Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA6909

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-02-2000
Datum publicatie
09-04-2003
Zaaknummer
AWB 99/5712, 99/5713
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Voorschrift Vreemdelingen 2000 28, geldigheid: 2000-02-03
Voorschrift Vreemdelingen 2000 28, geldigheid: 2000-02-03
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Vreemdelingenkamer

__________________________________________________

UITSPRAAK ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht juncto artikel 33a Vreemdelingenwet

__________________________________________________

Reg.nr: AWB 99/5712 en 99/5713 VRWET

Inzake: A eiser en B eiseres,

verblijvende te C, gemachtigde mr. H.K. Jap A Joe, advocaat te Utrecht,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. D. van de Berg, ambtenaar ten departemente.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eiser, geboren op [...] 1952 en eiseres, geboren op

[...] 1957, bezitten de Ghanese nationaliteit. Zij verblijven sedert 15 juni 1986 als vreemdelingen in de zin van de Vreemdelingenwet (Vw) in Nederland. Op 21 februari 1995 heeft eiser een aanvraag ingediend om verlening van een

vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen

van humanitaire aard en heeft eiseres een aanvraag ingediend om verlening van een vergunning tot verblijf met als doel 'verblijf bij echtgenoot'. Op 14 oktober 1996 hebben eisers administratief beroep ingesteld tegen het niet tijdig

beslissen op hun aanvragen. Op 22 september 1997 is eiser door een ambtelijke commissie gehoord.

Eiseres heeft zich doen vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Op 1 juni 1999 heeft verweerder het administratief beroep ongegrond verklaard.

2. Op 29 juni 1999 hebben eisers tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot

ongegrondverklaring van het beroep.

3. De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 6 januari 2000. Eisers zijn aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN

1. In dit geding dient te worden beoordeeld of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Daartoe moet worden bezien of dit besluit de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

2. Eisers stellen dat zij op grond van het door verweerder gevoerde drie-jarenbeleid in aanmerking komen voor een vergunning tot verblijf.

Daartoe hebben zij onder meer aangevoerd dat het niet beschikken over een geldig nationaal paspoort eisers niet kan worden tegengeworpen, omdat zij in Frankrijk als vluchteling zijn erkend en in het bezit zijn gesteld van een Frans

vluchtelingenpaspoort en een verblijfsvergunning.

Immers volgens het geldend beleid zijn vluchtelingen vrijgesteld van het paspoortvereiste.

3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat nu eisers niet in het bezit zijn van een geldig nationaal paspoort zij niet voor toelating in aanmerking komen in het kader van het driejarenbeleid.

4. Ingevolge artikel 11, vijfde lid, Vw kan het verlenen van een vergunning tot verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend.

5. Verweerder voert met het oog op de bevolkings- en

werkgelegenheidssituatie hier te lande bij de toepassing van dit artikellid een beleid waarbij vreemdelingen in het algemeen - behoudens verplichtingen voortvloeiende uit internationale overeenkomsten - slechts voor verlening van

een vergunning tot verblijf in aanmerking komen, indien met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend of indien er sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard.

6. Krachtens artikel 41 van het Vreemdelingenbesluit (Vb) juncto artikel 28, zesde lid, van het Voorschrift Vreemdelingen (VV), moeten vreemdelingen om in Nederland te worden toegelaten voor een verblijf langer dan drie maanden in

het bezit zijn van een geldig paspoort voorzien van een machtiging tot voorlopig verblijf. Van het paspoortvereiste kan worden afgeweken krachtens het bepaalde in artikel 42 Vb juncto artikel 28, zevende lid, VV indien de Minister

van Justitie zulks heeft bepaald, hetzij omdat die vreemdelingen hebben aangetoond, dat zij vanwege de regering in het land waarvan zij onderdaan zijn, niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor

grensoverschrijding kunnen worden gesteld, hetzij omdat het vreemdelingen betreft die een aanvraag om toelating hebben ingediend en die hebben aangetoond dat met het oog op het verlenen van een vergunning tot verblijf in Nederland

of het verlengen van de geldigheidsduur daarvan van hen in redelijkerwijs niet kan worden verlangd, dat zij zich voor het verkrijgen, of het doen verlengen van de geldigheidsduur van een document voor grensoverschrijding tot

bedoelde regering wenden.

7. De rechtbank overweegt als volgt.

Tussen partijen is niet in geschil dat eisers in aanmerking komen voor een vergunning tot verblijf op grond van het zogenoemde driejarenbeleid van verweerder mits betrokkenen een geldig nationaal paspoort kunnen

overleggen. Daaraan is niet voldaan. Weliswaar erkent verweerder de mogelijkheid van het verlenen van ontheffing. Dit is in onderhavige geval echter niet geschied, omdat voor verweerder niet aannemelijk is geworden dat van eisers

niet verlangd zou kunnen worden alsnog met de Ghanese autoriteiten contact op te nemen ter verkrijging van een nationaal paspoort. Verweerder wijst tevens op de omstandigheid dat eisers onvoldoende informatie en geen documenten

kunnen overleggen met betrekking tot hun erkenning als vluchteling.

De rechtbank kan het standpunt van verweerder niet onderschrijven.

Verweerder betwist niet dat betrokkenen destijds door Frankrijk zijn toegelaten en erkend als asielzoekers uit Ghana en dat aan hen een Frans vluchtelingenpaspoort is verstrekt. Verweerder betwist dit onder meer niet op grond van de

contacten die verweerder daarover heeft gehad met Frankrijk. Verweerder moet in staat worden geacht relevante informatie bij Frankrijk in te winnen. Daardoor is het niet redelijk eisers toch tegen te werpen dat zij geen informatie

en/of documentatie terzake kunnen overleggen. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet enkel op grond van het tijdsverloop ertoe kan komen van eisers te verlangen dat ze met de Ghanese autoriteiten

contact opnemen. Aangezien niet zonder meer uitgesloten kan worden geacht dat daaraan voor eisers dan wel voor anderen (bijvoorbeeld familieleden en andere bekenden van eisers) niet aanvaardbare risico's zijn verbonden.

Het bestreden besluit berust derhalve op een ondeugdelijke grondslag.

8. Het beroep is mitsdien gegrond.

9. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de kosten die eisers in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs

hebben moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op f 1420,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van f

710,- en wegingsfactor 1).

Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, Algemene wet bestuursrecht de betaling aan de griffier te geschieden.

10. Op grond van artikel 8:74, eerste lid, Awb dient het griffierecht aan eisers te worden vergoed.

III. BESLISSING

De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op het bezwaarschrift neemt;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten ad f 1420,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon, die deze kosten dient te vergoeden en aan de griffier dient te betalen;

5. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eisers betaalde griffierecht ad f 225,-.

Aldus gedaan door mr. M.C.J.A. Huijgens en in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2000, in tegenwoordigheid van mr. D.M. Grot als griffier.

afschrift verzonden op: