Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA6869

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-06-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 00/5068, 00/5069, 00/5070
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:86, geldigheid: 2000-06-26
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2000/230

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Haarlem

fungerend president

enkelvoudige kamer voor Vreemdelingenzaken

U I T S P R A A K

artikel 8:81 en 8:86 Algemene Wet Bestuursrecht (Awb)

artikel 33a, 34a en 34j Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr: AWB 00/5068 VRWET H (voorlopige voorziening)

AWB 00/5069 VRWET H (beroepszaak)

AWB 00/5070 VRWET H (vrijheidsontneming)

inzake: A, geboren op [...] 1972, van Bengaalse

nationaliteit, verblijvende in de Penintentiaire Inrichting Toorenburgh, unit Westlinge, te Heerhugowaard, verzoekster,

gemachtigde: mr. L.B. Vellinga-van Nieuwkoop, advocaat te Alkmaar,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: drs. N. Arkenbosch, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te 's-Gravenhage.

1. GEGEVENS INZAKE HET GEDING

1.1 Aan de orde is het verzoek om voorlopige voorziening hangende het beroep van verzoeker tegen de beschikking van verweerder van 29 mei 2000. Deze beschikking is genomen in het kader van de zogenoemde AC-procedure en behelst de

niet-inwilliging van de aanvraag om toelating als vluchteling en strekt tevens tot het niet verlenen van een vergunning tot verblijf wegens klemmende redenen van humanitaire aard.

Verzocht wordt om schorsing van de beslissing van verweerder om uitzetting niet achterwege te laten totdat op het beroep tegen voormelde beschikking is beslist.

1.2 Voorts is aan de orde het beroep gericht tegen de

vrijheidsontnemende maatregel van artikel 7a Vw die verweerder verzoeker met ingang van 24 mei 2000 heeft opgelegd. Dit beroep strekt tevens tot toekenning van schadevergoeding.

1.3 De openbare behandeling van de geschillen heeft plaatsgevonden op 9 juni 2000. Daarbij hebben verzoeker en verweerder bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader uiteengezet. Voorts is verzoeker ter zitting gehoord.

1.4 Het onderzoek ter zitting is aangehouden teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen een aantal nadere stukken te overleggen betreffende de controle van het paspoort door de Koninklijke Marechaussee op Schiphol,

dagrapportages van het Aanmeldcentrum Schiphol, nadere informatie omtrent de wachttijd in de lounge op Schiphol alsmede nadere informatie omtrent de wijze en plaats van tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring.

Na de ontvangst van genoemde informatie van de zijde van verweerder en de reactie hierop van de gemachtigde, is het onderzoek op 21 juni 2000 gesloten.

2. OVERWEGINGEN

2.1 Ingevolge artikel 8:81 Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed,

gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Op grond van artikel 8:86 van de Awb heeft de president na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen

aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.3 De AC-procedure voorziet in een afdoening van asielverzoeken binnen 48 uur.

Deze procedure leent zich slechts voor die verzoeken waaromtrent binnen deze korte termijn procedureel en inhoudelijk naar behoren kan worden beslist. Dat laatste is het geval indien in redelijkheid buiten twijfel is dat bij

terugzending van verzoeker naar het land van herkomst geen gevaar voor vervolging c.q. schending van artikel 3 EVRM bestaat.

2.4 Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat hij in strijd met het gevoerde beleid langer dan zes uur bij de Koninklijke Marechaussee heeft moeten verblijven. Voorts acht hij de omstandigheid dat hij geruime tijd in de

Lounge en later in het Grenshospitium heeft moeten doorbrengen, alvorens in de gelegenheid te zijn gesteld zijn asielaanvraag in te dienen, onrechtmatig. Aan deze onrechtmatigheden dient -aldus verzoeker- de conclusie te worden

verbonden dat de behandeling van zijn aanvraag niet meer in het Aanmeldcentrum overeenkomstig de aldaar geldende procedure kon worden afgerond. Hij heeft daarbij gewezen op het door verweerder ter zake gevoerde beleid, zoals

neergelegd in hoofdstuk B7/3.3.1 Vc. Ingevolge dit beleid bedraagt de maximale wachttijd voorafgaande aan de feitelijke opname in -en daarmee de start van- de asielprocedure op het Aanmeldcentrum op de Luchthaven Schiphol zes uur.

