Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA6674

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-06-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 98/10114
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

enkelvoudige kamer

Uitspraak

artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 33a Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr.: AWB 98/10114 VRWET

inzake : A, wonende te B, eiser,

tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eiser, geboren op [...] 1970, bezit de Egyptische nationaliteit. Hij verblijft sedert 2 mei 1997 als vreemdeling in de zin van de Vw in Nederland. Op 24 maart 1998 heeft eiser bij de korpschef van de regiopolitie

Amsterdam-Amstelland een aanvraag ingediend om een vergunning tot verblijf met als doel "verblijf bij Nederlandse partner C". Bij besluit van 25 juni 1998 heeft verweerder op deze aanvraag afwijzend beslist. Eiser heeft tegen dit

besluit op 16 juli 1998 bezwaar gemaakt. Bij brief van 15 september 1998 is het bezwaar aangevuld. Dit bezwaar is bij besluit van 9 november 1998 ongegrond verklaard. Het besluit is bij brief van 9 november 1998 aan de gemachtigde

van eiser gezonden.

2. Bij beroepschrift van 1 december 1998, aangevuld bij brief van 22 december 1998, heeft mr. M. Berg, advocaat te Amsterdam, namens eiser tegen dit afwijzende besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft partijen

meegedeeld het beroep versneld te zullen behandelen. Op 9 februari 2000 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 5 april 2000 heeft verweerder geconcludeerd tot

ongegrondverklaring van het beroep.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 mei 2000. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. M. Berg, advocaat te Amsterdam. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. D. van den Berg,

gemachtigde, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van verweerders ministerie. Tevens was ter zitting aanwezig C.

II. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

2. Bij de beantwoording van die vraag gaat de rechtbank uit van de volgende feiten. Eisers partner werkt sinds 23 november 1996 op basis van een arbeidscontract bij het Leger des Heils voor 16 uur per week. Met ingang van 1

september 1997 is het aantal uren vastgesteld op minimaal 16 uur en maximaal 112 uur per periode van 4 weken. Er is sprake van een arbeidscontract voor onbepaalde tijd. Voorts werkt eisers partner vanaf 19 juli 1993 op basis van een

arbeidscontract voor onbepaalde tijd bij schoonmaakbedrijf D voor 10 uur per week. Vast staat dat zij met ingang van 1 oktober 1997 een netto inkomen heeft dat ten minste gelijk is aan het bestaansminimum in de zin van de Algemene

bijstandswet (Abw).

3. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij in aanmerking komt voor een vergunning tot verblijf op grond van het door verweerder gevoerde partnerbeleid. Eiser kan zich niet verenigen met het door verweerder ingenomen standpunt dat

zijn partner niet duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan. Daartoe voert hij aan dat zijn partner al zeer geruime tijd een inkomen verdient dat de normbedragen van het beleid dat is neergelegd in de

Vreemdelingencirculaire 1994 (Vc) ruimschoots te boven gaat. Naar het oordeel van eiser moet het bepaalde in hoofdstuk A4/.4.2.1 van de Vc van toepassing worden geacht, omdat in de onderhavige zaak sprake is van structureel

overwerk. Eiser beroept zich voorts op de uitspraak van deze rechtbank, zittinghoudende te Amsterdam van 26 augustus 1998 (AWB 97/8380, JV 1998, 209), waarin geconcludeerd wordt dat het van de invulling van de overeenkomst in de

praktijk afhangt welke rechtsgevolgen aan een oproepcontract kunnen worden verbonden.

4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser geen recht op toelating kan ontlenen aan het beleid inzake de toelating van partners, aangezien eisers partner niet duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan als

bedoeld in hoofdstuk B1/3.2.3 van de Vc.

Met betrekking tot de duurzaamheid van de inkomsten gaat verweerder uit van de in de arbeidsovereenkomsten gegarandeerde uren en inkomsten. Opgeteld heeft eisers partner een gegarandeerd inkomen dat niet tenminste gelijk is aan de

ten tijde van het bestreden besluit toepasselijke bijstandsnorm van ƒ 1929,64 netto per maand.

Vanwege de aard van de arbeidsovereenkomst bij het Leger des Heils, waarbij slechts een beperkt aantal uren wordt gegarandeerd, kan niet worden vastgesteld dat duurzaam wordt beschikt over voldoende inkomsten. Dat er in het verleden

feitelijk wel meer uren zijn gewerkt en inkomsten zijn ontvangen, maakt dit niet anders. Er is geen sprake van werkzaamheden met

een zodanig bestendig karakter dat op grond daarvan geconcludeerd kan worden dat de voldoende inkomsten daaruit voor tenminste een jaar beschikbaar zullen zijn. Verweerder acht van belang dat de mogelijkheid bestaat dat eisers

partner niet meer zal worden opgeroepen. Verweerder volgt de stelling van eiser, dat sprake is van structureel overwerk en daarmee getoetst moet worden aan het beleid dat is neergelegd in hoofdstuk A4/4.2.1 Vc, niet, aangezien een

oproepcontract wezenlijk verschilt van een situatie waarin wordt overgewerkt. Het aantal uren staat niet vast, dus er is ook geen sprake van overuren.

