Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA6912

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
31-05-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 00/5434
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE

Zittingsplaats Zwolle

Vreemdelingenkamer

President

regnr.: Awb 00/5434 VRWET Z VZ

uitspraak: 31 mei 2000

UITSPRAAK

inzake: A,

geboren op [...] 1979,

verblijvende te B,

van Srilankaanse nationaliteit,

IND dossiernummer 9812.23.6068,

verzoeker,

gemachtigde mr. W. Robben, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand Asiel te 's-Hertogenbosch;

tegen: DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. W.A. van Lint, ambtenaar ten departemente.

1 PROCESVERLOOP

1.1 Verzoeker heeft op 9 november 1998 een visum voor kort verblijf aangevraagd. Deze is hem bij beschikking van 15 januari 1999 geweigerd.

1.2 Verzoeker heeft op 5 oktober 1999 een aanvraag ingediend om toelating als vluchteling. Bij beschikking van 8 oktober 1999 heeft verweerder deze aanvraag niet ingewilligd. Op 8 oktober 1999 heeft verzoeker hiertegen bezwaar

gemaakt en is tevens verzocht om een voorlopige voorziening.

1.3 Bij uitspraak van 29 oktober 1999 heeft de president van de rechtbank 's-Gravenhage het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen en het bezwaar ongegrond verklaard. Deze uitspraak staat geregistreerd onder Awb 99/9214

Vrwet.

1.4 Op 8 mei 2000 heeft verzoeker een herhaalde aanvraag om toelating als vluchteling gedaan. Bij beschikking van 12 mei 2000 heeft verweerder de aanvraag niet ingewilligd en ambtshalve beslist aan verzoeker geen vergunning tot

verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard te verlenen. Bij de uitreiking van de beschikking is verzoeker medegedeeld dat hij de behandeling van een in te dienen bezwaarschrift niet in Nederland mag afwachten.

1.5 Verzoeker heeft daartegen bij brief van 12 mei 2000 bezwaar gemaakt.

1.6 Bij verzoekschrift van 12 mei 2000 heeft verzoeker de president verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege wordt gelaten tot op het bezwaar is beslist.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de president en aan verzoeker gezonden.

Openbare behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden ter zitting van 26 mei 2000. Verzoeker is daarbij verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2 OVERWEGINGEN

2.1 Ingevolge artikel 8:81 Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een

mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Voor zover de beslissing tot uitzetting samenhangt met de niet-inwilliging van de aanvraag om toelating als vluchteling, zal de president toetsen of er in redelijkheid geen twijfel over kan bestaan dat geen gevaar bestaat voor

vervolging in vluchtelingenrechtelijke zin.

Aangezien verweerder de aanvraag om toelating als vluchteling niet

ingewilligd heeft in het Aanmeldcentrum te Zevenaar, dient beoordeeld te worden of de aanvraag binnen de vereiste termijnen, en zonder schending van de zorgvuldigheidseisen, als kennelijk ongegrond of niet ontvankelijk kon worden

afgedaan.

Voor zover de beslissing tot uitzetting samenhangt met de beslissing aan verzoeker geen vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard te verlenen, zal de president toetsen of het bezwaar een redelijke

kans van slagen heeft.

2.3 Op grond van artikel 15 Vreemdelingenwet (Vw) in samenhang met artikel 1(A) van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen kunnen vreemdelingen die afkomstig zijn uit een land waarin zij gegronde reden hebben

te vrezen voor vervolging wegens hun godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke overtuiging of hun nationaliteit, dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of een bepaalde sociale groep, als vluchteling worden toegelaten.

2.4 Ingevolge het bepaalde in artikel 4:6 van de Awb is, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te

vermelden. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 Awb de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende

beschikking.

Ingevolge het bepaalde in artikel 15b, eerste lid, onder b van de Vreemdelingenwet wordt een aanvraag om toelating als vluchteling niet ingewilligd wegens de niet-ontvankelijkheid ervan indien de vreemdeling reeds eerder in

Nederland op gelijke gronden om toelating heeft gevraagd terwijl daarop onherroepelijk tot niet-inwilliging is besloten.

