Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA7028

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-06-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
00/2743
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

UITSPRAAK

op grond van artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht (Awb) jo artikel 34a Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr.: AWB 00/2743 VRWET

inzake : A, van Nigeriaanse nationaliteit, zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande, eiser,

tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij bevel tot bewaring van 28 april 2000 is eiser op grond van artikel 26, eerste lid onder a van de Vw in bewaring gesteld. Verweerder heeft op 28 april 2000 schriftelijk een last tot uitzetting van eiser gegeven.

Bij beroepschrift van 30 april 2000 heeft mr. P.F.A.B. Vos, advocaat te Amsterdam, namens eiser beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder tot bewaring. Daarbij is opheffing van de maatregel tot bewaring gevorderd alsmede

toekenning van schadevergoeding en veroordeling van verweerder in de proceskosten.

Op 4 mei 2000 heeft verweerder de vrijheidsontnemende maatregel opgeheven en is eiser naar Nigeria uitgezet.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van 10 mei 2000. Eiser is aldaar vertegenwoordigd door gemachtigde mr. W. de Vries, advocaat te Amsterdam. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door gemachtigde mr. H.H.R.

Bruggeman, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van verweerders ministerie.

II. OVERWEGINGEN

Eiser heeft het volgende -zakelijk weergegeven- aangevoerd. Op 28 april 2000 is er een inval geweest op het adres [...]straat 232 te B.

Eiser is bij deze inval aangehouden op grond van artikel 10A Opiumwet.

Eiser was op dat moment in het bezit van een geldig Schengen-visum. Eiser stelt, onder verwijzing naar hoofdstuk A4/3.8 Vreemdelingencirculaire 1994 (hierna: Vc), dat de bewaring onrechtmatig is aangezien het visum niet is

geannuleerd.

Verweerder heeft het volgende -zakelijk weergegeven- aangevoerd. Aan alle formele en materiële vereisten voor inbewaringstelling is voldaan.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat door de geldigheid van het visum van eiser van rechtswege is vervallen en dat dit door verweerder niet behoeft te worden geannuleerd.

De rechtbank overweegt het volgende.

De rechtbank stelt vast dat na de indiening van het beroep de bewaring is opgeheven. Thans moet worden beoordeeld of er gronden zijn om schadevergoeding aan eiser toe te kennen.

De rechtbank stelt vast dat eiser niet beschikte over een geldige titel tot verblijf. Zijn identiteit en nationaliteit stonden niet vast nu eiser bij zijn aanhouding, op 28 april 2000 op grond van verdenking van overtreding van

artikel 10a Opiumwet, een naam opgaf die, naar bleek, niet overeenkwam met de naam welke voorkwam op het in zijn bezit zijnde

Nigeriaanse paspoort. Eiser beschikte evenmin over een vaste woon- en verblijfplaats hier te lande noch over voldoende middelen van bestaan.

Zijn uitzetting was gelast. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerders standpunt dat er voldoende aanleiding was om aan te nemen dat eiser zich aan zijn verwijdering zou onttrekken, niet ongegrond was.

Uit het paspoort van eiser is gebleken dat hij in het bezit was van een Schengen-visum, afgegeven op 25 maart 2000 en geldig tot 10 mei 2000.

Naar aanleiding van de door eiser opgeworpen stelling dat het bezit van dit visum betekent dat eiser niet in bewaring mocht worden gesteld en de inbewaringstelling onrechtmatig was, overweegt de rechtbank als volgt.

Allereerst overweegt de rechtbank dat een visum geen verblijfstitel is, doch een aantekening in het paspoort dat is vereist in het kader van een controle vooraf aan de toegang tot het Nederlandse grondgebied c.q. het

Schengen-gebied. Eerst na aankomst in Nederland ontstaat daardoor op grond van artikel 8 Vw een verblijfstitel, de vrije termijn. Door het opgeven van een valse naam heeft eiser gehandeld in strijd met de in artikel 8 Vw genoemde

voorwaarden, hetgeen leidt tot een beëindiging van de vrije termijn. Op grond daarvan was verweerder in beginsel gerechtigd eiser, nu ook aan de andere voorwaarden daarvoor is voldaan, in bewaring te stellen.

