Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA6679

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-01-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 97/3053, 98/668
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:8
Algemene wet bestuursrecht 6:9
Algemene wet bestuursrecht 7:12
Algemene wet bestuursrecht 8:72
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te 's-Hertogenbosch

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

--------------------------------

Uitspraak

--------------------------------

AWB 97/3053 VRWET

AWB 98/668 VRWET

Uitspraak van de rechtbank op de beroepen ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 33a van de Vreemdelingenwet (Vw) in het geschil tussen:

A, wonende te B, eiser,

gemachtigde mr. P.J.M. van Kuppenveld, advocaat te 's-Hertogenbosch,

en

de Staatssecretaris van Justitie te 's-Gravenhage, verweerder.

I. PROCESVERLOOP

Eiser bezit de Algerijnse nationaliteit en is vreemdeling in de zin van de Vw.

Op 18 februari 1994 heeft eiser aanvragen ingediend om toelating als vluchteling en om verlening van een vergunning tot verblijf.

Bij besluit van 14 maart 1994 heeft verweerder de aanvraag van eiser om toelating als vluchteling op grond van artikel 15c, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw niet ingewilligd wegens kennelijke ongegrondheid

ervan. Tevens heeft verweerder afwijzend beslist op de aanvraag om een vergunning tot verblijf.

Bovendien is bij dit besluit aan eiser de maatregel ex artikel 18a, eerste lid, van de Vw opgelegd.

Bij de bekendmaking van dit besluit aan eiser is hem medegedeeld dat hij de behandeling van een eventueel bezwaar- en beroepschrift niet in Nederland mag afwachten.

Op 16 maart 1994 heeft eiser op nader aan te voeren gronden beroep bij de rechtbank ingesteld tegen de niet-inwilliging van zijn aanvraag om toelating als vluchteling. Deze beroepszaak is bij deze rechtbank bekend onder

registratienummer AWB 94/1030. Tegen de niet-inwilliging van de aanvraag om verlening van een vergunning tot verblijf heeft eiser bij brief van 16 maart 1994 op nader aan te voeren gronden bezwaar gemaakt.

Voorts heeft eiser om een voorlopige voorziening verzocht, inhoudende dat het verweerder wordt verboden maatregelen te nemen om tot verwijdering van eiser over te gaan, totdat op het bezwaar- casu quo het beroepschrift zal zijn

beslist. Bij schrijven van 27 april 1994 heeft eiser het verzoek ingetrokken.

Bij uitspraak ex artikel 8:54, eerste lid, van de Awb van deze rechtbank, zittinghoudende te 's-Hertogenbosch, van 5 juli 1994, is het tegen het besluit van 14 maart 1994 ingediende beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Bij schrijven van 13 januari 1995 zijn de aanvullende gronden van het bezwaar tegen het besluit van 14 maart 1994 ingediend.

Op 17 januari 1995 heeft eiser wederom verzocht om toelating als vluchteling en verlening van een vergunning tot verblijf.

Bij afzonderlijke besluiten van 7 november 1996 heeft verweerder het bezwaar tegen de beschikking van 14 maart 1994 ongegrond verklaard respectievelijk de aanvraag om toelating als vluchteling niet-ontvankelijk verklaard en de

aanvraag om verlening van een vergunning tot verblijf niet ingewilligd.

De besluiten zijn aan de gemachtigde van eiser bekendgemaakt op 7 november 1996. De besluiten zijn aan eiser uitgereikt op 19 maart 1997.

Daarbij is medegedeeld dat eiser de behandeling van een eventueel bezwaar- respectievelijk beroepschrift niet in Nederland mag afwachten.

Op 10 maart 1997 heeft eiser tegen het primaire besluit van 7 november 1996 bezwaar gemaakt bij verweerder.

Tegen het besluit van 7 november 1996 waarbij het bezwaar van eiser tegen de beschikking van 14 maart 1994 ongegrond is verklaard, heeft eiser op 10 maart 1997 beroep ingesteld bij deze rechtbank. Deze beroepszaak is bij deze

rechtbank bekend onder registratienummer AWB 97/3053. Bij schrijven van 12 december 1997 zijn de gronden van dit beroep nader aangevuld.

Op 10 maart 1997 is bovendien om een voorlopige voorziening verzocht, inhoudende dat het verweerder wordt verboden maatregelen te nemen om tot verwijdering van eiser over te gaan, totdat op het bezwaar- respectievelijk beroepschrift

zal zijn beslist.

Bij schrijven van 20 oktober 1997 heeft eiser het verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken, nadat door verweerder bij schrijven van 21 juli 1997 alsnog aan het ingediende bezwaarschrift schorsende werking werd verleend.

Op 20 november 1997 is eiser omtrent zijn bezwaar tegen het besluit van 7 november 1996 gehoord door een ambtelijke commissie (AC).

