Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA6808

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-06-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 99/6660
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Haarlem

meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken

U I T S P R A A K

artikel 8:77 Algemene Wet Bestuursrecht (Awb)

artikel 33a Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr: AWB 99/6660 VRWET H

inzake: A, geboren op [...] 1977, afkomstig uit de

Federatieve Republiek Joegoslavië nationaliteit, eiseres, gemachtigde: mr P.J. Wapperom, advocaat te Dordrecht,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr M.C. van Drempt, advocaat te 's-Gravenhage.

1. GEGEVENS INZAKE HET GEDING

1.1 Aan de orde is het beroep tegen de beschikking op bezwaar van verweerder van 16 juli 1999, waarbij verweerder zijn besluit om de beslissing op de asielaanvraag van eiseres op te schorten in de zin van artikel 15e, tweede lid, Vw

heeft gehandhaafd.

1.2 Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

1.3 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 18 april 2000. Eiseres noch haar gemachtigde zijn ter zitting verschenen. Verweerder heeft bij monde van zijn gemachtigde zijn standpunt nader uiteengezet.

2. OVERWEGINGEN

2.1 Eiseres heeft op 16 december 1998 een aanvraag omtoelating als vluchteling ingediend.

2.2 Verweerder heeft bij brief van 2 juni 1999 aan eiseres het volgende medegedeeld:

"Ik heb thans geconstateerd dat u afkomstig bent uit de provincie Kosovo van de FRJ en dat u tot de etnisch Albanese bevolkingsgroep behoort.

Gelet daarop stel ik u met ingang van 21 april 1999 in het bezit van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf, geldig tot 21 april 2000.

Artikel 15e, tweede lid, Vreemdelingenwet bepaalt dat indien door buitengewone omstandigheden de beschikking op de aanvraag om toelating als vluchteling niet binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag kan worden afgedaan, de

aanvrager hiervan in kennis wordt gesteld en wordt meegedeeld dat de beschikking op de aanvraag om toelating zal worden gegeven binnen een termijn van ten hoogste drie jaar na verlening van de voorwaardelijke vergunning tot

verblijf.

In het licht van de massale instroom als gevolg van de situatie in Kosovo is er naar het oordeel van het kabinet (zoals verwoord in mijn brief van 21 april 1999 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer) sprake van buitengewone

omstandigheden in de zin van artikel 15e, tweede lid, Vreemdelingenwet.

Dit betekent dat de beslissing op uw aanvraag om toelating als vluchteling zal worden opgeschort met een periode van een jaar."

2.3 Namens eiseres is aangevoerd dat de bestreden beschikking in strijd is met het motiveringsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, althans enig in het rechtsbewustzijn levend algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Het

onderhavige besluit is immers louter gebaseerd op een brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van 21 april 1999, zonder dat er een inhoudelijke toets ten aanzien van het asielrelaas van eiseres heeft plaatsgevonden.

2.4 De rechtbank deelt het standpunt van eiseres niet. De regeling van artikel 15e, tweede lid, Vw voorziet er nu juist in dat aan asielzoekers - in dit geval Kosovaren - een voorwaardelijke vergunning tot verblijf wordt verleend

terwijl de asielaanvraag (nog) niet inhoudelijk wordt behandeld. Bij de totstandkoming van artikel 15e, tweede lid, Vw heeft een belangenafweging

plaatsgevonden, waarbij is geoordeeld dat de belangen van verweerder om zich op een later tijdstip over de aanvragen uit te laten in geval van buitengewone omstandigheden prevaleren boven het belang van asielzoekers bij een

onmiddellijke beslissing.

2.5 In het onderhavige geval komt het derhalve aan op de vraag of verweerder ten aanzien van etnische Albanezen uit Kosovo in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid tot opschorting van de beslissing op de

aanvraag om toelating als vluchteling.

2.6 De rechtbank is van oordeel dat deze vraag - in ieder geval voor gevallen als die van eiseres, waarbij op de datum met ingang waarvan toepassing aan artikel 15e, tweede lid, Vw wordt gegeven nog niet in eerste aanleg is beslist

op de aanvraag en de beslistermijn nog niet was verstreken - bevestigend dient te worden beantwoord. In zijn brief van 21 april 1999 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer heeft verweerder te kennen gegeven ten aanzien van etnische

Albanezen uit Kosovo over te gaan tot toepassing van artikel 15e, tweede lid, Vw. De Staatssecretaris van Justitie heeft in de genoemde brief overwogen dat in het licht van de

vluchtelingenstromen als gevolg van de situatie in Kosovo er naar het oordeel van het Kabinet sprake is van buitengewone

omstandigheden in de zin van artikel 15e Vw. In werkinstructie 196, waarin een nadere uitwerking van het beleid wordt gegeven, overweegt de Staatssecretaris voorts dat het gelet op de fluïde situatie in Kosovo en de omstandigheid

dat betrouwbare informatie ten aanzien van de situatie in de FRJ schaars is, niet mogelijk is een zorgvuldige beslissing te nemen op de aanvraag.

2.7 De rechtbank acht de door verweerder gegeven motivering voor toepassing van artikel 15e Vw, zoals hierboven weergegeven, toereikend. Verweerder heeft in zijn algemeenheid in redelijkheid kunnen oordelen dat met betrekking tot de

aanvragen van etnische Albanezen uit Kosovo sprake was van bijzondere omstandigheden waarop de wetgever bij de totstandkoming van artikel 15e, tweede lid, Vw het oog heeft gehad.

2.8 Nu eiseres behoort tot de groep waarop het bijzondere beleid van toepassing is, heeft verweerder ten aanzien van eiseres artikel 15e, tweede lid, Vw kunnen toepassen. Niet alleen ten tijde van de beschikking in primo maar ook op

het moment van de bestreden beschikking heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid vooralsnog af te zien van een beslissing op de aanvraag.

2.9 Het beroep is mitsdien ongegrond.

2.10 Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is niet gebleken.

3. BESLISSING

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr A.H. Schotman, voorzitter en mrs R.H.M. Bruin en J.F. Miedema, leden van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken, in tegenwoordigheid van mr L.C. Vermeer als griffier en uitgesproken in het

openbaar op 20 juni 2000 door

mr A.H. Schotman, in tegenwoordigheid van de griffier.

afschrift verzonden op: 22 juni 2000

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.