Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA6680

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-06-2000
Datum publicatie
21-11-2002
Zaaknummer
AWB 99/8378
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen, Wenen, 24-04-1963 46, geldigheid: 2000-06-14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2000/215
Ars Aequi RV20000025 met annotatie van
AB 2000, 419

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te 's-Hertogenbosch

Sector Bestuursrecht

--------------------------------

Uitspraak

--------------------------------

AWB 99/8378 VV

Uitspraak van de president op het verzoek als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 33a van de Vreemdelingenwet (Vw) in het geschil tussen:

A, verblijvende te B, verzoekster,

gemachtigde mr. E.J.C. Asselbergs, advocaat te Eindhoven,

en

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. N.H. Suerink, ambtenaar ten departemente.

I. PROCESVERLOOP

Verzoekster bezit de Marokkaanse nationaliteit.

Op 6 mei 1998 heeft verzoekster een aanvraag ingediend om verlening van een vergunning tot verblijf met als doel: "klemmende redenen van humanitaire aard".

Bij besluit van 15 juli 1999 heeft verweerder de aanvraag niet ingewilligd. Het besluit is bij schrijven van 15 juli 1999 aan de gemachtigde van verzoekster gezonden. Daarbij is medegedeeld dat eerst aan de hand van de inhoud van

een in te dienen bezwaarschrift zal worden beslist of verzoekster de behandeling daarvan in Nederland mag afwachten.

Op 23 juli 1998 heeft verzoekster tegen voornoemd besluit bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij schrijven van 16 september 1999 heeft verweerder de ontvangst van voormeld bezwaarschrift bevestigd. Daarbij heeft verweerder kenbaar gemaakt dat verzoekster het besluit op bezwaar niet in Nederland mag afwachten en dat zij

Nederland binnen twee weken na dagtekening van voormelde brief dient te verlaten.

Bij verzoekschrift van 30 september 1999 is de president van deze rechtbank verzocht een onverwijlde voorziening te treffen inhoudende dat verweerder niet zal overgaan tot de uitzetting van verzoekster uit Nederland zolang nog niet

is beslist op het door haar ingediende bezwaarschrift.

Verweerder heeft naar aanleiding van het voornoemde verzoek de stukken en een verweerschrift toegezonden.

Het verzoek om een voorlopige voorziening is behandeld ter zitting van 24 mei 2000, waar verzoekster niet is verschenen, maar is vertegenwoordigd door haar gemachtigde.

Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de

rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op

verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

In dit geschil dient de president te beoordelen of, hangende de bezwaarprocedure, de uitzetting van verzoekster verboden moet worden.

Hiertoe moet worden bezien of verweerder in redelijkheid heeft kunnen komen tot de beslissing om de uitzetting van verzoekster niet achterwege te laten gedurende de periode dat het bezwaar aanhangig is. Voorts dient te worden

bekeken of uitzetting hangende het bezwaar anderszins in strijd is met rechtsregels. De president geeft geen definitief, maar slechts een voorlopig oordeel over de zaak.

De president gaat uit van de volgende feiten.

Verzoekster is op 23 oktober 1997 Nederland ingereisd. De vader van verzoekster is met zijn echtgenote en kinderen ongeveer twee jaar daarvoor Nederland ingereisd. De vader van verzoekster is als diplomatiek ambtenaar werkzaam bij

het Marokkaans Consulaat te 's-Hertogenbosch. Verzoekster is in 1995 niet met haar ouders meegereisd omdat zij haar studie in Marokko af wilde maken. Zij heeft haar studie in 1997 afgerond. Gedurende haar studie heeft verzoekster

bij haar grootmoeder gewoond. De grootmoeder van verzoekster is inmiddels overleden. De broers en zusters van verzoeksters bevinden zich eveneens in Nederland.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat verzoekster niet in aanmerking komt voor de bijzondere diplomatieke status op grond van het bepaalde in hoofdstuk B1/20 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 1994. De ouders van verzoekster

hebben weliswaar deze status, maar verzoekster is niet gelijktijdig met haar ouders Nederland ingereisd. Zij heeft daardoor haar afhankelijkheid verloren. Aan de voorwaarden voor verruimde gezinshereniging, neergelegd in hoofdstuk

B1/7 van de Vc, is niet voldaan. Verzoekster behoort niet feitelijk tot het gezin van haar ouders. Het is niet aannemelijk dat de opname van verzoekster in het gezin van haar grootmoeder als tijdelijke maatregel was bedoeld. In de

periode tussen 1995 en oktober 1997 zijn er geen pogingen ondernomen om verzoekster naar Nederland te laten komen. Verzoekster heeft niet aangetoond dat haar ouders gedurende deze periode moreel gezag hebben uitgeoefend of voorzien

hebben in de kosten van opvoeding en levensonderhoud. Bovendien is niet aannemelijk dat achterlating van verzoekster van een onevenredige hardheid zou zijn. Zij is geboren in Marokko en heeft daar tot haar drieëntwintigste

levensjaar gewoond. Niet gebleken is dat er overigens geen familieleden van verzoekster in Marokko verblijven.