Bij besluit van 15 december 1997 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij schrijven van 12 januari 1998 beroep ingesteld. Het beroep is op gelijke datum ter griffie van de rechtbank ontvangen. Deze beroepszaak is bij deze rechtbank bekend onder registratienummer AWB

98/668. Bij schrijven van 19 februari 1998 zijn namens eiser de gronden van het beroep nader aangevuld.

Verweerder heeft naar aanleiding van beide beroepen de op de zaken betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

De beroepen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 12 oktober 1999, waar

eiser niet is verschenen, maar is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. N.H. Suerink, ambtenaar ten departemente.

II. OVERWEGINGEN

Ten aanzien van de ontvankelijkheid

Verweerder stelt zich, blijkens het verweerschrift en het verhandelde ter zitting, primair op het standpunt dat eiser in zijn beroep tegen het besluit van 7 november 1996 niet-ontvankelijk verklaard dient te worden, aangezien het

beroepschrift niet binnen de wettelijke termijn is ingediend. Verweerder wijst erop dat het beroepschrift, gelet op artikel 33c van de Vw juncto de artikelen 6:8 en 6:9 van de Awb uiterlijk op 5 december 1996 had moeten zijn

ingediend. Verweerder geeft voorts aan dat volgens artikel 7:12, tweede lid van de Awb de beslissing op bezwaar wordt bekendgemaakt door toezending of uitreiking aan degene(n) tot wie zij is gericht en dat hierbij toezending of

uitreiking aan een gemachtigde geldt als bekendmaking aan de belanghebbende.

Verder is verweerder - onder verwijzing naar de uitspraak van de Rechtseenheidskamer van deze rechtbank (REK) d.d. 24 oktober 1996, inzake Awb 96/6780 - van mening dat er geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding

als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb, nu vier maanden na dagtekening van deze uitspraak, dat wil zeggen op 24 februari 1997, algemeen bekend geacht moet zijn dat de datum van verzending van de beschikking bepalend is voor de

aanvang van de beroepstermijn.

Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van verweerder tevens dat verweerder eiser bij beschikking van 15 december 1997 ten onrechte ontvankelijk heeft verklaard in zijn bezwaar tegen de niet-inwilliging van zijn (voor de tweede

maal ingediende) aanvragen om toelating als vluchteling en verlening van een vergunning tot verblijf.

De gemachtigde van eiser heeft zich reeds in zijn beroepschrift alsmede in zijn bezwaarschrift van 10 maart 1997 op het standpunt gesteld dat hij dient te worden ontvangen in zijn bezwaar respectievelijk beroep nu hij deze

rechtsmiddelen heeft aangewend zo spoedig mogelijk, dat wil zeggen binnen twee weken, nadat volgens de REK van 24 oktober 1996 de reden voor de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding vervallen is.

Ten aanzien van het vorenstaande overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank stelt vast dat de beroepstermijn in casu is overschreden.

Niet betwist is immers dat de bestreden besluiten op 7 november 1996 aan de gemachtigde van eiser zijn verzonden, zodat uiterlijk op 5 december 1996 het beroep- respectievelijk bezwaarschrift had moeten zijn ingediend. Het

beroepschrift en ook het bezwaarschrift zijn echter gedateerd op 10 maart 1997. Op 11 maart 1997 is het beroepschrift ter griffie van de rechtbank ontvangen. Ter zitting is tussen partijen als vaststaand aangenomen dat het

bezwaarschrift op 11 maart 1997 door verweerder is ontvangen. Gelijk uit de eerdergenoemde uitspraak van de REK van 24 oktober 1996 -en andere op diezelfde datum gewezen gelijkluidende uitspraken- volgt, roept uitreiking van een

besluit aan de vreemdeling, nadat dit al aan de gemachtigde is verzonden, geen (nieuwe) beroeps- respectievelijk bezwaartermijn in het leven. Wél heeft de REK, zakelijk weergeven, overwogen dat als gevolg van de op dat moment

bestaande, mede door verweerder in het leven geroepen onduidelijkheid op dit punt, de termijnoverschrijding in het voorgelegde geval verschoonbaar was.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn er ook in casu omstandigheden die de termijnoverschrijdingen verschoonbaar doen zijn. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

In haar uitspraken van 24 oktober 1996 heeft de REK overwogen dat in situaties waarin de (gemachtigde van de) vreemdeling ervan uit is gegaan dat de beroepstermijn eerst een aanvang neemt op de dag van de uitreiking van het besluit

op bezwaar aan de vreemdeling, een beroep op

de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding niet zonder meer zal kunnen worden gehonoreerd op het moment dat haar uitspraak geacht mag worden algemeen bekend te zijn. De REK gaat er daarbij vanuit dat dat vier maanden na

dagtekening van die uitspraak het geval zal zijn, te weten op 24 februari 1997.