Bij een sterk verhoogd aantal asielzoekers op één dag is overschrijding van die wachttijd, zonder dat de AC-termijn aanvangt, mogelijk, mits onderbouwd door een dagrapportage van de Koninklijke Marechaussee op de luchthaven.

2.5 Verweerder heeft betoogd dat de langere wachttijd bij de Koninklijke Marechaussee, in aanmerking genomen de sterk vergrote instroom op dat moment en gelet op TBV 1999/21, gerechtvaardigd is geweest. Onder verwijzing naar

uitspraken van de president van deze rechtbank en zittingsplaats respectievelijk hoofdstuk B7/14 Vc heeft hij zich voorts op het standpunt gesteld dat het verblijf in de lounge noch de periode van opvang in het Grenshospitium als

onrechtmatig zijn aan te merken.

Desgevraagd heeft verweerder bij brief van 9 juni 2000 Mutatierapporten Buro Asielzaken van de Koninklijke Marechaussee alsmede een aantal computeruitdraaien met instroomgegevens overgelegd die allen zien op het betreffende tijdvak.

2.6 De president stelt vast dat verzoeker zich op 24 mei 2000 om 12.15 uur aan de grens heeft gemeld voor inreis in Nederland. Dezelfde dag is hem de verdere toegang tot Nederland geweigerd. Hem is daarbij de lounge aangewezen als

plaats waar hij zich op grond van artikel 7a, tweede lid, Vw dient op te houden. Vervolgens is hij bij besluit van 25 mei 2000 overgeplaatst naar het Aanmeldcentrum, waar hij om 14.35 uur is aangemeld.

2.7 De president leidt uit de door verweerder overgelegde stukken af dat het aantal in de betreffende periode gearriveerde asielaanvragers aanmerkelijk groter was dan redelijkerwijs kon worden verwacht en opgevangen. Eén en ander

valt weliswaar met moeite uit de overgelegde stukken te distilleren zodat het de voorkeur had verdiend dergelijke overzichten vergezeld te doen gaan van een op de concrete situatie betrekking hebbende toelichting. Een redelijke

uitleg van de ter beschikking staande gegevens kan evenwel niet tot een andere conclusie leiden. In dit verband acht de president de bijzondere omstandigheid doorslaggevend, dat sprake was van een gelijktijdige aankomst van achttien

asielzoekers die allen afkomstig waren uit Bangladesh. Hiermee werd op een dag een beroep gedaan op de volledige capaciteit van het Aanmeldcentrum, terwijl is gebleken dat op die dag ook andere

asielzoekers waren gearriveerd. Op grond van het vorenstaande oordeelt de president dat in het onderhavige geval genoegzaam aannemelijk is gemaakt dat sprake was van een sterk verhoogde instroom in de zin van het beleid. Mitsdien

kan verzoekers grief met betrekking tot zijn wachttijd bij de Koninklijke Marechaussee niet slagen.

Voor zover verzoeker heeft aangevoerd dat de voorzieningen in de lounge van een zodanig niveau zijn dat zijn enkele verblijf aldaar reeds met zich brengt dat verweerders besluit niet in stand kan blijven overweegt de president dat

onweersproken is dat verzoekers verblijf in de lounge niet langer heeft geduurd dan 24 uur. Volgens vaste jurisprudentie van deze rechtbank en zittingsplaats (bijvoorbeeld de uitspraak van de president van 25 oktober 1996, NAV 1996.

52, blz. 974) is een dergelijk oponthoud voorafgaande aan de aankomst bij het Aanmeldcentrum niet onaanvaardbaar, indien daarvoor een redelijke verklaring is te geven. De hierboven weergeven omstandigheden vormen naar het oordeel

van de president een redelijke verklaring in evenbedoelde zin.

