Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA6673

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-06-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 00/3094
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:81, geldigheid: 2000-06-19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

president

Uitspraak

op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) j° artikel 33a Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr.: AWB 00/3094 S1813

inzake : A, verzoekster, wonende te Pakistan,

tegen : de Minister van Buitenlandse Zaken, verweerder.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Verzoekster, geboren op [...] 1968, bezit de Pakistaanse nationaliteit. Op 4 februari 2000 heeft B (hierna: referent) namens verzoekster en mede ten behoeve van haar twee minderjarige kinderen C, geboren op [...] 1989, en D,

geboren op [...] 1996,

verzocht om afgifte van een visum voor familiebezoek voor de duur van negentig dagen. Bij besluiten van 18 april 2000 heeft verweerder afwijzend op de aanvragen beslist. Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen deze besluiten bij

brief van 12 mei 2000.

2. Bij verzoekschrift van 15 mei 2000 heeft verzoekster de president van de rechtbank verzocht "een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat zij en haar kinderen dienen te worden beschouwd als waren zij in het bezit van een

visum voor kort verblijf voor de duur van negentig dagen, bij de heer B, tot vier weken nadat op het bezwaarschrift van

12 mei zal zijn beslist, met bepaling dat die visa door de Nederlandse vertegenwoordiging te Islamabad zullen worden afgegeven binnen twee weken na de uitspraak op het onderhavige verzoekschrift". Op 23 mei 2000 zijn de op de zaak

betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In zijn verweerschrift van 9 juni 2000 heeft verweerder geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek en tot ongegrondverklaring van het bezwaar met toepassing van

artikel 33b van de Vw.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juni 2000.

Verzoekster is aldaar vertegenwoordigd door mr. M. Tjebbes, advocaat te Amsterdam. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door gemachtigde mr. T.H.T.W. Zee, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het

Ministerie van Justitie. Tevens was referent ter zitting aanwezig.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van artikel 33d van de Vw worden besluiten omtrent de afgifte van visa, gegeven krachtens het Souverein Besluit van 12 december 1813, voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, gelijkgesteld

met besluiten aangaande de toelating, gegeven op grond van de Vw. De (president van de) rechtbank is dan ook bevoegd.

2. In artikel 8:81 van de Awb is bepaald dat indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, dan wel voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de

president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

3. Aan de orde is de vraag of er aanleiding bestaat de gevraagde voorlopige voorziening te treffen.

4. De president oordeelt op basis van de volgende feiten. Referent heeft de Nederlandse nationaliteit. Hij is de echtgenoot van verzoekster. D is uit dit huwelijk geboren. Verzoekster heeft in 1996 de huwelijksakte en geboorteaktes

van haarzelf en de kinderen bij de Nederlandse ambassade te Islamabad, Pakistan, ter legalisatie aangeboden. De geboorteaktes zijn gelegaliseerd. De ambassade heeft geweigerd de huwelijksakte te legaliseren omdat de datum waarop het

huwelijk volgens de akte is gesloten niet overeenkomt met verklaringen ter zake van informanten. Verzoeksters beroep tegen de handhaving van dit besluit ligt thans voor aan de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam.

5. Verzoekster meent dat zij een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening. Gedwongen door de situatie - gezinshereniging met referent is al tijden niet mogelijk omdat haar verzoek om legalisatie van de benodigde stukken

in een slepende procedure is ontaard - leeft verzoekster nu geruime tijd gescheiden van referent. Zij lijdt erg onder de langdurige scheiding en dit heeft een negatieve invloed op haar toch al niet beste gezondheid - zij heeft

suikerziekte. Volgens de behandelend artsen zou het haar goed doen om de vakantie bij referent door te brengen. De zomer is bij uitstek geschikt voor een bezoek: de kinderen hebben vrij van school en referent heeft de mogelijkheid