Uit deze overweging volgt dat de reden voor het in beginsel uitsluiten van een geslaagd beroep op de verschoonbaarheid van een

termijnoverschrijding in gevallen als deze na 24 februari 1997, is gelegen in de omstandigheid dat de uitspraak van de REK op laatstgenoemde datum geacht kan worden algemeen bekend te zijn. Deze veronderstelling brengt naar het

oordeel van de rechtbank evenwel mee dat de gemachtigde van eiser uiterlijk op 24 februari 1997 tot het besef moest zijn gekomen dat de beroeps- respectievelijk bezwaartermijn in casu al op 8 november 1996 was gaan lopen. Onder deze

omstandigheden mocht van hem niet meer worden verlangd dan dat hij vanaf dat moment zo snel als redelijkerwijs mogelijk beroep zou instellen respectievelijk bezwaar zou maken. Bij de bepaling van laatstbedoelde termijn wordt als

regel uitgegaan van twee weken. Dit houdt in dat het bezwaar- en beroepschrift uiterlijk op 10 maart 1997 dienden te zijn ingediend. Nu zij op 10 maart 1997 ter post zijn bezorgd is het beroep respectievelijk bezwaar, gelet ook op

het bepaalde in artikel 6:9, tweede lid, van de Awb, ontvankelijk.

Vervolgens is aan de orde de vraag of de bestreden besluiten van 7 november 1996 en van 15 december 1997 in rechte stand kunnen houden.

Ten aanzien van de beroepsprocedure AWB 97/30563

In de onderhavige procedure is aan de orde de vraag of het bestreden besluit van 7 november 1996 in rechte stand kan houden. Bij dit besluit is het bezwaar van eiser, gericht tegen het besluit van 14 maart 1994, voorzover daarin de

door eiser ingediende aanvraag om een vergunning tot verblijf niet is ingewilligd, ongegrond verklaard.

In bezwaar heeft eiser zich op het standpunt gesteld, dat hij in aanmerking dient te komen voor een vergunning tot verblijf (vtv).

Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft eiser bij schrijven van 13 januari 1995 afschriften in het geding gebracht van een lidmaatschaps- /identiteitskaart van het FIS, een brief van Amnesty International aan de gemachtigde van

eiser d.d. 17 november 1994, de rapporten vreemdelingenbewaring met bijbehorende processen-verbaal, alsmede een brief van Amnesty International aan de Staatssecretaris van Justitie van 15 december 1994 met algemene informatie over

de situatie in Algerije.

Op deze zelfde gegevens heeft eiser zijn nieuwe aanvragen van 17 januari 1995 doen steunen, inhoudende te worden toegelaten als vluchteling en tot verlening van een vergunning tot verblijf, die ter beoordeling staan in de

beroepsprocedure AWB 98/668.

In de beschikking op bezwaar van 7 november 1996 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de gronden die betrokkene aanvoert in het bezwaarschrift niet leiden tot een ander oordeel dan verwoord in de beschikking van 14

maart 1994, waarin gemotiveerd is ingegaan op alle van belang zijnde aspecten van de zaak. Voorts stelt verweerder dat geen feiten of omstandigheden naar voren zijn gebracht op grond waarvan eiser om andere klemmende redenen van

humanitaire aard in het bezit zou behoren te worden gesteld van een vergunning tot verblijf.

Namens verweerder is ter zitting betoogd, dat bij de beslissing op bezwaar mede in de oordeelsvorming zijn betrokken de door eiser bij schrijven van 13 januari 1995 overgelegde bescheiden. Verweerder verwijst hiervoor naar de

motivering van de beschikking, zoals hiervoor vermeld.

De rechtbank is van oordeel dat uit het bestreden besluit niet, althans onvoldoende blijkt, dat verweerder daadwerkelijk de bij afzonderlijk schrijven van 13 januari 1995 bij de indiening van de gronden van het bezwaar overgelegde

bescheiden in zijn oordeelsvorming heeft betrokken.

In het bestreden besluit wordt immers slechts in algemene bewoordingen een standpunt ingenomen. Naar het oordeel van de rechtbank diende uit het bestreden besluit te kunnen worden opgemaakt dat deze aanvullend overgelegde bescheiden

door verweerder in de oordeelsvorming zijn betrokken, waarbij het standpunt van verweerder dienaangaande in het bestreden besluit diende te zijn neergelegd. Nu dit niet het geval is moet worden vastgesteld dat het bestreden besluit

lijdt aan een motiveringsgebrek en om die reden dient te worden vernietigd. Om te bezien of er in dit geval aanleiding is gebruik te maken van de in artikel 8:72, derde lid, van de Awb toegekende bevoegdheid om te bepalen dat de

rechtsgevolgen van een vernietigd besluit of een vernietigd gedeelte daarvan geheel of gedeeltelijk in stand blijven, zal de rechtbank eerst het tegen het besluit van 15 december 1997 gerichte beroep inhoudelijk behandelen.