2.8 Ingevolge hoofdstuk B7/14 Vc kan een plaatsingsbeschikking als bedoeld in artikel 7a, tweede lid, Vw, inhouden dat een asielzoeker, indien hij deel uit maakt van een grote groep asielzoekers die op hetzelfde moment arriveert en

waarbij aanleiding bestaat om uitgebreid onderzoek te plegen naar de herkomst of oorzaak daarvan, voor de behandeling van zijn aanvraag of in afwachting van het vrijkomen van voldoende behandelcapaciteit, in het Grenshospitium wordt

geplaatst. Het kan er voor worden gehouden dat deze situatie zich in het onderhavige geval voordeed, zodat verweerder bevoegd was tot plaatsing in het Grenshospitium over te gaan. Gebruikmaking van deze bevoegdheid was in casu niet

onredelijk, gelet op de hierboven geschetste omstandigheden en de problematiek die voortvloeit uit de inreis van een grote groep asielzoekers, afkomstig uit hetzelfde land van herkomst. Te denken valt aan de grote behoefte aan -niet

in voldoende mate aanwezig zijnde- tolken in de Bengaalse taal. Voorts acht de president de wens van verweerder om de groep zoveel mogelijk bij elkaar te houden redelijk.

Aan een gefaseerde doorzending naar het Aanmeldcentrum was derhalve niet te ontkomen.

Nu voorts uit de stukken niet blijkt dat verweerder onvoldoende voortvarend aan de afhandeling van verzoekers aanvraag heeft gewerkt kan de handelwijze van verweerder niet als onzorgvuldig of onrechtmatig worden aangemerkt.

2.9 De stelling van verzoeker dat sprake is van een situatie die vergelijkbaar is met die welke ten grondslag heeft gelegen aan de uitspraak van de president van deze rechtbank en zittingsplaats van 6 november 1998 waarbij

verweerder -onder meer- is opgedragen de betrokkene door te zenden naar een onderzoeks- en opvangcentrum als bedoeld in hoofdstuk B7/6 Vc, kan niet worden gevolgd. In het onderhavige geval is immers geen sprake geweest van een

onderbreking van een eenmaal opgestarte AC-procedure. In het geval een procedure in het Aanmeldcentrum is opgestart en de verhoren voor de nacht worden onderbroken, dient een goede nachtrust gewaarborgd te zijn. Van de asielzoeker

wordt immers in het gehoor -en overigens ook in de gehele AC- procedure- uiterste concentratie verwacht. Gezien het karakter en gevolg van de AC procedure (afdoening in zeer korte tijd) wordt er veel van de asielzoeker gevraagd. Het

is dan ook een absolute voorwaarde dat onderbreking van een dergelijk gehoor gepaard dient te gaan met een goede nachtrust. De president acht deze situatie een andere dan die waarin asielzoekers eerst een periode in de lounge

doorbrengen alvorens te worden toegelaten tot het Aanmeldcentrum. Deze situatie verschilt omdat er nog geen gehoor of procedure is aangevangen. Mitsdien faalt ook verzoekers grief op dit punt.

2.10 Verzoeker heeft voorts aangevoerd dat de overschrijding van de 48-uurstermijn waarbinnen verweerder de handeling van de aanvraag in het

Aanmeldcentrum moet hebben afgerond is overschreden. Doorzending naar een onderzoeks- en opvangcentrum was dan ook volgens verzoeker geïndiceerd.

2.11 De president stelt vast dat niet in geschil is dat in de onderhavige zaak de termijn van 48 uur met drie uur en veertig minuten is overschreden. Partijen houdt evenwel verdeeld het antwoord op de vraag aan wie deze

termijnoverschrijding moet worden toegerekend.

2.12 Aan de hand van het dossier stelt de president vast dat verzoeker op instigatie van de rechtshulp op het Aanmeldcentrum op 28 mei na een melding om 19.30 uur in verband met medische klachten door de Medische Dienst Schiphol is

onderzocht. Hem is daarbij -onder meer- een tweetal slaaptabletten voorgeschreven. Dat het tijdvak van tweeëneenhalf uur daarna niet meer tot de proceduretijd wordt gerekend acht de president niet onredelijk, nu het medisch

onderzoek niet gerelateerd was aan het onderzoek naar zijn asielmotieven.