2.5 Verzoeker heeft het volgende aan zijn herhaalde aanvraag ten grondslag gelegd.

De broer van verzoeker heeft op 2 mei 2000 telefonisch contact gehad met een kennis van zijn ouders die vertelde dat het huis van de ouders is gebombardeerd door het Srilankaanse leger in verband met de werkzaamheden van verzoeker,

zijn vader en zijn broer voor de LTTE. De jongste broer en zus van verzoeker zijn meegenomen door het Srilankaanse leger.

Verzoeker verwacht bij terugkeer naar Sri Lanka problemen te krijgen met zowel het leger als met de LTTE.

2.6 Verweerder heeft de aanvraag kennelijk ongegrond verklaard.

Verzoeker heeft slechts via zijn broer en een kennis van zijn ouders vernomen dat het huis is gebombardeerd en dat zijn broer en zus door het leger zijn meegenomen. Deze informatie is afkomstig uit een niet objectief verifieerbare

bron. Verzoeker kan deze gebeurtenis niet nader concretiseren en kan bovendien niet aangeven in hoeverre het bombardement samenhangt met de activiteiten van verzoeker en zijn vader en broer.

Verzoeker heeft geen moeite gedaan documenten uit Sri Lanka te verkrijgen, hoewel de president van de rechtbank 's-Gravenhage in de uitspraak van 29 oktober 1999 heeft overwogen dat het ontbreken van documenten afbreuk doet aan de

geloofwaardigheid van het asielrelaas.

De vrees van verzoeker om bij terugkeer naar Sri Lanka problemen te krijgen met het Srilankaanse leger en de LTTE is gebaseerd op vermoedens en niet nader geconcretiseerd door middel van documenten.

Verweerder heeft nadere stukken ingebracht, te weten drie uitspraken van de rechtbank 's-Gravenhage, zittingsplaats Haarlem, van 9 mei 2000 (Awb 00/3979, 3980 en 3981), 23 mei 2000 (Awb 00/4158, 4159 en 4169) en 24 mei 2000 (Awb

00/4309, 4310 en 4311). In de uitspraak van 9 mei 2000 wordt -kortweg- overwogen dat afdoening van zaken van Tamils in de AC-procedure niet onaanvaardbaar is. In de uitspraak van 23 mei 2000 wordt bepaald dat de brief van Amnesty

International van 18 april 2000 dit oordeel niet anders maakt. Bovendien wordt overwogen dat geen sprake is van concrete gronden die de conclusie rechtvaardigen dat de bejegening van Tamils bij terugkeer een ander karakter zal

hebben dan omschreven in

het ambtsbericht van 30 september 1999, noch dat de aanname gerechtvaardigd was dat de vreemdeling in die zaak gezien de huidige stand van zaken bij terugkeer naar Sri Lanka het reële risico zou lopen te worden onderworpen aan een

behandeling die in strijd is met artikel 3 EVRM.

2.7 Verzoeker stelt zich op het volgende standpunt.

Verzoeker is van mening dat de situatie in Sri Lanka na het laatste ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van

30 september 1999 dusdanig is gewijzigd dat niet meer kan worden gesteld dat verzoeker bij terugkeer geen reëel risico zal lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. Gezien de recente berichtgeving biedt het ambtsbericht

onvoldoende basis om de veiligheidssituatie in Colombo in te kunnen schatten. De president van de rechtbank te 's-Gravenhage, zittingsplaats Zwolle, heeft bij uitspraak van 13 april 2000 bepaald dat het ambtsbericht van 30 september

1999 onvoldoende basis biedt om een verantwoorde inschatting te maken van de veiligheidssituatie in Colombo. De president van de rechtbank te 's-Gravenhage, zittingsplaats Haarlem, heeft echter bij uitspraak van 20 april 2000

bepaald dat genoemd ambtsbericht voldoende basis is.

Verzoeker wil wijzen op twee e-mails over het standpunt van het Forum for Human Dignity (FHD) van 3 en 4 mei 2000, waaruit blijkt dat de situatie in Sri Lanka zeer instabiel is. Bovendien wordt een brief van Amnesty International

van 18 april 2000 aan de Staatssecretaris van Justitie onder de aandacht gebracht. Uit deze brief blijkt dat er sinds het ambtsbericht van 30 september 1999 wel degelijk wijzingen zijn opgetreden in het risico-profiel van Tamils in

Colombo. Uit een brief van de UNHCR van 1 mei 2000 blijkt tenslotte dat de UNHCR van mening is dat het ontbreken van banden van een Tamil met Colombo een zelfstandig element dient te vormen bij de beoordeling van de vraag of Tamils

kunnen worden teruggestuurd en dat Tamils niet verwijderd dienen te worden als niet zeker gesteld is dat zij hun legitimatie/identiteitsdocumenten, ook na aankomst op de luchthaven, kunnen behouden.