Verzoekster heeft gesteld dat zij slechts gedurende een korte periode niet bij haar ouders heeft verbleven. Derhalve kan niet gezegd worden dat de gezinsband definitief zou zijn verbroken. Als alleenstaande vrouw kan zij zich voorts

niet in Marokko staande houden. Alle leden van het gezin waartoe verzoekster behoort, bevinden zich in Nederland.

De president overweegt als volgt.

Zoals ook in hoofdstuk B20/1.1.1 van de Vc is neergelegd, is de Vw niet van toepassing op vreemdelingen die in Nederland werkzaamheden verrichten als lid van een diplomatieke zending of consulaire post, hun gezinsleden en hun

personeel, indien zij niet duurzaam in Nederland verblijven. Op grond van de Weense Verdragen inzake Diplomatiek Verkeer respectievelijk de Consulaire Betrekkingen komt hen een bijzondere status toe.

Gelet op de bijzondere status van de vader van verzoekster dient op de eerste plaats voor de vraag gesteld te worden of verzoekster op grond van de bepalingen in het Weense Verdrag inzake Consulaire Betrekkingen van 24 april 1963

(Trb. 1965, 48) (hierna: het Verdrag) aanspraak kan

maken op toelating.

In artikel 46, eerste lid, van het Verdrag is bepaald dat "Consular officers and consular employees and members of their families forming part of their households shall be exempt from all obligations under the laws and regulations

of the receiving State in regard to the registration of aliens and residence permits".

Verweerder heeft zich in het besluit van 15 juli 1999 op het standpunt gesteld dat verzoekster niet in aanmerking komt voor een bijzondere status, omdat zij niet gelijktijdig met haar ouders Nederland is ingereisd en daardoor haar

afhankelijkheid heeft verloren.

De president kan verweerder in dit standpunt niet volgen. In artikel 46, eerste lid, van het Verdrag wordt slechts gesproken over "members of their families forming part of their households". In het artikel wordt derhalve niet

gesproken over gezamenlijk inreizen dan wel een afhankelijke positie, zoals verweerder in het besluit van 15 juli 1999 heeft betoogd. Het ligt naar het oordeel van de president, bij gebrek aan nadere voorschriften omtrent de wijze

waarop artikel 46, eerste lid, van het Verdrag geïnterpreteerd dient te worden, niet zonder meer voor de hand dat voornoemde bepaling van het Verdrag op de door verweerder in casu gehanteerde wijze dient te worden geïnterpreteerd.

Daarbij overweegt de president dat evenmin zonder meer valt in te zien dat verzoekster, door achter te blijven in Marokko om haar studie te voltooien, niet meer als "afhankelijk" van haar ouders kan worden aangemerkt. Naar het

oordeel van de president kan derhalve niet op voorhand uitgesloten worden geacht dat verzoekster aan artikel 46, eerste lid, van het Verdrag een rechtstreekse aanspraak op toelating kan ontlenen.

Een en ander leidt tot de conclusie dat verzoekster in de gelegenheid dient te worden gesteld de behandeling van het bezwaar in Nederland af te wachten. Het verzoek om een voorlopige voorziening dient dan ook te worden toegewezen in

die zin dat verweerder zal worden verboden om verzoekster uit Nederland te verwijderen zolang nog niet op het door haar ingediende bezwaarschrift is beslist.

De president acht termen aanwezig verweerder onder toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en

de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal f 1.420,-- voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

* 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) verzoekschrift;* 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

* waarde per punt f 710,--;

* wegingsfactor 1.

Tevens zal de president bepalen dat door de Staat der Nederlanden aan verzoekster het door haar gestorte griffierecht dient te worden vergoed.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De president:

verbiedt verweerder verzoekster uit Nederland te verwijderen zolang nog niet is beslist op het door haar ingediende bezwaarschrift;

veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten vastgesteld op f 1.420,--, te vergoeden door de Staat der Nederlanden, en te voldoen aan verzoekster;

gelast de Staat der Nederlanden aan verzoekster te vergoeden het door haar gestorte griffierecht.

Aldus gedaan door mr. W.C.E. Winfield, als president, in tegenwoordigheid van mr. A.P.G. van Liempt, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2000.

Afschriften verzonden: 23 juni 2000

TH