De resterende overschrijding van één uur en tien minuten is verweerder niet tegen te werpen, daar uit het dossier blijkt dat verweerder op 28 mei om 11.35 uur reeds een copie van het nader gehoor aan de rechtshulp ter hand heeft

gesteld en eerst om 18.15 uur daarop is gereageerd. Ingevolge hoofdstuk B7/5 Vc is voor de nabespreking van het nader gehoor immers drie uur beschikbaar. Weliswaar zal in de praktijk vrijwel altijd sprake zijn van een zekere

wachttijd voorafgaande aan die nabespreking maar een wachttijd van drie uur en veertig minuten, zoals in casu, kan niet voor rekening van verweerder worden gebracht. Deze grief kan derhalve niet tot gegrondverklaring leiden. Hoewel

de president begrip heeft voor de capaciteitsproblemen aan de zijde van de rechtshulp, is de president van oordeel dat geen sprake kan zijn van toerekening van de gevolgen van de onderhavige overmachtssituatie -die zowel verweerder

als de rechtshulp heeft getroffen- aan verweerder.

2.13 Evenmin kan verzoeker worden gevolgd in zijn stelling dat verweerder onvoldoende zorgvuldigheid heeft betracht bij zijn onderzoek, nu zowel zijn eerste als zijn nader gehoor onderbroken is geweest en hij door verschillende

contactambtenaren in aanwezigheid van ook andere tolken is gehoord. Niet is gebleken dat verzoeker als gevolg van die handelwijze niet in staat is geweest zijn asielmotieven volledig voor het voetlicht te brengen.

2.14 Verzoeker heeft aan zijn asielverzoek, voor zover hier van belang en samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.

In 1995 heeft hij problemen gehad met de BNP omdat hij lid was van de rivaliserende Jatiyapartij. In 1999 werd hij algemeen secretaris in de regio van deze partij. Door partijaanhangers is op 2 februari 1999 gevochten met leden van

de regeringspartij, de Awami League. Daarbij is een Awamilid om het leven gekomen. De politie is daarop naar hem op zoek gegaan -naar hij vermoedt in verband met de moord-, hoewel hij bij de vechtpartij niet zelf was betrokken. Als

secretaris werd hij wel verantwoordelijk gesteld. Hij was echter thuis. Hij is daarop gewaarschuwd en ondergedoken.

2.15 Verzoeker heeft allereerst een beroep gedaan op de algemene situatie in Bangladesh. Primair is aangevoerd dat een actueel ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken waarin de algemene en politieke situatie in

Bangladesh wordt besproken ontbreekt. Verzoeker meent dat dit aanleiding moet zijn om een nader onderzoek in te stellen en verzoekers aanvraag niet in het aanmeldcentrum af te doen. Subsidiair heeft verzoeker betoogd dat de

mensenrechtensituatie in Bangladesh, gelet op de corruptie, het dagelijks geweld en de heersende rechteloosheid dermate slecht en onstabiel is dat verzoeker om die reden moet worden toegelaten. Hij heeft daarbij gewezen op de

bijzondere bevoegdheden van de autoriteiten om tot arrestatie over te gaan, zoals de Special Powers Act en Section 54 van de Code of Criminal Procedure.

Daarbij dient volgens verzoeker mede betrokken te worden de wijze waarop

van deze bevoegdheden gebruik wordt gemaakt. Verzoeker heeft gewezen op de ontstane praktijk waarbij verschillende strafrechtelijke aanklachten worden ingediend tegen oppositieleiders en -activisten. In een aantal geval is komen

vast te staan dat die beschuldigingen vals zijn.

Daarnaast worden politieke activisten regelmatig voorafgaand aan bijvoorbeeld stakingen voor enige tijd gedetineerd tot na afloop van die gebeurtenis. Verder acht verzoeker het waarschijnlijk dat de autoriteiten de Special Powers

Act gebruiken als instrument om politieke opponenten en anderen in verregaande mate lastig te vallen. Ook burgers die niet politiek actief zijn worden soms het slachtoffer van willekeurige arrestaties.

2.16 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de beschikbare informatie over Bangladesh toereikend is voor een beoordeling in het aanmeldcentrum van de door verzoeker gedane aanvraag. Dat tot op heden geen dringende

noodzaak bestond de Minister van Buitenlandse Zaken te verzoeken een algemeen ambtsbericht op te stellen doet daaraan volgens verweerder niet af. Weersproken is dat verweerder niet zou beschikken over het rapport van het Amerikaanse

Ministerie van Buitenlandse Zaken over 1999 (het 1999 Country Report). Verweerder heeft naar aanleiding van het subsidiaire standpunt van verzoeker verklaard dat de situatie in Bangladesh niet zodanig slecht is dat dit zou moeten

leiden tot toelating als vluchteling. Daarbij heeft verweerder verwezen naar het hieronder nader aangeduide 1999 Country Report on Human Rights Practices on Bangladesh. Op bladzijde 8 van dat rapport is vermeld dat de meeste

detenties na verloop van korte tijd -al dan niet na betaling van een borgsom- worden opgeheven.