Bij aanvullende gronden heeft verzoeker nog het volgende aangevoerd.

Sinds de vorige procedure hebben zich wijzigingen voorgedaan met betrekking tot de risico's die Tamils in Colombo lopen van een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. Hoewel de president van de rechtbank 's-Gravenhage in zijn

uitspraak van 29 oktober 1999 heeft overwogen dat verzoeker behoort tot een risico-categorie, maar er sprake is van een contra-indicatie nu hij onvoorwaardelijk is vrijgelaten, meent verzoeker dat de risico-plus benadering aan

herziening toe is.

Hierbij wordt verwezen naar de brief van de UNHCR van 1 mei 2000.

Bovendien verwijst verzoeker nog naar een uitspraak van het Engelse Court of Appeal van 25 januari 2000 over het binnenlands vestigingsalternatief. Ook de REK heeft in de uitspraken over Irak van 13 september 1999 en 20 maart 2000

aangegeven dat de vraag of er sprake is van een binnenlands vestigingsalternatief moet worden beantwoord aan de hand van objectieve en subjectieve criteria. Hierbij moet aansluiting worden gezocht bij de standpunten van de UNHCR.

Naar aanleiding van het ambtsbericht van 13 april 2000 heeft mr. Schoorl een WOB-verzoek ingediend om opheldering te krijgen over de geraadpleegde bronnen in het ambtsbericht. Op 10 mei 2000 heeft het Ministerie van Buitenlandse

Zaken gereageerd. Uit de reactie blijkt echter niet wie er als bronnen zijn geraadpleegd. Mr. Schoorl heeft een aanvullend WOB-verzoek ingediend. Tot op heden heeft BuiZa nog niet gereageerd. Zolang dit niet het geval is, kan aan

het ambtsbericht van 13 april 2000 niet die waarde worden toegekend die verweerder er aan wil hechten.

Gezien de bovenstaande informatie is verzoeker van mening dat zijn aanvraag niet in het Aanmeldcentrum had mogen worden afgedaan.

2.8 Met betrekking tot de algemene situatie in Sri Lanka overweegt de president als volgt.

Onder verwijzing naar de uitspraak van de Rechtseenheidskamer voor

vreemdelingenzaken van deze rechtbank (REK) van 13 maart 1997 (NAV 1997 nr. 3, p. 273-276) en naar de uitspraak van deze rechtbank van 8 oktober 1998 (JV 1998, 191) behoort vooropgesteld te worden, dat niet is gebleken dat de

politieke en mensenrechtensituatie in Sri Lanka zo zorgwekkend is, dat Tamil-asielzoekers uit dat land in het algemeen zonder meer als vluchteling moeten worden aangemerkt.

De president van de rechtbank 's-Gravenhage, zittingsplaats Zwolle, heeft in de uitspraak van 13 april 2000 (Awb 00/3684 Vrwet Z) geoordeeld dat de door verweerder ter zitting overgelegde informatie, later bevestigd door middel van

een geaccordeerde telefoonnotitie, omtrent het onderzoek van het Ministerie van Buitenlandse Zaken naar vier vermiste personen, voorhands niet tot de conclusie leidt dat de gerede twijfel die is ontstaan over de verslechterde

mensenrechtensituatie voor Tamils in Colombo is weggenomen.

De president van de rechtbank 's-Gravenhage, zittingsplaats Haarlem, heeft in de uitspraak van 23 mei 2000 (Awb 00/4158, 4159 en 4160 Vrwet H) overwogen dat het rapport van Amnesty International van 18 april 2000 onvoldoende

aanknopingspunten biedt voor een andere conclusie dan die de president in de uitspraak van 9 mei 2000 heeft getrokkken. Dat de mensenrechtensituatie in Sri Lanka, waaronder Colombo, uiterst zorgelijk is, zoals door Amnesty wordt

beschreven, vormt ook in die uitspraak het vertrekpunt. De verdwijning in Colombo waarover Amnesty International bericht betreft hetzelfde geval als het geval dat de president van de rechtbank 's-Gravenhage, zittingsplaats Haarlem,

in de uitspraak van 9 mei 2000 (Awb 00/3979, 3980 en 3981 Vrwet H) heeft betrokkken. Ook overigens werpt het rapport geen ander licht op de zaak.