Ten aanzien van de beroepsprocedure AWB 98/668

In dit geding dient te worden beoordeeld of het bestreden besluit van 15 december 1997, waarbij het bezwaar van eiser, gericht tegen de niet-inwilliging van zijn aanvraag om toelating als vluchteling wegens de niet-ontvankelijkheid

ervan alsmede tegen de niet-inwilliging van zijn aanvraag om verlening van een vergunning tot verblijf, ongegrond is verklaard, in rechte stand kan houden.

Ingevolge artikel 1(A) van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 28 juli 1951, zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 31 januari 1967 (hierna te noemen: het Verdrag) geldt, voor zover hier van

belang, voor de toepassing van het Verdrag als vluchteling elke persoon die uit gegronde vrees voor vervolging wegens ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep, zich bevindt

buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en die de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen.

Ingevolge artikel 15b, eerste lid, aanhef en onder b van de Vw, wordt de aanvraag om toelating als vluchteling niet ingewilligd wegens de niet-ontvankelijkheid ervan indien de vreemdeling reeds eerder in Nederland op gelijke gronden

om toelating heeft gevraagd terwijl daarop onherroepelijk tot niet-inwilliging is besloten.

Gebleken is dat eiser op 18 februari 1994 hier te lande voor de eerste keer aanvragen heeft ingediend om toelating als vluchteling en om verlening van een vergunning tot verblijf.

In die procedure heeft eiser ten overstaan van de contactambtenaar van het Ministerie van Justitie, zoals blijkt uit het daarvan opgemaakte rapport van gehoor van 28 februari 1994, ter ondersteuning van zijn aanvragen onder meer het

volgende verklaard.

Eiser stelt vanaf 1990 actief te zijn geweest voor het FIS en in 1991 lid te zijn geworden van deze beweging. Eisers activiteiten bestonden uit het verspreiden en opplakken van pamfletten. Ook verzamelde eiser geld voor de

organisatie. Eiser gaf les aan kinderen in de moskee.

Op 10 mei 1992 is eiser op de universiteit gearresteerd. Eiser had deelgenomen aan een door het FIS georganiseerde demonstratie tegen het regime. Eiser heeft, samen met veel andere studenten, vier maanden vastgezeten. Eisers

identiteitskaart is daar in beslag genomen door de revolutionaire garde.

De problemen zijn, aldus eiser, pas echt begonnen op 22 februari 1993.

Eiser werd gearresteerd door de politie toen hij alleen in de moskee was. Vanwege zijn activiteiten voor het FIS is eiser in april 1993 veroordeeld tot 5 jaar gevangenisstraf. Tijdens zijn detentie werd eiser mishandeld. In juli

1993 is eiser met een celgenoot ontsnapt. Hierbij werden zij geholpen door een bewaker die bevriend was met eisers celgenoot. Vervolgens zijn eiser en zijn celgenoot gevlucht naar een wijk in Algiers alwaar zij in een woning van een

leerling van een vooraanstaand persoon binnen het FIS ondergedoken hebben gezeten. Hier

heeft eiser tot eind november 1993 verbleven. Eiser heeft slechts de woning verlaten wanneer hij naar de moskee ging.

Eind november 1993 heeft de politie de woning waar eiser verbleef bestormd. Eiser vermoedt dat hij is verraden door de buren. Omdat eiser ten tijde van de inval in de moskee was, heeft hij weten te ontkomen.

Eiser is geadviseerd naar Nederland te vluchten. Op 8 december 1993 is eiser met een veerboot van Algiers naar Marseille vertrokken. Na aankomst aldaar op 9 december 1993 is eiser direkt doorgereisd naar Parijs. Na daar zes dagen

verbleven te hebben is eiser naar Nederland gereisd waar hij op 16 december 1993 is binnengekomen.

Bij besluit van 14 maart 1994 heeft verweerder op inhoudelijke gronden de door eiser ingediende aanvraag om toelating als vluchteling niet ingewilligd wegens kennelijke ongegrondheid ervan.

Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld tegen dit besluit. Vanwege het niet indienen van gronden waarop dit beroep berust, is vervolgens bij rechterlijke uitspraak van 5 juli 1994 eiser niet-ontvankelijk verklaard in zijn beroep.

Daarmee is de beslissing tot niet-inwilliging van de aanvraag van 14 maart 1994 voor zover betrekking hebbend op de toelating als vluchteling onherroepelijk geworden.

Op 17 januari 1995 heeft eiser wederom hier te lande aanvragen ingediend om toelating als vluchteling en om verlening van een vergunning tot verblijf. Daarbij heeft eiser dezelfde vluchtmotieven aangevoerd als hij aan zijn eerste

asielaanvraag ten grondslag heeft gelegd. Ter ondersteuning van zijn aanvragen heeft eiser gegevens overgelegd welke hij ook bij de indiening van de gronden van zijn bezwaar in de vorige procedure in het geding heeft gebracht, zoals

reeds eerder aangegeven.

