Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA6807

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-06-2000
Datum publicatie
19-06-2002
Zaaknummer
AWB 99/6657, 99/6186
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:86, geldigheid: 2000-06-05
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Haarlem

enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken

fungerend president

U I T S P R A A K

artikel 8:77 en 8:81 Algemene Wet Bestuursrecht (Awb)

artikel 33a Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr: AWB 99/6657 VRWET H (beroepszaak)

AWB 99/6186 VRWET H (voorlopige voorziening)

inzake: A, geboren op [...] 1962,

eiser/verzoeker, en

B, geboren op [...] 1966, eiseres/verzoekster,

alsmede hun vijf minderjarige kinderen, allen van Iraakse nationaliteit,

wonende/verblijvende te C, eisers/verzoekers,

gemachtigde: mr G.E. Jans, advocaat te Amsterdam,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr M. van Driel, advocaat te 's-Gravenhage.

1. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1.1 Eisers/verzoekers (hierna kortweg te noemen: eisers) verblijven sedert 6 maart 1999 in Nederland. Op 7 maart 1999 hebben zij aanvragen ingediend om toelating als vluchteling. Bij beschikkingen van 17 mei 1999, aan eisers

uitgereikt op 21 mei 1999, heeft verweerder de aanvragen niet ingewilligd wegens de kennelijke ongegrondheid ervan. Ambtshalve heeft verweerder overwogen dat eisers evenmin om verlening van een vergunning tot verblijf wegens

klemmende redenen van humanitaire aard in aanmerking komen. Eisers hebben op 10 juni 1999 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.

1.2 Bij beslissingen van 9 juli 1999, aan eisers uitgereikt op dezelfde dag, heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard. Eisers hebben op 5 augustus 1999 tegen dit besluit beroep bij deze rechtbank ingesteld.

1.3 Verweerder heeft per brieven van 6 juli 1999 bepaald dat uitzetting gedurende de periode dat het beroep aanhangig is, niet achterwege zal blijven. Bij verzoekschrift van 20 juli 1999 hebben eisers de president van de rechtbank

verzocht bij wijze van voorlopige

voorziening over te gaan tot schorsing van de beslissingen van verweerder om uitzetting niet achterwege te laten, totdat op het beroep is beslist.

1.4 Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek en ongegrondverklaring van het beroep.

1.5 De openbare behandeling van beide geschillen heeft gezamenlijk plaatsgevonden op 2 mei 2000. Ter zitting hebben eisers en verweerder bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader uiteengezet.

2. OVERWEGINGEN

Ten aanzien van het beroep

2.1 Eisers behoren tot de Arabische bevolkingroep en zijn afkomstig uit Basrah in het zuiden van Centraal-Irak. Zij maken deel uit van de geloofsgemeenschap van Mandeese Baptisten (ook wel genoemd: Mandeën of Sabeën). Sinds de

intifadah van 1991 is de situatie voor Mandeese Baptisten verslechterd doordat zij door de Shi'iten gehinderd worden in de belijdenis van hun geloof. Op 12 juni 1996 werd eisers broer D tezamen met zijn broer E en zus

F door de veiligheidsdienst van Irak opgepakt omdat D

als onderwijzer kritiek had geuit op het Iraakse regime en studenten zou hebben opgeruid. E en F werden na korte

tijd weer vrijgelaten, waarna zij Irak zijn ontvlucht. D werd uiteindelijk geëxecuteerd en eiser kreeg een reisverbod opgelegd. Eiser werd als goudsmid regelmatig afgeperst door leden van de veiligheidsdienst. Op 4 september 1998

werd de dochter van eisers ontvoerd. De dag na de ontvoering werd door de ontvoerders van eisers geëist dat zij zich bekeerden tot de Islam. indien zijn zich niet zouden bekeren zouden zij losgeld moeten betalen. Eisers hebben

betaald. Na betaling van het losgeld is de dochter op 9 september 1998 teruggekeerd. Na de ontvoering zijn de kinderen van eisers niet meer naar school gegaan en heeft eiser zijn winkel verkocht. In december 1998 zijn eisers naar

Jordanië gevlucht. Aan de grens hebben zij een ambtenaar omgekocht.

2.2 Verweerder heeft de bestreden beslissingen, voor zover hier van belang en samengevat, doen steunen op de volgende overwegingen. Uit het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 15 april 1999 volgt dat Mandeërs in

Irak niet te vrezen hebben voor vervolging louter op grond vanwege hun godsdienst. De door eisers gestelde discriminatie vanaf 1991 is voor hen geen aanleiding geweest Irak te verlaten. Gelet op de mogelijkheid voor eisers om door

middel van betaling van losgeld hun dochter vrij te krijgen liggen ook aan de ontvoering geen louter discriminatoire motieven ten grondslag. Uit eisers relaas kan niet worden afgeleid dat het leven van eisers ten gevolge van

systematische discriminatie van de zijde van de Iraakse autoriteiten of de moslim bevolking, onhoudbaar is geworden. Verweerder wijst erop dat eiser kennelijk niet vreest voor de autoriteiten van Irak omdat hij na de ontvoering van

zijn dochter de politie heeft ingeschakeld en voorts bij de uitreis grensambtenaren heeft omgekocht. Gelet op voormeld ambtsbericht mag voorts worden aangenomen dat eisers zich aan eventuele problemen in Centraal-Irak kunnen

onttrekken door zich in Noord-Irak te vestigen.