2.17 Bij zijn beoordeling heeft de president gebruik gemaakt van de volgende bronnen:

- het 1999 Country Report on Human Rights Practices on Bangladesh, uitgegeven door het Bureau of Democracy, Human Rights and Labor van het Amerikaanse Ministerie van Buitenlandse Zaken op 25 februari 2000;- het Amnesty International

Report van februari 2000 met de titel:

Bangladesh. Human Rights in the Chittagong Hill Tracts;- de Annual Reports van Amnesty International inzake Bangladesh van 1997, 1998 en 1999;

- nieuwsbrieven van Amnesty International, getiteld: Bangladesh:

Government should ensure safety of Taslima Nasrin, gedateerd 14 oktober 1998, en Bangladesh: Death sentences no answer to human rights violations, gedateerd 13 december 1998;

- een artikel gepubliceerd in het Engelse dagblad The Independent van 8 mei 2000 met betrekking tot de Martial Law, de Special Powers Act en de recente Public Safety Act;

- een artikel uit de Volkskrant van 7 februari 2000, getiteld: Chaos in Bangladesh wordt elk jaar groter;

- een artikel, gepubliceerd in het Bengaalse dagblad The Daily Star d.d.

11 mei 2000 met de titel: Why inducing students to politics should not be declared a crime;

- de vragen van het lid Dijksma van de Tweede Kamer der Staten-Generaal inzake recente politieke ontwikkelingen in Bangladesh en de daarop door de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking op 23 februari 2000 gegeven antwoorden;

2.18 De president is van oordeel dat het in deze opsomming genoemde rapport van het Amerikaanse Ministerie van Buitenlandse Zaken en de rapporten van Amnesty International een gezaghebbend karakter hebben.

Bovendien geven de in de opsomming genoemde bronnen een eenduidig beeld van de situatie in Bangladesh.

De president acht deze bronnen -waarvan de belangrijkste ook aan verweerder ter beschikking hebben gestaan- daarom voldoende toereikend om zich een oordeel te kunnen vormen over de algemene situatie in Bangladesh. Verzoekers

primaire grief wordt daarom verworpen.

Uit deze stukken leidt de president het volgende af. Tussen de regeringspartij, de sedert 1996 na verkiezingen aan de macht zijnde Awami League en de belangrijkste legale oppositiepartijen, de BNP en de Jatiya Samajtantrik Dal,

breken regelmatig ernstige ongeregeldheden uit,

waarbij aan beide zijden soms excessief geweld wordt gebruikt en waarbij al verschillende personen de dood hebben gevonden. De bescherming door de autoriteiten schiet in deze gevallen regelmatig tekort. Optochten, demonstraties en

stakingen kennen vaak een gewelddadige afloop.

Voorts blijkt uit de rapportages dat politiek-actieve tegenstanders soms kunnen worden uitgeschakeld door middel van detentie op grond van misdaden waarvan later bleek dat zij daarvan valselijk zijn beschuldigd.

In verband met grote achterstanden bij de rechtbanken kan de lengte van een voorarrest soms tot meerdere jaren oplopen. Ook met behulp van de Special Powers Act, op basis waarvan personen zonder aanklacht voor onbepaalde tijd kunnen

worden vastgehouden, worden politieke activisten gevangen gehouden. Het merendeel is echter -al dan niet na tussenkomst van het Hooggerechtshof- na verscheidene dagen of weken vrijgelaten.

2.19 De president verbindt hieraan de conclusie dat de

mensenrechtensituatie in Bangladesh verontrustend is, maar niet in die mate dat asielzoekers uit dat land daardoor zonder meer als vluchteling kunnen worden aangemerkt. Aan dit oordeel legt de president ten grondslag dat uit de

publikaties in het bijzonder naar voren komt dat de problemen voor de bevolking voornamelijk betrekking hebben op personen die zich in politiek opzicht hebben geprofileerd en die een rol van betekenis spelen binnen de oppositie.

