Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA6894

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-05-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 00/5363
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:2, geldigheid: 2000-05-26
Algemene wet bestuursrecht 6:10, geldigheid: 2000-05-26
Algemene wet bestuursrecht 6:20, geldigheid: 2000-05-26
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2000/229

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 'S GRAVENHAGE

Vreemdelingenkamer

Fungerend president

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak ingevolge de artikelen 8:84, eerste lid, juncto 8:67 Algemene wet bestuursrecht en 33a en 33b Vreemdelingenwet

Reg.nr.: AWB 00/5363 VRWET

Inzake: A, verblijvende te B,

verzoeker, gemachtigde mr. M.A. Collet, advocaat te Waalwijk,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. M.J. van den Bosch, ambtenaar ten departemente.

1. ZITTING

Datum: 26 mei 2000.

Ter zitting zijn verschenen verzoeker in persoon, bijgestaan door zijn

gemachtigde, en verweerder bij gemachtigde.

Zitting hebben:

mr. H. Ollermann, president,

mr. E. Witvoet, griffier.

Na het onderzoek ter zitting te hebben gesloten, heeft de president onmiddellijk uitspraak gedaan als onder 3. vermeld.

2. OVERWEGINGEN

Namens verzoeker is een bezwaarschrift ingediend tegen het in zijn ogen uitblijven van een tijdige beslissing op zijn asielaanvraag, met dien verstande dat verweerder naar de mening van verzoeker na ommekomst van 48 procesuren in

het Aanmeldcentrum (AC) òfwel een beslissing op de asielaanvraag had moeten nemen, òfwel tot doorverwijzing naar een Onderzoeks- en opvangcentrum voor asielzoekers (OC) had moeten besluiten.

Het bezwaarschrift en het hierop gebaseerde verzoek om voorlopige voorziening zijn ingediend op 16 mei 2000 tijdens de nabespreking van het nader gehoor, nadat verzoeker van het voornemen tot afwijzing van zijn aanvraag op de hoogte

was gebracht.

Ingevolge artikel 6:2 Algemene Wet Bestuursrecht (Awb) wordt voor de toepassing van de wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld.

Artikel 1a van de Vreemdelingenwet (Vw) bepaalt dat voor de toepassing van die wet met een beschikking wordt gelijkgesteld een andere handeling van een bestuursorgaan ten aanzien van de vreemdeling als zodanig.

De president volgt verzoeker niet in zijn veronderstelling dat op het tijdstip van de indiening van het bezwaarschrift de beslistermijn ten aanzien van de asielaanvraag reeds was verstreken. Bij gebreke van een bij of krachtens de

Vreemdelingenwet bepaalde termijn, bedraagt de termijn waarbinnen op de aanvragen - als in geding - dient te zijn beslist, gelet op artikel 15e van die wet, zes maanden na ontvangst van de aanvraag. Deze termijn is in het geval van

verzoeker (bij lange na nog) niet geëxpireerd.

Het in hoofdstuk B7 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 1994 verwoorde uitgangspunt dat bij een overschrijding van 48 procesuren in een AC in beginsel een doorverwijzing naar een OC plaatsvindt, biedt - wat daar verder van zij -

geen aanknopingspunt voor de zienswijze dat hiermede een beslistermijn ten aanzien van de aanvraag zelf is beoogd.

Overschrijding van genoemde 48 procesuren - bij de berekening waarvan overigens in mindering wordt gebracht de door de asielzoeker gebruikte tijd die uitgaat boven de tijd, die daartoe in de beleidsregels is gereserveerd - heeft

uitsluitend gevolgen voor de wijze van de (verdere) behandeling van de aanvraag en de daaraan verbonden procedurele aspecten.

De conclusie moet dan ook zijn dat op dit onderdeel sprake is van een prematuur ingediend bezwaarschrift.

Overweging verdient verder, dat verzoeker ten tijde van de indiening van zijn bezwaarschrift wist dat de beslissing op de asielaanvraag nog niet tot stand was gekomen: van de gelegenheid om te reageren op het rapport nader gehoor en

op de concept-afwijzing was immers zijnerzijds nog geen gebruik gemaakt. De in artikel 6:10 Awb beschreven gevallen waarin niet-ontvankelijkverklaring achterwege kan blijven, doen zich derhalve in verzoekers geval niet voor.

Verzoeker kan mitsdien in dit onderdeel van zijn bezwaren niet worden ontvangen.

De president constateert voorts dat weliswaar kort na indiening van het bezwaarschrift de afwijzende beslissing aan verzoeker is uitgereikt, maar dat geen grond bestaat om het bezwaarschrift deswege met toepassing van artikel 6:20,

vierde lid, Awb aan te merken als mede tegen die beslissing te zijn gericht. In de eerste plaats niet, omdat een redelijke uitleg van die bepaling met zich lijkt te brengen dat zij geen toepassing vindt ten aanzien van

niet-ontvankelijke bezwaarschriften. In de tweede plaats staat aan toepassing van die bepaling in de weg de uitdrukkelijke verklaring van verzoekers gemachtigde ter zitting dat niet beoogd is om op te komen tegen de inhoudelijke

beslissing zelf, die enige uren later is gevolgd. Dit laatste spoort ook met het gegeven dat

in de gronden van het verzoek geen inhoudelijke argumenten zijn aangevoerd.

In de bezwaren, voor zover gericht tegen het uitblijven van een beslissing tot verwijzing naar de OC procedure, kan verzoeker naar het oordeel van de president evenmin worden ontvangen.

De vraag of sprake is van een relevante overschrijding van de nagestreefde 48 procesuren binnen de AC-procedure kan de asielzoeker in de procedure(s) tegen de beslissing op zijn aanvraag aan de orde stellen. Voor de zienswijze dat

verweerder ambtshalve gehouden is om de asielzoeker, die na 48 uur nog in de AC-procedure zit, onverwijld - dat wil zeggen exact na 48 uur - en ongeacht de oorzaken van de ontstane vertraging, naar het OC te verwijzen, bieden tekst

en strekking van de regeling in de Vreemdelingencirculaire geen steun. Niet is kunnen blijken bovendien dat verzoeker op enig moment vóór de indiening van zijn (niet gemotiveerde) bezwaarschrift een beslissing tot doorverwijzing

naar het OC (door middel van een verzoek van die strekking) had uitgelokt.

Van een als een besluit aan te merken handeling of termijnoverschrijding is ook overigens niet kunnen blijken. Het bezwaarschrift is mitsdien in al zijn onderdelen niet-ontvankelijk. Het verzoek om voorlopige voorziening deelt dat

lot.

Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de president niet gebleken.

3. BESLISSING

De president van de arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage:

1. verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk;

2. verklaart verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

4. RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Verzonden op: 14 juni 2000