hen te ontvangen. Een bijkomstig voordeel van een bezoek aan Nederland zou zijn dat dan middels DNA-onderzoek kan worden vastgesteld dat C geen kind van referent is, hetgeen kracht bij zou zetten aan het door verzoekster in de

legalisatieprocedure ingenomen argument, dat het huwelijk niet eerder dan in de huwelijksakte is vermeld, is gesloten. Dat de wettelijke beslistermijn nog niet is verstreken, maakt in dit geval niet dat geen sprake is van

onverwijlde spoed. De spoedeisendheid is in casu een gegeven nu redelijkerwijs niet valt te twijfelen over de gegrondverklaring van het bezwaar. In de eerste plaats is haar ten onrechte tegengeworpen dat referent niet over voldoende

middelen beschikt. Onduidelijk is welk normbedrag verweerder voor ogen heeft gestaan. Referent beschikt over een netto inkomen dat ruim boven het voor hem geldende bestaansminimum, de bijstandsnorm voor alleenstaanden, ligt en

inmiddels zelfs, volgens verzoekster ter zitting, boven de - ten onrechte door verweerder gehanteerde - bijstandsnorm voor een gezin, nu hij loonsverhoging heeft gehad. Ten tweede is er geen redelijke grond om vestigingsgevaar aan

te nemen. Dat verzoekster de intentie heeft zich te zijner tijd bij haar echtgenoot hier te lande te vestigen, is onvoldoende voor die conclusie. Het feit dat zij al geruime tijd vanuit Pakistan probeert de gezinshereniging met haar

echtgenoot te regelen, duidt eerder op het tegendeel. Verzoekster beoogt met de onderhavige aanvraag uitsluitend vakantiebezoek. In het kader van de spoedeisendheid heeft verzoekster overigens nog opgemerkt dat in zaken waarin om

kortdurend verblijf wordt gevraagd, al snel sprake is van een spoedeisend belang. In

dit verband heeft verzoekster erop gewezen dat de unit van verweerder die visumaanvragen behandelt, een notoir slechte naam heeft waar het op spoedig beslissen aankomt. Het is niet ongebruikelijk dat het een jaar duurt voordat op

een aanvraag of bezwaar wordt beslist. Ter zitting heeft verzoekster haar vordering nader toegespitst. Zij verzoekt primair om verweerder te gebieden haar en de kinderen te behandelen als waren zij in het bezit van de gevraagde visa

en subsidiair om een termijn te bepalen waarbinnen op het bezwaar moet zijn beslist, al dan niet gelijk aan de wettelijke beslistermijn.

6. Verweerder meent dat verzoekster niet heeft aangetoond dat zij een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening. Zo heeft zij niet aangetoond dat het bezoek aan referent vanwege haar suikerziekte niet langer kan worden

uitgesteld. Daarbij komt dat niet is gebleken dat referent verzoekster en de kinderen niet in Pakistan kan opzoeken. Ook de omstandigheid dat verzoekster hier te lande een DNA-onderzoek wil laten verrichten, noopt niet tot het

aannemen van een spoedeisend belang. Voorts is terecht geconcludeerd dat verzoekster geen aanspraak op een visum kan ontlenen aan het in hoofdstuk B15 van de Vreemdelingencirculaire 1994 neergelegde visumbeleid. Er zijn aanwijzingen

dat verzoekster in feite beoogt zich thans in Nederland te vestigen. Nu zij voornemens is zich in de toekomst bij referent te vestigen, is dat duidelijk. Bovendien beschikt referent niet over een duurzaam inkomen dat minimaal gelijk

is aan de toepasselijke bijstandsnorm, die voor een gezin, en kan hij zich dus niet garant stellen voor verzoekster. Voor zover uit de ter zitting getoonde bescheiden blijkt dat referent thans wel aan de norm voldoet, blijft de

uitkomst van de procedure gelijk, gelet op het feit dat sprake is van vestigingsgevaar.