Eiser is naar aanleiding van zijn tweede asielaanvraag op 30 januari 1995 gehoord door een contactambtenaar van het Ministerie van Justitie.

Tijdens dit gehoor heeft eiser met name gewezen op de lidmaatschaps-/ identiteitskaart van het FIS. Deze kaart is volgens zijn verklaring afgegeven in 1990. Tijdens zijn eerste asielaanvraag had eiser dit document nog niet in zijn

bezit, doch inmiddels heeft hij van in Frankrijk verblijvende familieleden, waarvan eiser de namen en adressen niet wenst te geven, een afschrift van deze lidmaatschapskaart ontvangen. Het origineel ligt bij de politie in Algerije.

In de correcties en aanvullingen van 3 februari 1995 is nogmaals bevestigd dat de kaart is afgegeven in 1990.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat sprake is van een herhaalde asielaanvraag. De FIS-lidmaatschapskaart die is overgelegd na de onherroepelijk geworden afwijzing van zijn eerder hier te lande ingediende asielaanvraag kan

volgens verweerder niet worden aangemerkt als een rechtens relevant novum, nu eiser zonder legitieme reden de FIS-lidmaatschapskaart eerst bij zijn tweede asielaanvraag heeft overgelegd, terwijl hij de kaart bij zijn eerste

asielaanvraag reeds in zijn bezit had. Verweerder is in het bestreden besluit vervolgens nog gemotiveerd en uitgebreid ingegaan op de vrees voor vervolging vanwege het FIS-lidmaatschap van eiser en op de overgelegde

FIS-lidmaatschapskaart en heeft uiteindelijk geconcludeerd dat, indien wordt uitgegaan van de authenticiteit van dit document, dit niets toevoegt aan hetgeen reeds naar aanleiding van de eerste asielaanvraag is overwogen en de

gestelde vrees voor vervolging hiermee niet alsnog aannemelijk wordt gemaakt.

Ten aanzien van eisers beroep, voor zover dat betrekking heeft op de niet-inwilliging van de aanvraag om toelating als vluchteling, overweegt de rechtbank als volgt.

Gelet op het bepaalde in artikel 15b, eerste lid, aanhef en onder b van de Vw, dient beoordeeld te worden of de vreemdeling reeds eerder in Nederland op gelijke gronden om toelating heeft gevraagd terwijl daarop onherroepelijk tot

niet-inwilliging is besloten.

Eiser heeft bij de aan dit geschil ten grondslag liggende aanvraag de eerder door hem gestelde vrees dat hij door de Algerijnse autoriteiten

wordt gezocht, onderbouwd met een afschrift van een lidmaatschaps- /identiteitskaart van het FIS. Dit document heeft eiser eerst in augustus 1994 in handen gekregen en derhalve na het onherroepelijk worden van de beslissing op zijn

eerste asielaanvraag door de uitspraak van 5 juli 1994. Dat zijn aanvraag om een vergunning tot verblijf toen nog in procedure was, staat buiten de beoordeling van zijn asielaanvraag. Naar het oordeel van de rechtbank is het

overgelegde document aan te merken als een nieuw feit, aangezien hij dit afschrift niet tijdens de behandeling van zijn eerste asielaanvraag in bezit heeft gekregen. Onder vorengenoemde omstandigheden is geen sprake van een

herhaalde aanvraag. De rechtbank is dientengevolge van oordeel dat verweerder de onderhavige aanvraag om toelating als vluchteling van eiser ten onrechte niet heeft ingewilligd wegens de

niet-ontvankelijkheid ervan op grond van artikel 15b, eerste lid, aanhef en onder b van de Vw. Daarbij wijst de rechtbank er nog op dat uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat artikel 15b, eerste lid, aanhef en onder b van de

Vw door regering en parlement uitsluitend is bedoeld om te worden toegepast indien sprake is van louter herhaling van de aanvraag om toelating als vluchteling, gebaseerd op dezelfde gronden die reeds eerder ontoereikend zijn

gebleken. In een zodanig geval treedt verweerder niet meer in een inhoudelijke beoordeling van het gevraagde, maar doet de aanvraag op externe gronden af. Dit artikel kan niet worden toegepast op grond van het enkele feit dat voor

de tweede keer hier te lande een aanvraag om toelating als vluchteling is ingediend. Evenmin kan dit artikel worden toegepast indien nieuw bewijs wordt geleverd van eerder aangevoerde stellingen. Artikel 15b, eerste lid, aanhef en

onder b, Vw moet restrictief worden opgevat.