2.3 Eisers hebben hiertegen aangevoerd dat het ambtsbericht van Minister van Buitenlandse Zaken van 15 april 1999 ten aanzien van de vluchtelingrechtelijke positie van de Mandeeën (in Basrah) geen juist beeld geeft. De situatie is

voor deze bevolkingsgroep wel degelijk onhoudbaar geworden. In Basrah zijn meer dan 25 Mandeese goudsmeden door Shi'iten vermoord. Omdat eisers zich niet wilden bekeren tot de Islam zijn zij stelselmatig geterroriseerd. Het was voor

eisers niet mogelijk om (zonder toestemming) uit te wijken naar Bagdad. De Iraakse autoriteiten zijn niet in staat zichzelf te beschermen tegen de overgrote meerderheid van Shi'iten in het zuiden van Irak, laat staan dat zij

bescherming willen en kunnen bieden aan de geterroriseerde Mandeese bevolkingsgroep. Eisers hebben gedetailleerd aangegeven om welke redenen hun situatie

onhoudbaar was geworden. Ingevolge de vereiste zorgvuldige besluitvorming hadden eisers moeten worden gehoord. Ten onrechte wordt door verweerder aangenomen dat eiser zich in Noord-Irak kunnen vestigen. Eisers hebben geen familie-

of andere banden met Noord-Irak. Ook zullen eisers vanwege hun (Arabische) afkomst en geloofsovertuiging er nimmer worden geaccepteerd.

2.4 Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd zoals weergegeven in het zich bij de stukken bevindende verweerschrift en ter zitting zijn eerder ingenomen standpunt gehandhaafd.

2.5 Ter zitting heeft verweerder de geloofwaardigheid van eisers relaas -terecht- niet langer in twijfel getrokken.

Mede gelet op de verklaringen van eisers is de rechtbank van oordeel dat het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 15 april 1999 onvoldoende zicht biedt op de algemene positie van de Mandeese bevolkingsgroep om tot

de conclusie te komen dat hetgeen eisers is overkomen kan worden afgedaan als een incident.

Het ambtsbericht bevat immers niet meer dan een korte, globale beschrijving van de Mandeese bevolkingsgroep, waarin geen informatie wordt geboden omtrent de (leef)omstandigheden waarin zij zich bevinden en de mate waarin de overheid

in staat en bereid is de betrokkenen te beschermen tegen discriminatie door medeburgers.

Bij die stand van zaken is de enkele opmerking, in het

ambtsbericht, dat de Sabeeën niet van vervolging hebben te lijden "louter op grond van hun godsdienst" onvoldoende om aan te nemen dat de gebeurtenissen in het onderhavige geval iet kunnen worden beschouwd als uiting is van

structurele en ernstige discriminatie van deze bevolkingsgroep. Dat geldt temeer nu verweerder voor Centraal-Irak jarenlang een vvtv-beleid heeft gevoerd en de beeindiging van dat beleid zijn grond niet heeft gevonden in verbetering

van de situatie in Centraal-Irak.. Indien zou moeten worden geoordeeld dat eisers deel uitmaken van een kwetsbare groep in Centraal-Irak zou bij die stand van zaken slechts van weinig additionele problemen sprake behoeven te zijn,

zoals in onderhavig geval de ontvoering van eisers dochter, om aanspraak te kunnen maken op toelating als vluchteling.

De ongegrondverklaring van het bezwaarschrift kan vooralsnog dan ook niet op een gebrek aan zwaarwegendheid van het relaas worden gebaseerd.

2.6 Daarmee is aan de orde of verweerder eisers een binnenlands vestigingsalternatief kan tegenwerpen. Van een binnenlands vestigingsalternatief kan in de visie van de UNHCR pas sprake zijn indien:

"..., in all the circumstances of the case, it would have been (and would now be) possible and reasonable to expect the asylum-seeker to seek and obtain safety within his or her own country, rather than seeking asylum abroad."

(UNHCR-Note on Irakqi Asylum-seekers regarding the Applicability of Internal Relocation Alternative and the question of Return of Rejected Cases, 14 juni 1999, onder 4).

