Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA6916

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-06-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 99/10716, 99/10718
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2000/207 met annotatie van JDMS

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

meervoudige kamer

Uitspraak

artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 33a Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr.: AWB 99/10716 S1813 & AWB 99/10718 S1813

inzake : A, geboren op [...] 1980, en B, geboren op [...] 1983, wonende te Suriname, eisers,

tegen : de Minister van Buitenlandse Zaken, verweerder.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eisers bezitten de Surinaamse nationaliteit. Op 12 oktober 1998 heeft C, moeder van eisers (hierna: referente) bij de

korpschef van de politieregio Amsterdam-Amstelland een aanvraag ingediend om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) ten behoeve van eisers. Bij (afzonderlijke) besluiten van 19 februari 1999 heeft

verweerder op deze aanvraag afwijzend beslist. Eisers hebben tegen deze besluiten bezwaar gemaakt bij bezwaarschrift van 11 maart 1999, aangevuld bij brief van 12 mei 1999. Referente is op 21 juli 1999 gehoord door een ambtelijke

commissie (AC) van verweerder. Het bezwaar is ongegrond verklaard bij (afzonderlijke) besluiten van 23 augustus 1999.

2. Eisers hebben tegen deze afwijzende besluiten beroep ingesteld bij de rechtbank bij beroepschrift van 20 september 1999. Op 26 november 1999 zijn de op de zaken betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In

het verweerschrift van 29 maart 2000 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep. Eisers hebben hun standpunt nog nader onderbouwd bij schrijven van 10 april 2000.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 april 2000. Eisers zijn aldaar vertegenwoordigd door mr. C.A. Goudsmit, advocaat te Amsterdam.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door gemachtigde mr. T.H.T.W. Zee, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van artikel 33d Vw worden besluiten omtrent de afgifte van mvv's gegeven krachtens het Souverein Besluit van 12 december 1813, voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, gelijkgesteld met

besluiten aangaande de toelating, gegeven op grond van de Vw. De rechtbank 's-Gravenhage is derhalve bevoegd.

2. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Bij de beantwoording van die vraag gaat de rechtbank uit van de volgende feiten. Eisers zijn geboren uit de relatie tussen referente en D. D is geboren

op [...] 1959 en

woont in Suriname. Na verbreking van genoemde relatie, in 1986, zijn eisers bij referente blijven wonen.

Referente is op 3 maart 1992 Nederland ingereisd. Eisers zijn na het vertrek van referente gaan wonen bij hun grootouders, moederszijde. Zij hebben daar gewoond in de periode lopend van maart 1992 tot januari 1996.

Vervolgens zijn eisers van januari 1996 tot en met augustus 1996 tijdelijk

opgenomen geweest in het gezin van de broer van referente.

Sedert augustus 1996 wonen eisers bij hun grootouders, vaderszijde.

Referente is in januari 1993 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning voor verblijf bij haar Nederlandse partner en heeft in 1995 de Nederlandse nationaliteit verkregen. Referente is belast gebleven met het ouderlijk gezag.

Zij heeft diverse documenten overgelegd waaruit blijkt dat zij sedert haar vertrek gelden ten behoeve van eisers heeft overgemaakt en waaruit blijkt dat er regelmatig telefonisch contact is geweest. Referente heeft eisers jaarlijks,

met uitzondering van het jaar 1998, in Suriname bezocht. Blijkens diens verklaring van 8 december 1998 heeft de vader van eisers, D, geen bezwaar tegen het vertrek en verblijf van eisers bij hun moeder. In een verklaring van C. dos

Ramos, arts, van 18 februari 1999 blijkt dat E,

grootvader van eisers, vaderszijde, reeds enkele jaren blind is en dat diens echtgenote, F reeds enkele jaren ziek is. In de

verklaring staat voorts dat de grootouders van eisers, vaderszijde, vanwege hun ziekte en sociale toestand niet meer in staat zijn voor hun kleinkinderen te zorgen.

3. Verweerder heeft zich in de bestreden besluiten van 23 augustus 1999 op het standpunt gesteld dat eisers niet in aanmerking komen voor een vergunning tot verblijf op grond van het gezinsherenigingsbeleid.