Verzoeker zal derhalve in de bodemprocedure aannemelijk moeten maken, dat met betrekking tot hem persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan die zijn vrees voor vervolging in de zin van artikel 15 Vw rechtvaardigen.

2.20 Vervolgens is aan de orde de vraag of verweerder aan de omstandigheid, dat het paspoort waarmee verzoeker is uitgereisd, echt is bevonden, de conclusie heeft mogen verbinden dat verzoeker daarom legaal is uitgereisd en hij bij

terugkeer in Bangladesh derhalve geen problemen zal ondervinden. De president oordeelt hieromtrent als volgt.

Uit de door verweerder nagezonden informatie kan niet anders worden opgemaakt dan dat de vreemdeling via de luchthaven Bangladesh is uitgereisd met een authentiek paspoort. Dit brengt mee dat er in beginsel van kan worden uitgegaan

dat de in het paspoort vermelde persoonsgegevens correct zijn weergegeven, tenzij verzoeker zodanige feiten of omstandigheden aanvoert dat redelijkerwijs getwijfeld moet worden aan dit uitgangspunt. Uit het relaas van verzoeker is

een dergelijke contra-indicatie niet te putten. Dit geldt tevens voor de namens verzoeker aangevoerde omstandigheid dat ook de paspoorten van alle personen met wie verzoeker vanuit Bangladesh naar Nederland is gereisd blijkens de

door verzoeker overgelegde informatie omstreeks dezelfde datum zijn afgegeven, aangezien deze omstandigheid niet zonder meer noopt tot de conclusie dat de paspoorten op corrupte wijze zijn verkregen en dat de daarop vermelde

persoonsgegevens niet correct zijn.

Nu er tevens in beginsel van mag worden uitgegaan dat op de luchthaven gecontroleerd is of verzoeker door de autoriteiten wordt gezocht, heeft verweerder aan verzoeker terecht zijn legale uitreis tegengworpen.

2.21 Verweerder heeft verzoeker voorts tegengeworpen dat de omstandigheid dat hij zich in eerste instantie als zeeman heeft voorgedaan en dat gedurende zijn verblijf bij de Koninklijke Marechaussee van 12.15 tot 17.50 uur heeft

volgehouden, afbreuk doet aan het serieuze karakter van zijn asielmotieven en er op duidt dat verzoeker die motieven niet als voldoende inschatte.

Deze gang van zaken is door verzoeker ter zitting betwist. Hij zou ook niet het woord hebben gevoerd voor de andere tegelijkertijd reizende Bengalese asielzoekers. De president plaatst vraagtekens bij de verklaring van verzoeker.

Wat echter hier ook van zij, dat laat onverlet dat verweerder gehouden is elk asielverzoek, ook al heeft de aanvrager in een eerder stadium getracht zich op andere gronden toegang tot Nederland te verschaffen, op

zijn individuele merites te beoordelen.

2.22 Voor wat betreft de individuele asielmotieven van verzoeker oordeelt de president dat deze ongeloofwaardig zijn te achten. De president heeft hierbij in aanmerking genomen dat de verklaringen die verzoeker in de loop van de

procedure heeft afgelegd, niet alleen zeer vaag zijn, maar ook zodanige inconsistenties en tegenstrijdigheden bevatten dat deze zijn relaas ongeloofwaardig maken. Zo heeft hij eerst verklaard op 5 februari 1999 secretaris te zijn

geworden van de partij, terwijl hij later zei dat hij reeds op 3 januari 1999 tot secretaris is benoemd. Dit verschil is in het onderhavige geval wezenlijk omdat de gebeurtenis waarmee verzoeker stelt de negatieve aandacht van de

autoriteiten op zich gevestigd te hebben naar zijn zeggen op 2 februari 1999 plaatsvond. Voorts valt op dat hij slechts over geringe kennis beschikt over de BNP. Wat er overigens ook zij van de juistheid van verzoekers verklaringen;

uit de verklaringen van verzoeker acht de president genoegzaam gebleken dat verzoeker zich aan de gestelde vervolging kan onttrekken door zich elders in Bangladesh te vestigen.