Daaruit volgt dat er sprake moet zijn van een daadwerkelijke vestigingsmogelijkheid. De rechtbank acht het aannemen van een vestigingsalternatief in Centraal-Irak niet verenigbaar met de omstandigheid dat het vvtv-beleid voor

Iraakse asielzoekers enkel is beëindigd op grond van de opvatting dat zij in Noord-Irak een vestigingsalternatief hebben. Verweerder is immers nog steeds van opvatting dat in redelijkheid van die asielzoekers niet kan worden

verlangd dat zij naar Centraal-Irak terugkeren. De aanname van een vestigingsmogelijkheid in Centraal-Irak in de door de UNHCR bedoelde zin verdraagt zich daarmee niet.

2.7 Daarmee resteert de vraag naar het vestigingsalternatief in Noord-Irak.

In het verweerschrift heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eisers een vestigingsalternatief hebben in Noord-Irak, althans dat zij zich daar zich staande kunnen houden, aangezien er in Noord-Irak Baptisten woonachtig

zijn en eisers verklaard hebben Baptist te zijn. Verweerder acht daarbij het geringe aantal van de

in Noord-Irak woonachtige Baptisten niet van belang voor het oordeel dat er in het onderhavig geval sprake is van banden ("community links") met Noord-Irak.

De Rechtseenheidskamer (REK) heeft in haar uitspraken van 20 maart 2000 geoordeeld dat niet zonder meer aannemelijk kan worden geacht dat een asielzoeker uit Centraal-Irak zonder banden met Noord-Irak -als bedoeld in voormelde

UNHCR-notitie van 14 juni 1999- zich daar staande kan houden.

De rechtbank kent betekenis toe aan de inhoud van een brief van de Minister van Buitenlandse Zaken d.d. 12 januari 2000, inzake (Noord-)Irak. Hierin schrijft de Minister (op p. 11) het volgende:

"De in Noord-Irak traditioneel sterke familierelaties en tribale banden maken dat personen uit Centraal-Irak die erover beschikken, in veel gevallen kunnen rekenen op ondersteuning en opvang door familie of stam. Gezien de

samenstelling van de bevolking in Noord-Irak kan in het algemeen worden gesteld dat bijvoorbeeld (...) uit Centraal-Irak naar verhouding vaak over banden in Noord-Irak beschikken. Voor sunnitsche en

sji'itische Arabieren (ook Moerasarabieren) en Sabeeën is dit in het algemeen veel minder of niet het geval."

In het licht van deze uitlatingen mag met betrekking tot de banden van eisers met Noord-Irak door verweerder aanzienlijk meer onderbouwing worden verwacht dan thans het geval is. De enkele omstandigheid dat er Sabeeën in Noord-Irak

wonen is onvoldoende om een voor eisers een vestigingslaternatief aan te nemen. Waar het om gaat is of er sprake is van een of meer gemeenschappen van Sabeeën die zelf zodanig stabiel en geïntegreerd zijn dat ze nieuwkomers

behulpzaam kunnen zijn bij het vinden van toegang tot essentieel te achten basisvoorzieningen.

2.8 Het voorgaande voert tot de slotsom dat de ongegrondverklaring van het bezwaar op twee punten onvoldoende is gemotiveerd. Het beroep is mitsdien gegrond.

2.9 De bestreden beschikking kan niet in stand blijven. Verweerder zal worden opgedragen een nieuwe beschikking te nemen met inachtneming van deze uitspraak binnen een daartoe te stellen termijn.

Ten aanzien van de voorlopige voorziening

2.10 Gegeven de beschikking in de hoofdzaak is er geen grond meer voor het treffen van de verzochte voorlopige voorziening, zodat het verzoek zal worden afgewezen.

Ten aanzien van de voorlopige voorziening en het beroep

2.11 In dit geval ziet de rechtbank aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten, zulks met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De

kosten zijn op voet van het bepaalde in het bovengenoemde Besluit vastgesteld op f 1.420,-- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van eisers een toevoeging

is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge het tweede lid van artikel 8:75 Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier.

Nu het verzoek om voorlopige voorziening is gemotiveerd door verwijzing naar het beroepschrift, bestaat geen aanleiding voor een afzonderlijke proceskostenveroordeling voor het verzoek om voorlopige voorziening.

2.12 Uit de gegrondverklaring volgt dat verweerder het betaalde griffierecht ad tweemaal f 50,-- dient te vergoeden.

3. BESLISSING

De rechtbank:

ten aanzien van de hoofdzaak:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt de bestreden beschikking;

3.3 bepaalt dat verweerder binnen veertien weken na datum van verzending van deze uitspraak een besluit op het bezwaarschrift van eisers van 10 juni 1999 dient te nemen;

3.4 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad f 1.420,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats

Haarlem dient te vergoeden;

3.5 wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eisers betaalde griffierecht ad f 100,--.

De president:

ten aanzien van de gevraagde voorlopige voorziening:

3.6 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr A.H. Schotman, lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken, tevens fungerend president, en uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2000, in tegenwoordigheid van mr S.C.A. Neher als griffier.

afschrift verzonden op: 8 juni 2000

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.