Dit betekent dat verweerder bij het bestreden besluit het primaire besluit had behoren te herroepen en een nieuw besluit had behoren te nemen. Verweerder heeft dit nagelaten. Verweerder heeft immers in het bestreden besluit de

niet-inwilliging van de asielaanvraag op grond van artikel 15b, eerste lid, aanhef en onder b van de Vw gehandhaafd.

Derhalve kan het bestreden besluit in zoverre geen stand houden.

De rechtbank ziet echter grond om te bepalen dat verweerder wat dit onderdeel betreft niet opnieuw in de zaak moet voorzien. Daartoe overweegt zij dat verweerder in het primaire besluit ook, zij het kort via een tweetal overwegingen

ten overvloede, inhoudelijk op de gegrondheid van de aanvraag om toelating als vluchteling is ingegaan en in de beslissing op bezwaar een uitgebreid gemotiveerd inhoudelijk oordeel daarover heeft gegeven, niettegen- staande de

niet-inwilliging van de aanvraag wegens de niet-ontvankelijkheid ervan op meergenoemde grond.

Verweerder heeft op grond van deze uitgebreide overwegingen geconcludeerd dat de gestelde vrees voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag niet alsnog aannemelijk is gemaakt. De rechtbank deelt deze conclusie van

verweerder. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

Een beroep op de algemene -verslechterde- situatie in Algerije kan niet leiden tot een gegrond beroep op vluchtelingschap, aangezien de algehele situatie in Algerije ten tijde van het thans in geding zijnde besluit niet zodanig was

dat degenen die uit dat land afkomstig zijn zonder meer als vluchteling zouden moeten worden aangemerkt. De door eiser overgelegde algemene informatie met betrekking tot de toestand in Algerije kan naar het oordeel van de rechtbank

dan ook niet afdoen aan het door verweerder in zijn oorspronkelijk besluit ingenomen standpunt, nu daarin voorts geen aanknopingspunten zijn te vinden dat eiser door de autoriteiten van zijn land wel als een opposant van enige

importantie wordt gezien.

Ook naar het oordeel van de rechtbank doet de omstandigheid dat eiser de kopie van de lidmaatschapskaart niet direct nadat hij deze in augustus

1994 in handen had gekregen doch eerst in januari 1995 in het geding heeft gebracht, twijfelen aan de oprechtheid van eisers asielmotieven, nu eiser kennelijk al voorafgaand aan zijn vertrek uit Algerije het belang van die kaart

inzag. Immers, eiser heeft verklaard dat hij de situatie in Algerije vanaf 1990 heel gevaarlijk vond en dat hij al eerder het land had willen verlaten en om die reden in 1991/1992 een kopie van de originele kaart had laten maken. De

hiervoor gegeven verklaringen overtuigen de rechtbank niet. Dat eiser niet eerder over de kopie heeft verteld uit angst uitgezet te worden nu hij aangaande zijn eerste asielaanvraag was uitgeprocedeerd overtuigt niet aangezien naar

het oordeel van de rechtbank toch van eiser mocht worden verwacht dat hij, nu hij naar zijn zeggen overtuigend bewijs in handen heeft gekregen ter staving van zijn eerste verhaal, dit ook aan verweerder kenbaar zou hebben gemaakt

waarna op grond daarvan een nieuwe aanvraag had kunnen worden ingediend en eiser op die basis zo nodig eventueel rechtsmiddelen tegen zijn uitzetting had kunnen aanwenden. In elk geval had mogen worden verwacht dat eiser zich op

enigerlei wijze zou hebben georiënteerd over hoe dit nieuwe bewijsstuk in het geding te brengen, waarvan niet is gebleken. Dat hij op dat moment in de procedure niet kenbaar wilde maken FIS-lid te zijn acht de rechtbank geen

overtuigende verklaring, aangezien hij immers bij zijn eerste asielaanvraag hieromtrent reeds had verklaard en deze asielaanvraag ook steunde op vrees voor vervolging vanwege politieke activiteiten voor het FIS, zodat zijn

FIS-lidmaatschap reeds bekend was. Ook de verklaring van eiser dat hij in die fase van de procedure -uitgeprocedeerd ten aanzien van zijn eerste asielaanvraag- het belang van het overleggen van de kopie eerst niet inzag, overtuigt

de rechtbank niet gelet op hetgeen hiervoor reeds is overwogen omtrent het zich in ieder geval oriënteren op de mogelijkheid van het inbrengen van nieuwe naar eisers oordeel belangrijke bewijsstukken, waarbij de rechtbank nog mede

in aanmerking neemt dat hij klaarblijkelijk eerder wel overtuigd was van het belang van dit stuk, aangezien hij, zoals hiervoor reeds aangegeven, deze kopie heeft gemaakt juist omdat hij dacht deze kopie nodig te hebben indien hij

Algerije zou verlaten.

