Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA6809

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-06-2000
Datum publicatie
19-06-2000
Zaaknummer
AWB 99/8880, 99/8365
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Haarlem

enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken

fungerend president

U I T S P R A A K

artikel 8:77 en 8:81 Algemene Wet Bestuursrecht (Awb)

artikel 33a Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr: AWB 99/8880 VRWET H (beroepszaak)

AWB 99/8365 VRWET H (voorlopige voorziening)

inzake: A, geboren op [...] 1978, van Rwandese

nationaliteit, eiser/verzoeker, verder te noemen: eiser, gemachtigde: mr S.Y.M. Metselaar-Hou, advocaat te Hoofddorp,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr A.C.M. van Vliet, advocaat te 's-Gravenhage.

1. GEGEVENS INZAKE HET GEDING

1.1 Aan de orde is het beroep tegen het besluit van verweerder van 24 september 1999, waarbij de niet-inwilliging van de aanvraag om eiser tot Nederland toe te laten als vluchteling en hem een vergunning tot verblijf te verlenen wegens het bestaan van klemmende redenen van humanitaire aard, is gehandhaafd. Tevens heeft verweerder gehandhaafd de weigering eiser een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv) te verlenen.

1.2 Tevens is aan de orde het verzoekschrift van eiser om bij wijze van voorlopige voorziening over te gaan tot schorsing van de beslissing van verweerder om uitzetting niet achterwege te laten, totdat op het beroep is beslist.

1.3 Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

1.4 De openbare behandeling van de geschillen heeft plaatsgevonden op 9 mei 2000. Daarbij hebben eiser en verweerder bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader uiteengezet.

2. OVERWEGINGEN

2.1 Ingevolge artikel 15, eerste lid, Vw is van vluchtelingschap sprake in geval de betrokkene afkomstig is uit een land waar hij gegronde redenen heeft te vrezen voor vervolging wegens zijn godsdienstige of politieke overtuiging, zijn nationaliteit, dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of tot een bepaalde sociale groep.

Ingevolge artikel 15c, eerste lid, aanhef en onder a, Vw wordt een aanvraag om toelating als vluchteling niet ingewilligd wegens kennelijke ongegrondheid ervan, indien zij is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf of in verband met andere feiten in redelijkheid geen enkel vermoeden kunnen wekken dat rechtsgrond voor toelating bestaat.

2.2 Ingevolge artikel 11, vijfde lid, Vw kan het verlenen van een vergunning tot verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend. Het door verweerder bij de toepassing van dit artikellid gevoerde beleid is vastgelegd in de Vreemdelingencirculaire 1994 (Vc).

2.3 Eiser behoort tot de bevolkingsgroep der Hutu's en is afkomstig uit B, Rwanda. Op 8 februari 1992 is B aangevallen door leden van het Front Patriotique Rwandais (FPR). Eiser is gevlucht voordat de leden van het FPR het centrum van de stad bereikten.

Twee dagen later keerde eiser met zijn familie terug. De ouderlijke woning was verwoest en een oom van eiser was om het leven gebracht.

Tot 9 juli 1994 heeft eiser in B verbleven. Uit angst dat het FPR zijn woonplaats zou innemen, is eiser op 14 juli 1994 met zijn familie gevlucht naar Zaïre. In oktober 1996 is het vluchtelingenkamp waar eiser in Zaïre verbleef, overvallen door (strijders uit) Rwanda en Oeganda. Eiser is vervolgens naar Kenia gegaan. In september 1998 is eiser gedurende anderhalve week vastgehouden vanwege illegaal verblijf. Hij werd vrijgelaten onder de voorwaarde dat hij binnen twee weken Kenia zou verlaten. Eiser heeft verklaard dat zijn vader als vertegenwoordiger van de lokale zakenlieden lid was van de voormalige regeringspartij de Mouvement Républicain National pour la Démocratie et le Développement (MRND). In verband hiermee is het voor hem niet mogelijk om naar Rwanda terug te keren.