Tevens heeft de president bij zijn beoordeling de omstandigheid betrokken dat verzoeker reeds eerder in Nederland is geweest, toen hij op grond van -naar zijn zeggen- economische motieven naar de Verenigde Staten wilde emigreren.

2.23 Uit het voorgaande volgt dat in redelijkheid buiten twijfel is dat bij terugzending van verzoeker naar het land van herkomst geen gevaar voor vervolging c.q. schending van artikel 3 EVRM bestaat.

2.24 Uit het voorgaande volgt tevens dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan beoordeling van de hoofdzaak en dat deze slechts in ongegrondverklaring van het beroep kan eindigen. De president ziet derhalve

aanleiding om met toepassing van artikel 8:86 Awb onmiddellijk op dat beroep te beslissen.

Dat brengt mee dat het verzoek om voorlopige voorziening bij gebrek aan belang dient te worden afgewezen.

2.25 Voorts ziet de rechtbank geen grond om de oplegging dan wel de voortduring van de aan verzoeker opgelegde maatregel onrechtmatig te achten. De toepassing ervan is in overeenstemming met het terzake door verweerder gevoerde

beleid dat is neergelegd in hoofdstuk B7/14 van de Vreemdelingencirculaire (Vc). Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de belangen van verzoeker bij invrijheidstelling zwaarder wegen dan het belang van verweerder bij de

toepassing en voortduring van de maatregel is niet gebleken.

2.26 Voorts ziet de rechtbank geen grond om de oplegging dan wel de voortduring van de aan verzoeker opgelegde maatregel onrechtmatig te achten. De toepassing ervan is in overeenstemming met het terzake door verweerder gevoerde

beleid dat is neergelegd in hoofdstuk B7/14 van de Vreemdelingencirculaire (Vc). Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de belangen van verzoeker bij invrijheidstelling zwaarder wegen dan het belang van verweerder bij de

toepassing en voortduring van de maatregel is niet gebleken.

2.27 Uit de stukken is gebleken dat de Bengalese asielzoekers op 5 en 6 juni 2000 vanuit het Grenshospitium te Amsterdam zijn overgebracht naar de Penitentiaire Inrichtingen Toorenburgh, unit Westlinge te Heerhugowaard.

Namens verzoeker is aangevoerd dat de plaatsing in Westlinge niet in overeenstemming is met de uitspraak van deze rechtbank en nevenzittingsplaats van 19 april 2000, AWB 00/2619. Voorzover de in genoemde uitspraak noodzakelijk

geachte scheiding tussen asielzoekers en strafrechtelijk gedetineerden ten tijde van de overplaatsing reeds was gerealiseerd, wordt betwijfeld of het verblijf in de unit Westlinge voldoet aan de voorwaarden van het Reglement regime

grenslogies. Daarbij is de vraag opgeworpen of er na de scheiding van de strafrechtelijk gedetineerden voor de in Westlinge geplaatste vreemdelingen nog recreatiemogelijkheden zijn. Voorts is betoogd dat de plaatsing van zestien

mannelijke Bengaalse asielzoekers in Westlinge in strijd is met

de afspraak tussen verweerder en de Stichting Rechtsbijstand Asiel Amsterdam, inhoudende dat in Westlinge alleen uitgeprocedeerde asielzoekers worden geplaatst.

2.28 Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat met de voltooiing van de verbouwing van de unit Westlinge op 29 mei 2000 de scheiding van asielzoekers en strafrechtelijk gedetineerden is aangebracht. Door verzoeker is dit niet meer

betwist. Ten aanzien van de overige door verzoeker opgeworpen vraagpunten heeft de president nadere vragen aan verweerder gesteld. Partijen hebben over en weer gereageerd.

2.29 De president acht met de overlegging door verweerder van de telefoonnotitie van 8 juni 2000, waarvan de inhoud niet is betwist, genoegzaam aangetoond dat er in Westlinge mogelijkheden tot recreatie zijn. Ook overigens is niet

gebleken dat het verblijf in het vreemdelingenpaviljoen Westlinge niet in overeenstemming zou zijn met het bepaalde in Titel III van het Reglement regime grenslogies.