De rechtbank is vervolgens met verweerder van oordeel dat met de thans overgelegde kopie van een lidmaatschapskaart de gestelde vrees voor vervolging niet alsnog aannemelijk is gemaakt. Daartoe overweegt de rechtbank dat eiser ten

overstaan van een contactambtenaar op 30 januari 1995 heeft verklaard dat de lidmaatschapskaart is afgegeven in 1990, hetgeen bevestigd is in de aanvullingen en correcties. Het jaar van afgifte spoort niet met de verklaringen van

eiser tijdens het nader gehoor op 28 februari 1994 waarbij hij heeft aangegeven vanaf 1990 actief te zijn geworden voor het FIS en in 1991 lid te zijn geworden.

Mede nu hij daarbij uitdrukkelijk onderscheid heeft gemaakt in zijn activiteiten, eerst actief en pas later in 1991 ook daadwerkelijk lid, is er geen reden om aan die destijds afgelegde verklaringen te twijfelen. Gelet op het

voorgaande bestaat bij de rechtbank ernstige twijfel over de authenticiteit van het overgelegde document. De rechtbank acht voorts van belang dat het hier gaat op een kopie.

Verweerder heeft dienaangaande terecht opgemerkt dat geen zelfstandige waarde kan worden gehecht aan de kopie, nu deze niet kan worden onderworpen aan een authenticiteitsonderzoek, aangezien dit bij kopieën niet mogelijk is.

Onder voornoemde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft aangenomen dat hetgeen eiser ter ondersteuning van zijn tweede aanvraag naar voren heeft gebracht niets toevoegt aan hetgeen reeds

naar aanleiding van de eerste asielaanvraag is overwogen en dat de gestelde vrees voor vervolging hiermee niet alsnog aannemelijk wordt gemaakt.

Ten aanzien van de brief van Amnesty International van 17 november 1994

overweegt de rechtbank nog als volgt. Amnesty International heeft daarin een standpunt ingenomen over de gegrondheid van de vrees voor vervolging van eiser dat geldt indien wordt uitgegaan van de verklaringen van eiser. Verweerder

heeft bij het oorspronkelijke thans onherroepelijk geworden besluit van 14 maart 1994 reeds als oordeel uitgesproken dat tegenstrijdigheid in de verklaringen van eiser ernstige afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn

verklaringen over zijn arrestatie, veroordeling en detentie in 1993 en dat eiser zijn overige verklaringen op geen enkele wijze heeft kunnen onderbouwen of aannemelijk kunnen maken. Verweerder heeft in het thans in geding zijnde

besluit onder meer aangegeven geen zelfstandige waarde te hechten aan de kopie van de FIS- lidmaatschapskaart nu deze niet kan worden onderworpen aan een authenticiteitsonderzoek, welk oordeel blijkens het vorenoverwogene naar het

oordeel van de rechtbank stand kan houden. Bij de rechtbank bestaat ernstige twijfel over de authenticiteit van het overgelegde document.

Gelet op het vorenoverwogene kan ook de brief van Amnesty International niet leiden tot een ander oordeel aangaande de gegrondheid van de vrees voor vervolging dan zoals reeds neergelegd in de oorspronkelijke beslissing van 14 maart

1994. De rechtbank kent geen overwegende betekenis toe aan het niet expliciet noemen van deze brief in het thans aan de orde zijnde bestreden besluit, nu zowel bij het nader gehoor van 30 januari 1995 als bij het gehoor door de AC

op 20 november 1997 de nadruk is komen te liggen op het overleggen van de lidmaatschaps-/ identiteitskaart van het FIS en uit het bestreden besluit het oordeel van verweerder over de aannemelijkheid van de verklaringen van eiser,

mede door verwijzing naar de beschikking van 14 maart 1994, voldoende duidelijk blijkt.

De rechtbank heeft geen aanwijzingen voor het oordeel dat een nadere heroverwegingsfase nog feiten of omstandigheden zal kunnen opleveren die een ander licht op de zaak kunnen werpen. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om met

toepassing van artikel 8:72, derde lid, Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 15 december 1997 in stand blijven. Het vorenstaande geldt evenzeer voor het besluit van 7 november 1996, nu in die

procedure de in aanvullend bezwaar overgelegde bescheiden dezelfde betreffen als die waarop de hernieuwde aanvraag van 17 januari 1995 is gestoeld.

Ten aanzien van eisers gestelde aanspraak op een vergunning tot verblijf overweegt de rechtbank het volgende.

Nu verweerder bij het bestreden besluit in de onderwerpelijke procedure AWB 98/668 wederom inhoudelijk en volledig is ingegaan op de aanspraak om een vergunning tot verblijf en de rechtbank in de eerdere beroepsprocedure AWB

97/30563 niet aan een toetsing van het door verweerder aangaande de aanspraak op een vergunning tot verblijf ingenomen standpunt is toegekomen, zal de rechtbank het in de onderwerpelijke procedure ter toetsing voorgelegde besluit op

dat punt beoordelen.