Met betrekking tot het visum wordt in hoofdstuk A4/3.8 Vc 1994 gesteld dat de korpschef, indien hij constateert dat de houder van een geldig visum niet meer voldoet aan de in artikel 8 juncto artikel 6 Vw gestelde voorwaarden, in

verband met een eventuele verwijdering telefonisch contact dient op te nemen met de IND. Indien tot verwijdering van de vreemdeling wordt besloten moet het in zijn reisdocument gestelde visum worden geannuleerd door daarin een

aantekening aan te brengen.

In hoofdstuk A8/2.1.2 van de Grensbewakingscirculaire 1995 staat verder vermeld:

Uitzetting mag niet plaatsvinden:

(...)

b. zolang de vreemdeling in het bezit is van een geldig visum; (...)

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het bezit van een nog geldig visum een uitzettingsbeletsel vormt. Een en ander wordt nog bevestigd door hetgeen is gesteld in TBV 2000/10 c.q.

BTG 2000/01 onder 4.2.a:

4.2.a. visumplichtigen

Het normaal geldende beleid is van toepassing. Relevante bepalingen met betrekking tot de openbare orde en annulering van visa zijn opgenomen in Vc A4/2.6 en A4/3.8.

Indien een vreemdeling niet meer voldoet aan de voorwaarden voor grensoverschrijding kan de korpschef, na verkregen machtiging van Team Zuid-Oost, het visum annuleren (danwel limiteren in het geval van een Schengenvisum) en de

vreemdeling aanzeggen Nederland onmiddellijk te verlaten. Indien de openbare orde dit vordert kan de betrokkene in bewaring worden gesteld ex artikel 26 Vw. Men ziet voor bepalingen met betrekking tot de openbare orde Vc A4/2.6.

Het feit dat er een uitzettingsbeletsel aanwezig is maakt op zich nog niet dat de bewaring onrechtmatig is. Van verweerder mag immers worden verwacht dat zij voortvarend te werk gaat bij het opheffen van het beletsel, in deze in de

vorm van de annulering c.q. limitering van het visum. Nu het, zoals hierboven is weergegeven, gaat om een zeer eenvoudige procedure die geheel telefonisch kan worden afgedaan, kan deze nog op de dag van de inbewaringstelling, dan

wel de volgende dag indien de inbewaringstelling op een laat tijdstip plaatsvindt, worden afgedaan.

In de onderhavige zaak is de rechtbank van oordeel dat de bewaring ingaande 29 april 2000 als onrechtmatig moet worden aangemerkt, nu eiser op 28 april 2000, 's-middags om 13.30 uur in bewaring is gesteld en er op die dag derhalve

nog voldoende tijd was voor dit telefonisch overleg.

Nu de bewaring onrechtmatig wordt geoordeeld heeft eiser in beginsel aanspraak op schadevergoeding, behoudens gronden van billijkheid die tot matiging kunnen leiden.

De rechtbank acht dergelijke gronden niet aanwezig.

De rechtbank ziet op grond van het voorgaande aanleiding gebruik te maken van de bevoegdheid om schadevergoeding toe te kennen als genoemd in artikel 34j Vw en wel tot een bedrag van fl. 200,- per dag dat eiser ten onrechte op een

politiebureau aan de vrijheidsontnemende maatregel onderworpen is geweest, derhalve in totaal fl. 1.000,-

Gelet op het vorenstaande is er voorts aanleiding om verweerder als de in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten van eiser in verband met de behandeling van het beroep, welke zijn begroot op fl. 1.420,- als kosten

van verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING:

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding toe en kent ten laste van de Staat der Nederlanden aan eiser een schadevergoeding toe van fl. 1.000,- , te betalen door de griffier van de rechtbank;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van fl. 1.420,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten dient te vergoeden en aan de griffier dient te betalen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.P. Smit, rechter, en door deze in het openbaar uitgesproken op 14 juni 2000, in tegenwoordigheid van mr. C.J. Avis, griffier.

Afschrift verzonden op:

Conc.: JA

Coll:

Bp:

D:

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het gerechtshof te 's-Gravenhage, voor zover het betreft het al dan niet toekennen van schadevergoeding of de hoogte daarvan. De Officier van Justitie kan binnen veertien dagen na de

uitspraak en de vreemdeling binnen een maand na de betekening van de uitspraak hoger beroep instellen door het afleggen van een daartoe strekkende verklaring bij de griffie van deze rechtbank.