2.4 Voorop gesteld dient te worden dat de algemene mensenrechtensituatie in Rwanda nog immer zorgwekkend is, maar niet zodanig dat asielzoekers uit dat land zonder meer als vluchteling moeten worden aangemerkt. Evenmin leidt het feit dat eiser behoort tot de bevolkingsgroep der Hutu's in Rwanda in zijn algemeenheid tot vluchtelingschap. In het licht van het vorenstaande zal eiser dan ook aannemelijk moeten maken dat met betrekking tot hem persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan die zijn vrees voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag en artikel 15 Vw rechtvaardigen.

2.5 De rechtbank is van oordeel dat eiser hierin niet is geslaagd.

Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn vader vanwege zijn betrokkenheid bij de MRND gegronde redenen heeft (gehad) te vrezen voor vervolging. Gesteld noch gebleken is dat de vader van eiser in de periode tot aan het vertrek van het gezin uit Rwanda op 14 juli 1994 ooit concrete problemen heeft ondervonden in verband met zijn politieke betrokkenheid. De rechtbank acht niet aannemelijk dat eiser vanwege de politieke banden van zijn vader met de MRND in de negatieve belangstelling staat van de huidige Rwandese autoriteiten. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt kunnen stellen dat eisers stelling dat hij door de autoriteiten verantwoordelijk zal worden gehouden voor de gedragingen van zijn vader, slechts op vermoedens berust.

2.6 Gelet op de jurisprudentie van het Europese Hof voor de rechten van de mens dient bij de toetsing van artikel 3 EVRM voor de bodemrechter als maatstaf te gelden dat er daadwerkelijk concrete gronden zijn om aan te nemen dat de betreffende vreemdeling het reële risico loopt te worden onderworpen aan een behandeling die is verboden bij genoemde verdragsbepaling. Gelet op het hiervoor overwogene, moet worden geconcludeerd dat niet aannemelijk is geworden dat bij terugkeer naar Rwanda zich ten aanzien van eiser een reëel risico voordoet op schending van artikel 3 EVRM.

2.7 Namens eiser is voorts aangevoerd dat eiser ten onrechte een vvtv is onthouden.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet in aanmerking komt voor een vvtv, omdat in zijn geval de vvtv-derdelandenexceptie van toepassing is. Eiser heeft na zijn vertrek uit Rwanda in 1994 onder meer in Zaïre en Kenia verbleven.

2.8 De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

2.9 Op 4 mei 2000 heeft de Rechtseenheidskamer (REK) van deze rechtbank in een drietal Afghaanse zaken (geregistreerd onder de nummers AWB 99/11015 VRWET, AWB 99/11065 en AWB 99/11066) uitspraak gedaan over verweerders beleid zoals verwoord in TBV 1998/30 van 21 december 1998.

Verweerders beleid houdt in dat aan een asielzoeker, die afkomstig is uit een land waarheen om beleidsmatige redenen niet wordt verwijderd en die voorafgaand aan zijn komst naar Nederland langer dan twee weken in een derde land heeft verbleven, geen voorwaardelijke vergunning tot verblijf wordt verleend. In de bovengenoemde uitspraken heeft de REK overwogen dat verweerder dit beleid niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen. Samengevat acht de REK hiertoe redengevend dat mede in het licht van de ratio van het vvtv-beleid verweerder, door feitelijk (slechts) de duur van het verblijf in het derde land van doorslaggevend belang te achten, met zijn beleidskeuze onvoldoende blijk heeft gegeven van een zorgvuldige weging van de betrokken belangen van de vreemdelingen in verhouding tot het door verweerder nagestreefde doel. Door de vraag naar de wedertoelating noch de eventuele gevolgen van een niet mogelijk gebleken terugkeer naar het derde land bij de beoordeling een rol te laten spelen, gaat verweerder onder meer volstrekt voorbij aan de omstandigheid dat op het land van eerder verblijf in beginsel geen (volkenrechtelijke) rechtsplicht rust om een niet-onderdaan terug te nemen. Ook om die reden kan het beleid de redelijkheidstoets niet doorstaan.