De president van de rechtbank 's-Gravenhage, zittingsplaats Zwolle, is in de uitspraak van 25 mei 2000 (Awb 00/3400) na ampele overweging tot de conclusie gekomen dat de berichten omtrent de verdwenen Tamils, bezien in het licht van

de op dat moment bekende informatie, welke informatie bovendien afkomstig is uit dezelfde bron als de berichten omtrent de verdwijningen, onvoldoende aanleiding zijn voor het oordeel dat de algemene situatie in Sri Lanka zodanig is

gewijzigd dat de ambtsberichten van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 30 september 1999 en 13 april 2000 niet langer een voldoende weergave van de actuele situatie in Sri Lanka inzake de positie van terugkerende asielzoekers

bevat.

Thans ligt de vraag voor of de brief van de UNHCR van 1 mei 2000 en de e-mail van het Forum for Human Dignity (FHD) van 4 mei 2000 aanleiding kunnen zijn om anders te concluderen. In de brief van de UNHCR wordt aangegeven dat 'The

ongoing armed conflict in the northern and northeastern parts of the country and the human rights situation associated with the conflict should be taken into account when determining refugee claims and a liberal approach should be

adopted, in particular, with respect to Sri Lankans of Tamil origin'. Daarnaast is de UNHCR van mening dat 'In undertaking any return, the government must at least, ensure that the returnees are in possesion of proper travel

documents which they could retain beyond entry at the airport for purpose of ensuring identification in the country subsequently'.

De conclusie van de e-mail van 4 mei 2000 van het Forum for Human Dignity is dat 'This is not the correct time to send the deportees back to Sri Lanka'.

2.9 De president oordeelt als volgt.

Na de brief van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 13 april 2000 met betrekking tot de verdwijningen in Colombo, zijn er in diverse procedures stukken overgelegd die allemaal dezelfde strekking hebben, namelijk dat de

situatie in Sri Lanka verslechtert en dat het niet verantwoord is Tamils terug te sturen naar Sri Lanka. De brief van de UNHCR van 1 mei 2000 en de e-mail van het Forum for Human Dignity van 4 mei 2000 moeten in onderling verband

worden gezien met de eerder in

andere procedures overgelegde stukken. Dat de situatie in Sri Lanka fluctueert en dat verweerder de situatie nauwkeurig in de gaten houdt, laat onverlet dat er steeds meer signalen komen dat het ambtsbericht van 30 september 1999

een te rooskleurig beeld schetst van de veiligheidsrisico's die ook Tamils in Colombo lopen. Het ligt op de weg van verweerder om met grondige informatie te komen als tegenwicht voor de door de verzoekende partijen in andere

procedures en in deze procedure overgelegde stukken. Verweerder zal daarbij tevens dienen in te gaan op de stelling van de UNHCR met betrekking tot de reisdocumenten aangezien van een laissez passer moet worden aangenomen dat deze

op de luchthaven wordt ingenomen.

De president concludeert derhalve dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten de aanvraag van verzoeker in het AC af te doen.

2.10 Het verzoek dient derhalve te worden toegewezen.

2.11 In dit geval ziet de president aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:84 j° 8:75 Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten, zoals hierna weergegeven. Nu het verzoek wordt

toegewezen ziet de president tevens aanleiding verweerder te veroordelen tot vergoeding van het door verzoeker betaalde griffierecht.

3 BESLISSING

De president:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe in die zin dat verweerder wordt gelast de uitzetting van verzoeker achterwege te laten totdat vier weken zijn verstreken nadat op het bezwaar is beslist;

- veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten ad ƒ 1420,--, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan verzoeker dient te vergoeden;

- wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door verzoeker betaalde griffierecht ad ƒ 50,--.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Blomsma en in het openbaar uitgesproken op 31 mei 2000 in tegenwoordigheid van mr. M.C. Korevaar als griffier.

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden: 31 mei 2000