Verweerder acht onvoldoende aannemelijk geworden dat eisers na het vertrek van referente uit Suriname feitelijk zijn blijven behoren tot het gezin van referente. Referente heeft zes jaar gewacht met het doen van de onderhavige

mvv-aanvraag. Ten aanzien van de stelling dat de vader van eisers in die periode geen toestemming wilde verlenen voor het verblijf van eisers in Nederland stelt verweerder dat referente niet heeft kunnen verklaren waarom zij niet is

teruggekeerd naar Suriname om voor eisers te zorgen en om hun vader te bewegen toestemming te geven zodat eisers bij haar kunnen verblijven. Gelet hierop alsmede gelet op het feit dat aangetoond noch aannemelijk is gemaakt dat

referente altijd de intentie heeft gehad eisers over te laten komen, kan niet worden volgehouden dat de gezinsband is blijven bestaan en dat er geen sprake is van duurzame opneming in een ander gezin.

Voorts is onvoldoende aannemelijk geworden dat eisers niet in Suriname kunnen worden opgevangen. Eisers zijn 16 en 18 jaar oud en zij behoeven geen intensieve verzorging meer. Van hen kan in vrij grote mate worden verwacht zich

zelfstandig te handhaven in Suriname. Derhalve kan aan de omstandigheid dat eisers grootmoeder ziek is geen doorslaggevende betekenis worden toegekend. Referent kan door het overmaken van geld ondersteuning bieden in de kosten van

levensonderhoud. Ten overvloede stelt verweerder nog dat uit de medische verklaring niet blijkt wat de grootmoeder van eisers mankeert.

4. Eisers menen dat zij in aanmerking komen voor een vergunning tot verblijf op grond van het gezinsherenigingsbeleid. Daartoe leggen zij aan hun beroep het volgende ten grondslag.

Met de stelling dat het tijdsverloop tussen 3 maart 1992 en 12 oktober 1998 er op duidt dat eisers feitelijk niet meer tot het gezin van referente behoren, gaat verweerder voorbij aan hetgeen in zijn eigen beleid op dit punt, in

hoofdstuk B1/5.1 van de Vreemdelingencirculaire 1994 (Vc) is neergelegd. Geen van de in deze paragraaf genoemde omstandigheden, op grond waarvan de gezinsband verbroken moet worden geacht, doet zich hier voor.

Referente is immers nog belast met het gezag over eisers, zij neemt nog steeds alle belangrijke beslissingen aangaande de opvoeding en verzorging van eisers. Daarnaast heeft referent aangetoond dat zij sinds haar vertrek voorziet in

de kosten van levensonderhoud van haar kinderen. Nu geen van de in het beleid genoemde omstandigheden zich voordoen, rust op verweerder een zeer zware motiveringsplicht wanneer hij desondanks van mening is dat de gezinsband is

verbroken. Een dergelijke motivering ontberen de bestreden

besluiten. Eisers verwijzen in dit verband naar een uitspraak van deze rechtbank, zittinghoudende te Haarlem, van 1 december 1999 (Jub 2000, nr. 3 - 47). De rechtbank overweegt in die zaak dat uit de opsomming van de voorbeelden in

het beleid in hoofdstuk B1/5.1 Vc logischerwijze voortvloeit dat in de tegenovergestelde situaties de gezinsband niet spoedig verbroken zal worden geacht.

Voor het feit dat referente eisers niet eerder heeft laten overkomen, heeft zij een goede reden gegeven. Referente is direct nadat zij in het bezit was van een verblijfsvergunning naar Suriname gegaan om de overkomst van eisers te

regelen. Referente heeft toen van de vreemdelingendienst vernomen dat hiervoor vereist was dat zij toestemming kreeg van de vader van eisers. De vader van eisers wilde echter van hun vertrek niets weten en hij verleende geen

toestemming. Aangezien de vader van eisers drugsverslaafd is en geen vaste woon- of verblijfplaats heeft, was het voor referente niet zinvol om in Suriname te blijven om hem te overreden. Het grootste deel van de tijd was hij

namelijk onvindbaar. Eisers verwijzen naar een uitspraak van deze rechtbank, zittinghoudende te Haarlem van 18 januari 2000 (Jub 2000, nr. 4 - 75), waarin de rechtbank overweegt dat ook in de situatie, dat een ouder met het gezag

belast is gebleven en is blijven voorzien in de kosten van opvoeding en verzorging, niettemin geconcludeerd kan worden dat de feitelijke gezinsband is verbroken. Dit is volgens de rechtbank afhankelijk van de duur van de feitelijke

scheiding, de deugdelijkheid van de daarvoor aangevoerde reden(en) en de wijze waarop gedurende die scheiding aan de relatie invulling is gegeven.