2.10 De rechtbank is van oordeel dat gezien het algemene karakter van de overwegingen in de REK-uitspraken ten aanzien van TBV 1998/30 - welke in overweging 2.9 kort zijn weergegeven - de inhoud van die uitspraken evenzeer van toepassing is op zaken als de onderhavige waarbij aan een Rwandese asielzoeker op grond van deze TBV geen vvtv is verleend.

2.11 Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de bestreden beschikking voor wat betreft de niet-verlening van de vvtv haar grondslag mist. De beschikking berust immers op beleid waarvan de REK heeft geoordeeld dat verweerder dit niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen. Het beroep is mitsdien gegrond.

2.12 Ter zitting heeft verweerder, naar aanleiding van de uitspraken van de REK ten aanzien van TBV 1998/30, de rechtbank gevraagd de behandeling van de zaak aan te houden teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen nader onderzoek in te stellen naar de mogelijkheden voor terugkeer van eiser naar Kenia.

2.13 Eiser heeft over zijn gedwongen vertrek uit Kenia in het nader gehoor (blz. 11) als volgt verklaard.

Nadat de president van Kenia verklaarde dat dit land geen vluchtelingen kon opnemen zijn de autoriteiten begonnen met het zoeken naar vluchtelingen. In september 1998 is eiser aangehouden door de Keniase autoriteiten. Ze zeiden dat Kenia geen vluchtelingen wilde hebben. Eiser kreeg veertien dagen de tijd om Kenia te verlaten. Omdat eiser zei dat hij Kenia wilde verlaten, is hij vrijgelaten. Dit relaas van eiser vindt bevestiging in het Human Rights Report for 1999 over Kenia van het US Department of State, uitgebracht op 25 februari 2000, section 2, onderdeel d.

2.14 Gelet op eisers relaas over de bejegening van vluchtelingen in Kenia, hetgeen zijn bevestiging vindt in een onafhankelijke rapportage, kan verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid niet op het standpunt stellen dat van eiser gevergd kan worden dat hij terugkeert naar Kenia. Nader onderzoek naar de mogelijkheden voor terugkeer van eiser naar Kenia is derhalve niet nodig.

Het verzoek van verweerder om de behandeling van de zaak daarvoor aan te houden, wordt dan ook afgewezen.

2.15 Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen grond meer voor het treffen van de verzochte voorlopige voorziening, zodat het verzoek zal worden afgewezen.

2.16 In dit geval bestaat aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten, zulks met inachtneming van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht. De kosten zijn op voet van het bepaalde in het bovengenoemde Besluit vastgesteld op f 1.420,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge het tweede lid van artikel 8:75 Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier.

Nu het beroepschrift is gemotiveerd door verwijzing naar de gronden van het verzoekschrift, bestaat geen aanleiding voor een afzonderlijke proceskostenveroordeling voor het verzoek om voorlopige voorziening.

2.17 Uit de gegrondverklaring volgt dat verweerder het betaalde griffierecht van tweemaal f 50,-- dient te vergoeden.

3. BESLISSING

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond en vernietigt de bestreden beschikking, voorzover verweerder daarbij heeft geweigerd aan eiser een voorwaardelijke vergunning tot verblijf te verlenen;

3.2 draagt verweerder op een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

3.3 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad f 1.420,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, moet voldoen;

3.4 wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad f 50,--.

De president:

3.5 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

3.6 wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad f 50,--.

Deze uitspraak is gedaan door mr W.J.A.M. van Brussel, lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken, tevens fungerend president, en uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2000, in tegenwoordigheid van mr L.C. Vermeer als griffier.

afschrift verzonden op: 20 juni 2000

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.