2.30 Verweerder heeft bevestigd dat vrouwen en kinderen onder geen beding in Westlinge kunnen worden geplaatst en overigens in beginsel ook geen vreemdelingen die intensieve medische of juridische bijstand nodig hebben. Dit laatste

omdat, zo geeft verweerder aan, in Westlinge slechts met meer moeite juridische bijstand kan worden verleend dan in het AC Schiphol. Vreemdelingen wier asielverzoek in de AC procedure wordt afgedaan, worden gerekend tot de categorie

vreemdelingen die intensieve juridische bijstand behoeven. Verweerder beroept zich in de onderhavige zaak evenwel op het voorbehoud dat in geval van bijzondere omstandigheden wel tot plaatsing in Westlinge kan worden overgegaan.

Deze omstandigheden acht verweerder gelegen in de noodzaak om ruimte in het Grenshospitium voor vrouwen en kinderen beschikbaar te houden, in de noodzaak tot het creëren van ruimte in het kader van het Europees kampioenschap voetbal

en in het feit dat zich in het Grenshospitium een groep van 15 hongerstakende Tamil-asielzoekers bevond, welke groep bij voorkeur niet voor overplaatsing in aanmerking werd gebracht. Mede omdat de Bengalese asielzoekers, waaronder

zich geen vrouwen en kinderen bevinden, een homogene groep vormden en in een latere fase van de procedure waren, meende verweerder hen in Westlinge te kunnen plaatsen.

2.31 De president stelt vast dat verweerder zich de vrijheid heeft voorbehouden om in geval van bijzondere omstandigheden aan het belang van zo groot mogelijke toegankelijkheid van rechtshulp gedurende de procedure geen prioriteit

te geven.

Hoewel de vraag kan rijzen of niet ook een andere keuze had kunnen worden gemaakt, waarbij de president met name doelt op de ruimte die verweerder in het kader van het Europees kampioenschap voetbal beschikbaar wenst te houden, is

de president -het geheel overziend- van oordeel dat verweerder van de hem toekomende beleidsvrijheid gebruik heeft gemaakt op een wijze die de rechterlijke toets kan doorstaan. Met name de aanwezigheid van de groep hongerstakende

asielzoekers acht de president zodanig bijzonder dat dit een afwijking van de gemaakte afspraak kan rechtvaardigen. De president hecht daarbij ook belang aan de omstandigheid dat het in casu gaat om een relatief grote groep

asielzoekers. Namens verzoeker is opgemerkt dat van een hongerstaking ten tijde van de in geding zijnde overplaatsing nog geen sprake was.

Ambtshalve is de president echter bekend dat de hongerstaking van de Tamils op 31 mei 2000 schriftelijk is aangekondigd en spoedig daarna is aangevangen.

Wel is het de president opgevallen dat verweerder heeft verzuimd om de rechtshulpverleners op de hoogte te stellen van de overplaatsing naar Westlinge. Zulks had, uitgaande van verweerders gehoudenheid om niet lichtvaardig met

bedoelde afspraken om te gaan, wel in de rede gelegen.

Deze onzorgvuldigheid acht de president op zichzelf echter onvoldoende om de tenuitvoerlegging van de maatregel ex artikel 7a, tweede en derde

lid, Vw onrechtmatig te oordelen.

2.32 Ook het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel is derhalve ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt dan ook afgewezen.

2.33 Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is niet gebleken.

3. BESLISSING

De fungerend president:

3.1 verklaart het beroep ongegrond;

3.2 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

De rechtbank:

3.3 verklaart het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel ongegrond;

3.4 wijst het verzoek om toekenning van schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. de Rooij, fungerend president, tevens lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken, en uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2000, in tegenwoordigheid van mr. B.F.C. van Rheenen als

griffier.

afschrift verzonden op: 26 juni 2000

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage, voor zover het betreft de beslissing inzake schadevergoeding. De Officier van Justitie kan binnen veertien dagen na de uitspraak en de vreemdeling

binnen een maand na de betekening van de uitspraak hoger beroep instellen door het indienen van een verklaring als bedoeld in de artikelen 449 en 451a van het Wetboek van Strafvordering bij de Arrondissementsrechtbank te

's-Gravenhage, zittingsplaats Haarlem.

Voor het overige staat geen gewoon rechtsmiddel open.