is de rechtbank evenmin gebleken. Daartoe neemt de rechtbank in de eerste plaats in aanmerking dat eiseres in Suriname is geboren en getogen alsmede dat zij haar gehele leven in Suriname heeft doorgebracht en aldaar

onderwijs volgt, zodat zij geacht kan worden in Suriname te zijn geworteld. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat niet gebleken is dat voor eiseres in Suriname geen opvang meer is dan wel dat achterlating van eiseres een

onevenredige hardheid betekent, terwijl evenmin is gebleken dat eiseres in een onhoudbare situatie verkeerd. In dit verband wordt opgemerkt dat eiseres niet zeer jong meer is alsmede dat niet afdoende gebleken is dat haar

grootouders, die haar sedert het vertrek van referente uit Suriname verzorgen, daartoe niet langer in staat zouden zijn. Hierbij is van belang dat eiseres inmiddels een dusdanige leeftijd heeft bereikt dat zij geen intensieve

verzorging meer behoeft maar juist in toenemende mate geacht kan worden voor zichzelf te kunnen zorgen. Bovendien is gebleken dat eiseres in het land van herkomst nog familieleden heeft -waaronder ooms en tantes, waarvan enkelen in

dezelfde woning wonen als eiseres en haar grootouders, alsmede de vader van eiseres- die de grootouders van eiseres kunnen steunen bij de opvoeding en verzorging van eiseres en zonodig (al dan niet gezamenlijk) tevens de zorg voor

eiseres op zich kunnen nemen.

Gelet hierop ziet de rechtbank in de stelling van eiseres dat haar grootmoeder wegens haar (slechte) gezondheidstoestand niet (meer) in staat zou zijn de opvoeding en verzorging van eiseres op zich te nemen, geen aanleiding om te

oordelen dat verweerder eiseres om die reden op grond van klemmende redenen van humanitaire aard had moeten toelaten, nog daargelaten dat een en ander niet met medische stukken is onderbouwd.

Voor zover de situatie voor eiseres in het land van herkomst minder gunstig is dan in Nederland vormt dat geen reden om haar toe te laten.

Eiseres verschilt daarin niet van vele van haar landgenoten aan wie evenmin om die reden verblijf wordt toegestaan.

Ten slotte dient te worden beoordeeld of de weigering om eiseres een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen leidt tot strijd met het bepaalde in artikel 8 EVRM. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

In het onderhavige geval is door verweerder niet bestreden dat er tussen eiseres en referente sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM. De weigering eiseres een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen

vormt naar het oordeel van de rechtbank evenwel geen inmenging in dit familie- of gezinsleven, nu het bestreden besluit er niet toe strekt eiseres een verblijfstitel te ontnemen die haar tot de uitoefening van het familie- of

gezinsleven in staat stelde.

Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of er uit eerbiediging van het familie- of gezinsleven tussen eiseres en referente een positieve verplichting voortvloeit voor verweerder om eiseres niettemin

een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het belang van de Nederlandse staat om met het oog op de bevolkings- en werkgelegenheidssituatie in Nederland een restrictief

toelatingsbeleid te voeren in het onderhavige geval in redelijkheid heeft kunnen laten prevaleren boven het belang van eiseres om een machtiging tot voorlopig verblijf te krijgen. Naast hetgeen hiervoor al is overwogen neemt de

rechtbank in aanmerking dat blijkens de gedingstukken referente er om haar moverende redenen voor heeft gekozen om met achterlating van eiseres bij haar grootouders in Suriname naar Nederland te vertrekken en hier te lande een

relatie aan te gaan en een gezin te stichten, waarvan eiseres nimmer deel heeft uitgemaakt. De rechtbank is van oordeel dat de consequenties van de destijds door referente genomen beslissingen ten aanzien van de opvoeding van

eiseres bij voornoemde belangenafweging in beginsel voor haar eigen rekening dienen te komen. Bij het voorgaande heeft de rechtbank tevens in aanmerking genomen dat niet is gebleken dat er objectieve belemmeringen zijn om het

familie- of gezinsleven in Suriname te kunnen uitoefenen.

De weigering om eiseres een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen belet overigens niet de voorzetting van het familie- of gezinsleven tussen eiseres en referente zoals dat thans bestaat terwijl eiseres nog in het land van

herkomst verblijft.

Gezien het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat verweerder

niet in strijd met artikel 8 EVRM heeft gehandeld door eiseres een machtiging tot voorlopig verblijf te weigeren.

Op grond van het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Nu er geen aanleiding bestaat om het bestreden besluit te vernietigen en niet is gebleken van feiten of omstandigheden die nopen tot veroordeling van verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten, zal de rechtbank geen

toepassing geven aan artikel 8:75 van de Awb.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. J.C.A.M. Claassens als rechter in tegenwoordigheid van mr. D.S. Arjun Sharma als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2000

Afschriften verzonden: 7 maart 2000

TH