5. Verweerder heeft in het verweerschrift het in de bestreden besluiten neergelegde standpunt gehandhaafd. Verweerder heeft daaraan nog het volgende toegevoegd.

In hoofdstuk B1/5.1 van de Vc staat geen limitatieve opsomming van gevallen waarin de feitelijke gezinsband verbroken moet worden geacht.

Expliciet staat in dit hoofdstuk dat de bewijslast om aan te tonen dat de gezinsband niet is verbroken ligt bij de in Nederland verblijvende ouder. Naarmate de scheiding langer duurt, wordt de bewijslast voor de persoon in Nederland

zwaarder. De ouder zal goede redenen moeten aanvoeren, waarom hij of zij het kind niet eerder naar Nederland heeft laten overkomen. Verweerder meent dat de gezinsband is verbroken, nu de scheiding zes jaar heeft geduurd en er geen

goede redenen zijn aangevoerd waarom pas op 12 oktober 1998 een aanvraag is ingediend. De stelling dat de vader van eisers niet mee wilde werken, is niet onderbouwd. Verweerder acht onbegrijpelijk dat referente niet is teruggekeerd

naar Suriname om voor eisers te zorgen en de vader er toe te bewegen toestemming te geven eisers naar Nederland te laten gaan. Referente is niet teruggekeerd en heeft geen gerechtelijke stappen ondernomen om deze toestemming te

verkrijgen of de voogdijwijziging te vragen. Dit telt des te meer nu de vader van eisers volgens referente het grootste deel van de tijd onvindbaar was en drugsverslaafd is. Tot slot meent verweerder dat de indruk ontstaat dat

referente eerst de intentie heeft gehad eisers te laten overkomen nadat de grootmoeder van eisers bij brief van 14 september 1998 te kennen had gegeven niet meer voor eisers te kunnen zorgen.

6. Ter zitting heeft verweerder nog gesteld dat het bij de beantwoording van de vraag of de gezinsband is verbroken gaat om de verantwoordelijkheid die de ouder heeft genomen. Als objectief toetsingscriterium geldt in dit verband

het tijdsverloop tussen het vertrek van referente naar Nederland en het verzoek om de overkomst van eisers. Een meer subjectief element is de vraag of referente met het morele gezag over eisers belast is gebleven; of zij belangrijke

beslissingen in het kader van de opvoeding van eisers heeft genomen. In deze zaak speelt niet alleen het tijdsverloop, maar is tevens onvoldoende aangetoond dat referente het morele gezag is blijven uitoefenen. Verweerder heeft

reeds eerder in de procedure gesteld dat het

morele gezag onvoldoende is aangetoond.

De rechtbank overweegt het volgende.

7. Voor een verblijf in Nederland van langer dan drie maanden behoeft een vreemdeling in beginsel een der verblijfstitels genoemd in de artikelen 9 tot en met 10 Vw. Met het oog hierop pleegt een aanvraag om een mvv te worden

getoetst aan dezelfde criteria als die welke strekken tot het verkrijgen van een vergunning tot verblijf. Een mvv kan, evenals een vergunning tot verblijf ingevolge artikel 11 lid 5 van de Vw worden geweigerd op gronden aan het

algemeen belang ontleend.

8. Bij de toepassing van dit artikellid wordt het beleid gevoerd dat vreemdelingen niet voor toelating in aanmerking komen, tenzij met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel klemmende

redenen van humanitaire aard of verplichtingen voortvloeiende uit internationale overeenkomsten tot toelating nopen. Dit beleid is neergelegd in de Vc.

9. Ter beoordeling staat of eisers voldoen aan de criteria die de Vc stelt voor toelating in het kader van gezinshereniging. Het op dit punt gevoerde beleid is neergelegd in hoofdstuk B1/5 van de Vc. In dit hoofdstuk is, voor zover

hier van belang, bepaald dat voor verlening van een vergunning tot verblijf in het kader van gezinshereniging -indien aan de daartoe gestelde vereisten wordt voldaan- in aanmerking komen de al dan niet uit het huwelijk geboren

minderjarige kinderen (bijvoorbeeld voorkinderen van één van beide echtgenoten of pleegkinderen), mits zij feitelijk tot het gezin behoren. Het bestaan van een familierechtelijke relatie moet met gelegaliseerde officiële documenten

worden aangetoond. De minderjarigheid wordt beoordeeld naar Nederlands recht.