Vervolgens wijst verweerder op het feit dat eisers partner in 1996 en 1997 een uitkering krachtens de Abw heeft ontvangen, op grond waarvan niet geconcludeerd kan worden dat eisers partner steeds zelfstandig in haar inkomen heeft

kunnen voorzien.

Ter zitting heeft verweerder bevestigd dat eisers partner vanaf oktober 1997 over voldoende middelen van bestaan als bedoeld in hoofdstuk B1/3.2.3 van de Vc beschikt.

De rechtbank overweegt het volgende.

5. Ingevolge artikel 11 lid 5 Vw kan het verlenen van een vergunning tot verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend.

6. Verweerder voert bij de toepassing van dit artikellid het beleid dat vreemdelingen niet voor toelating in aanmerking komen, tenzij met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel klemmende

redenen van humanitaire aard of verplichtingen voortvloeiende uit internationale overeenkomsten tot toelating nopen. Dit beleid is neergelegd in de Vc.

7. Ingevolge hoofdstuk B1/3 van de Vc is één van de voorwaarden om in aanmerking te komen voor toelating op grond van het door verweerder gevoerde partnerbeleid, dat degene bij wie toelating wordt beoogd duurzaam moet beschikken

over voldoende middelen van bestaan in de zin van de Vw.

8. Onder voldoende middelen van bestaan wordt verstaan een netto-inkomen dat tenminste gelijk is aan het bestaansminimum in de zin van de Abw, dat wil zeggen ten minste het netto-normbedrag voor de desbetreffende categorie

echtparen/gezinnen.

9. Ingevolge hoofdstuk B1/3.2.3.2 van de Vc worden middelen van bestaan als duurzaam beschouwd indien deze voor een periode van nog tenminste een jaar beschikbaar zijn. Ingevolge hoofdstuk B1/3.2.3.3 van de Vc kunnen inkomsten uit

arbeid op basis van een arbeidsovereenkomst (inclusief uitzendwerk) met een duur van korter dan een jaar in afwijking van de hoofdregel als duurzaam worden aangemerkt indien ten tijde van de aanvraag door degene bij wie verblijf

beoogd wordt reeds gedurende drie jaar onafgebroken is gewerkt en in die gehele periode een inkomen uit arbeid is verworven dat ten minste gelijk is aan het toepasselijke bestaansminimum in de zin van de Abw.

Deze inkomsten uit arbeid moeten dan nog minimaal zes maanden beschikbaar zijn.

10. Vast staat dat de door de partner van eiser genoten inkomsten vanaf 1 oktober 1997 feitelijk boven dit bestaansminimum in de zin van de Abw lagen. Verweerder stelt zich evenwel op het standpunt dat de inkomsten die eisers

partner heeft genoten voor de uren die zij heeft gewerkt bij het Leger des Heils boven de gegarandeerde uren, niet als duurzaam kunnen worden aangemerkt. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

11. In casu heeft eisers partner al vanaf september 1997 op basis van het contract waarin bepaald wordt dat minimaal 16 uur per periode en maximaal 112 uur per periode gewerkt kan worden, feitelijk steeds 112 uur of meer gewerkt. Op

grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een stabiel arbeidspatroon. Op basis van dit arbeidspatroon, gezien het feit dat sprake is van een contract voor onbepaalde tijd en mede gezien de lange periode waarin

inmiddels meer dan de minimaal gegarandeerde uren gewerkt is, kan verweerder in dit geval niet volstaan met de enkele constatering

dat er geen sprake is van duurzame inkomsten.

12. Door enkel uit te gaan van de gegarandeerde uren zoals bedongen in het contract van 9 september 1997, heeft verweerder zich onvoldoende rekenschap gegeven van de feitelijke invulling van het contract. Door op die grond deze

werkzaamheden en de daaruit genoten inkomsten buiten beschouwing te laten, lijdt het bestreden besluit aan een motiveringsgebrek en kan het dan ook niet in stand worden gelaten. Het beroep zal gegrond worden verklaard en het

bestreden besluit vernietigd onder bepaling dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen.

13. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken.

Deze kosten zijn begroot op ƒ 1420,- als kosten van verleende rechtsbijstand.

14. Ingevolge artikel 8:74 lid 1 Awb, dient het griffierecht te worden vergoed door de rechtspersoon, aangewezen door de rechtbank.

15. De rechtbank beslist daarom als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad ƒ 210,- .

5. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op ƒ 1420,-, te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier.

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2000, door mr. D. Radder, rechter, in tegenwoordigheid van mr. G. J. Michiels van Kessenich, griffier.

Afschrift verzonden op: 23 juni 2000

Conc: RW

Coll:

Bp: -

D: B