Ingevolge artikel 11, vijfde lid, van de Vw kan een vergunning tot verblijf aan de vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend. Verweerder voert met het oog op de bevolkings- en werkgelegenheidssituatie

hier te lande een beleid waarbij vreemdelingen in het algemeen slechts voor verblijf in aanmerking komen, indien met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel indien zij een reëel risico

lopen bij terugkeer een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) te ondergaan, of indien sprake is van overige klemmende redenen van humanitaire

aard.

Gesteld noch gebleken is dat met de aanwezigheid van eiser hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend.

Verweerder is, gelet op de situatie in Algerije, uitgebreid ingegaan op het risico bij terugkeer van een behandeling als bedoeld in artikel 3

van het EVRM. De rechtbank onderschrijft hetgeen dienaangaande door verweerder in het bestreden besluit is opgenomen en is met verweerder van oordeel dat uit hetgeen ten aanzien van eisers beroep op het vluchtelingschap is overwogen

voortvloeit dat eiser bij terugkeer naar zijn land van herkomst geen reëel risico loopt onderworpen te worden aan folteringen of aan onmenselijke behandeling, zoals bedoeld in artikel 3 van het EVRM.

Evenmin is het bestaan van klemmende redenen van humanitaire aard, op grond waarvan verblijf van eisers in Nederland zou moeten worden toegestaan, aannemelijk gemaakt.

Eiser heeft gesteld dat hij op grond van het zogeheten driejarenbeleid in aanmerking moet worden gebracht voor een vergunning tot verblijf.

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat niet wordt voldaan aan de voorwaarde voor toelating op grond van het driejarenbeleid, nu in geen van beide procedures tussen de datum van aanvraag en die van de beslissing op bezwaar

een periode van drie jaar is verstreken.

Gelet op de uitspraken van de Rechtseenheidskamer van 5 december 1996 (onder meer AWB 96/3298) en van 22 december 1998 (onder meer AWB 98/559) is er geen grond voor de conclusie dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen

besluiten eiser niet in aanmerking te brengen voor verlening van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf.

Conclusies in beide procedures

Uit het voorgaande vloeit voort dat het beroep tegen het besluit van 15 december 1997 voorzover gericht tegen de niet-ontvankelijk verklaring van de aanvraag van eiser om toelating als vluchteling, gegrond is. Het besluit zal in

zoverre worden vernietigd. De rechtbank acht het beroep gericht tegen het besluit van 15 december 1997 ongegrond voorzover het is gericht tegen de niet-inwilliging van het verzoek om een vergunning tot verblijf.

De rechtbank acht, gelet op het vorenoverwogene, evenwel termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het besluit van 15 december 1997 in stand te

laten.

Gelet op hetgeen hierboven is overwogen omtrent de twijfel aan de authenticiteit van het overgelegde novum ziet de rechtbank, niettegenstaande de gedeeltelijke gegrondverklaring van het tegen het besluit van 15 december 1997

ingestelde beroep, geen aanleiding om verweerder in de procedure AWB 98/668 met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten.

Bovendien vloeit uit het voorgaande voort dat het beroep gericht tegen het besluit van 7 november 1996 gegrond is zodat dit besluit zal worden vernietigd.

Eveneens ten aanzien van het vernietigde besluit van 7 november 1996 acht de rechtbank termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, de rechtsgevolgen in stand te laten.

De rechtbank veroordeelt verweerder in deze procedure AWB 97/3053 onder toepassing van artikel 8:75, eerste lid van de Awb in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten

bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal fl. 1.420,-- voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

* 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;* 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

* waarde per punt fl. 710,--;

* wegingsfactor 1.

De rechtbank wijst met toepassing van artikel 8:74, eerste lid van de Awb de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon die aan eiser de in beide zaken betaalde griffierechten, derhalve in totaal fl. 100,--, dient te vergoeden.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank,

ten aanzien van de procedure Awb 97/3053

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit na vernietiging

in stand blijven;

veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten vastgesteld op fl. 1.420,-- te vergoeden door de Staat der Nederlanden en te voldoen aan de griffier;

wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht van fl. 50,--;

ten aanzien van de procedure Awb 98/668

verklaart het beroep, voor zover dat is gericht tegen de niet-inwilliging van de aanvraag om toelating als vluchteling wegens de niet-ontvankelijkheid ervan op grond van artikel 15b, eerste lid, aanhef en onder b van de Vw, gegrond;

vernietigt het bestreden besluit in zoverre;

verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit na gedeeltelijke vernietiging in stand blijven;

wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht van fl. 50,--;

Aldus gedaan door mr. Y.J. Klik als rechter in tegenwoordigheid van M.L. van Veen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 4 januari 2000.

Afschriften verzonden: 19 januari 2000

TH