Met betrekking tot de feitelijke gezinsband wordt in hoofdstuk B1/5.1 van de Vc verder gesteld dat de gezinsband met (een van) de ouders reeds in het buitenland moet hebben bestaan. De kinderen behoren niet langer feitelijk tot het

gezin, indien de gezinsband als (feitelijk) verbroken kan worden beschouwd. Dit doet zich in elk geval voor indien er sprake is van:

- duurzame opneming in een ander gezin in de situatie dat de ouders ook niet meer met het gezag zijn belast;

- een duurzame opname in een ander gezin in de situatie dat de ouders niet meer voorzien in de kosten van opvoeding en verzorging;

- het zelfstandig gaan wonen en in eigen onderhoud voorzien;- het vormen van een zelfstandig gezin door het aangaan van een huwelijk of een relatie;

- het belast zijn met de zorg voor buitenhuwelijkse kinderen.

De bewijslast om aan te tonen dat de feitelijke gezinsband tussen ouder en kind niet is verbroken ligt bij de in Nederland verblijvende ouder, die de overkomst van het kind vraagt. Naarmate de scheiding tussen ouder en kind langer

duurt, wordt de bewijslast voor de persoon in Nederland zwaarder. De ouder zal goede redenen moeten aanvoeren, waarom hij of zij het kind niet eerder naar Nederland heeft laten overkomen. Tevens zal de ouder moeten aantonen op welke

wijze invulling is gegeven aan de relatie tussen ouder en kind in de periode van scheiding.

10. In een brief van de Staatssecretaris van Justitie aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 26 mei 1997 (TK 1996-1997, 25 001, nr. 26) heeft deze het volgende geschreven:

De fractie van D66 vroeg naar de invulling die wordt gegeven aan het begrip «feitelijk behoren tot het gezin» bij de beoordeling of kinderen voor toelating in aanmerking komen. Dit betekent dat er een feitelijke invulling moet

worden gegeven aan de band tussen ouder en kind. In de Vreemdelingencirculaire (B1\5.1.2) staan de situaties waarin de gezinsband als verbroken kan worden beschouwd, beschreven. Een kind behoort niet langer feitelijk tot het gezin

indien:

- er sprake is van een duurzame opneming in een ander gezin in de situatie dat de ouders ook niet meer met het gezag zijn belast en/of - indien er sprake is van een duurzame opneming in een ander gezin in de

situatie dat de ouders niet meer voorzien in de kosten van opvoeding en verzorging.

Gelet op deze voorwaarden wordt het verbreken van de feitelijke gezinsband in het huidige beleid niet snel aangenomen. Bovendien wordt er strikt gekeken naar de feitelijke situatie. Naar mate het kind langer buiten Nederland heeft

verbleven wordt de bewijslast dat de gezinsband nog in stand is natuurlijk wel zwaarder, maar er worden geen termijnen gesteld waarna verbreking in alle gevallen zou moeten worden aangenomen. Gelet op de vraag zal de tekst van de

Vreemdelingencirculaire B1 evenwel worden verduidelijkt en zal een passage over de bewijslastverdeling worden opgenomen.

11. Het in de beslissing in primo opgenomen uitgangspunt van verweerder inhoudende dat een kind, dat in het land van herkomst is achtergebleven, slechts dan feitelijk is blijven behoren tot het gezin van de in Nederland verblijvende

ouder, indien er pogingen zijn ondernomen om het kind zo snel als redelijkerwijs mogelijk was in het kader van gezinshereniging naar Nederland te halen, strookt niet met de uitgangspunten van het beleid zoals in eerdergenoemde brief

van de Staatssecretaris van Justitie van 26 mei 1997 zijn opgenomen. Daarbij wordt in de uitvoering van het beleid aan het tijdsverloop, zoals ook door de gemachtigde van verweerder ter zitting is verdedigd, zelfstandige en

doorslaggevende betekenis toegekend, een betekenis welke in het door verweerder geformuleerde beleid niet te lezen valt. Uit de tekst van de Vc en de toelichting van de Staatssecretaris in eerdergenoemde brief valt slechts op te

maken dat aan de factor tijdsverloop uitsluitend betekenis toekomt in het kader van de bewijslastverdeling.

12. Nu het in het beleid gaat om de feitelijke invulling van de gezinsband zal, mede gezien de in het beleid gestelde voorwaarden, met name van belang zijn of de in Nederland verblijvende ouder belast is gebleven met het gezag over

het kind en is blijven voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind.

13. Tussen partijen is niet (meer) in geschil dat referente sedert haar komst naar Nederland is blijven voorzien in de kosten van opvoeding en verzorging van eisers. In de besluiten in primo heeft verweerder zulks nog tegengeworpen

maar nadat in de bezwaarfase een tiental betalingsbewijzen zijn overgelegd heeft verweerder dit punt niet langer gehandhaafd.

14. Voorts staat vast dat referente belast is gebleven met het juridische gezag over eisers. Verweerder heeft ter zitting de stelling ingenomen dat niet is aangetoond dat referente na haar vertrek naar Nederland belast is gebleven

met het morele gezag over eiseres. De rechtbank vat deze stellingname op, nu het begrip moreel gezag niet te herleiden valt tot een in het beleid geformuleerde eis, als een tegenwerping met betrekking tot de feitelijke invulling van

de relatie tussen referente en eisers. Afgezien van het feit dat dit punt, anders dan verweerder stelt, niet eerder door verweerder is tegengeworpen, en het ook geen onderwerp is geweest dat bij het horen van referente aan de orde

is gesteld, is de rechtbank van oordeel dat op basis van de voorhanden gegevens niet kan worden geconcludeerd dat referente niet de belangrijke beslissingen in het kader van de opvoeding en verzorging van eiseres heeft genomen. Op

grond van de regelmatige contacten die referente met eisers heeft onderhouden, alsmede het feit dat referente ieder jaar eisers in de vakantie in Suriname heeft bezocht komt de rechtbank tot het oordeel dat een zodanige feitelijke

invulling aan de band tussen referente en eisers is gegeven dat gesteld kan worden dat referente met het gezag belast is gebleven.

15. Gezien het hiervoor gestelde kan thans als vaststaand worden aangenomen dat referente na haar vertrek is blijven voorzien in de kosten van opvoeding en verzorging van eiseres, alsmede dat referente belast is gebleven met het

gezag over eisers. Gelet op de in het beleid opgenomen

voorwaarden, mede gezien de toelichting van verweerder in de brief van 26 mei 1997, kan derhalve het verbreken van de feitelijke gezinsband niet snel worden aangenomen. Zoals hiervoor al is overwogen komt aan het tijdsverloop in

deze geen zelfstandige betekenis toe. Nu feiten of omstandigheden die zouden moeten leiden tot een andersluidende conclusie niet zijn gesteld, noch daarvan is gebleken, is de rechtbank van oordeel dat de feitelijke gezinsband tussen

referente en eisers niet is verbroken.

16. Gezien hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat de bestreden besluiten berusten op een feitelijk onjuiste grondslag, een deugdelijke motivering ontberen en derhalve genomen zijn in strijd met artikel 7:12

Awb. Gelet hierop is het beroep gegrond. De bestreden besluiten zullen worden vernietigd en verweerder zal worden opgedragen nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van het bepaalde in deze uitspraak.

17. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eisers in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs hebben moeten maken.

Deze kosten zijn begroot op Fl. 1.420,- als kosten van verleende rechtsbijstand.

18. Ingevolge artikel 8:74 lid 1 Awb, dient het griffierecht te worden vergoed door de rechtspersoon, aangewezen door de rechtbank.

De rechtbank beslist daarom als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt de bestreden besluiten;

3. bepaalt dat verweerder nieuwe besluiten neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eisers betaalde griffierecht ad Fl. 225,-;

5. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op Fl. 1.420,- (zegge: veertienhonderdtwintig gulden), te betalen door de Staat der Nederlanden aan eisers.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.P. Smit, voorzitter, mr. M. Lolkema en mr. C.P.E. Meewisse, rechters, en uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2000, door voornoemde voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A.R.P.J. Davids,

griffier, welke laatste buiten staat is deze uitspraak te ondertekenen..

Afschrift verzonden op: 31 juli 2000

Conc.:AD

Coll:

Bp:-

D:B

110497