7. De president overweegt het volgende.

8. Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de Uitvoeringsovereenkomst bij het Akkoord van Schengen (Trbl. 1990, 154) is een eenvormig visum ingesteld dat geldig is voor het gehele grondgebied van de overeenkomstsluitende partijen van

het Akkoord van Schengen. Vreemdelingen die ten hoogste drie maanden tijdelijk in Nederland wensen te verblijven moeten - behoudens uitdrukkelijke vrijstelling - in het bezit zijn van een paspoort voorzien van een visum.

9. Verweerder voert met het oog op de bevolkings- en

werkgelegenheidssituatie hier te lande bij de verlening en weigering van visa een restrictief toelatingsbeleid. Dit beleid is neergelegd in de hoofdstukken A4 en B15 van de Vreemdelingencirculaire 1994. Hierin is, voor zover hier

van belang, bepaald dat voor verblijf voor familiebezoek als voorwaarden voor de afgifte van een visum gelden dat de vreemdeling beschikt over voldoende middelen van bestaan, dat het reisdocument de wedertoelating van de vreemdeling

moet waarborgen en dat tegen het verblijf van de vreemdeling geen bezwaar mag bestaan uit hoofde van de openbare orde, de openbare rust of de nationale veiligheid. Verweerder meent - in zijn algemeenheid - dat indien gegronde vrees

bestaat dat de vreemdeling zich in Nederland zal vestigen, er uit hoofde van de openbare orde bezwaar bestaat tegen verblijf hier te lande op visumbasis. Het belang van de openbare orde wordt immers geschaad, indien afgifte van een

reisvisum leidt tot illegaal verblijf. Dit laatste mag worden aangenomen indien gegronde vrees bestaat dat de betrokken vreemdeling zich in Nederland wil vestigen.

10. De president acht de aangevoerde belangen en persoonlijke omstandigheden niet van zodanige aard dat de conclusie gerechtvaardigd is dat verzoekster een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening.

De stelling over haar gezondheid is bovendien niet nader onderbouwd. Voorts is in dit geval geen sprake van een evident onjuist besluit dan wel een bezwaar met een hoge kans van slagen. Weliswaar wordt de tegenwerping dat referent

niet over voldoende middelen beschikt - daargelaten of de door

verweerder gehanteerde norm juist is - mogelijk niet als weigeringsgrond gehandhaafd, nu ter zitting is gesteld dat referent thans ruim voldoende middelen heeft, maar verweerders stelling dat vestigingsgevaar bestaat, is niet zonder

meer ongegrond, al moet verzoekster worden toegegeven dat deze evenmin geheel overtuigend is gemotiveerd. Gelet op dit laatste kan een redelijke kans van slagen het bezwaar niet worden ontzegd. Dat is echter onvoldoende om een

spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening aan te nemen.

11. Verzoekster heeft gesteld dat de behandeling van een bezwaarschrift tegen de weigering een visum af te geven lang tot zeer lang duurt.

Verweerder heeft dat niet bestreden en ook, desgevraagd, geen enkele indicatie kunnen geven over de termijn waarop in dit geval op het bezwaar zal zijn beslist. Gelet op het feit dat de wettelijke beslistermijn, neergelegd in

artikel 6:7 van de Awb, nog niet is verstreken, leidt dit thans nog niet tot de conclusie dat sprake is van een spoedeisend belang.

De president kan zich echter voorstellen dat wanneer deze termijn is verstreken zonder dat er op bezwaar is beslist, mogelijk een andere afweging wordt gemaakt op een verzoek als het onderhavige.

12. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, ziet de president thans geen aanleiding de gevraagde voorziening te treffen nu een spoedeisend belang daarbij ontbreekt.

13. Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de fungerend president niet gebleken.

III. BESLISSING

De president

wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2000, door mr. J.P. Smit, fungerend president, in tegenwoordigheid van mr. Y.M.J. Lemmens, griffier.

Afschrift verzonden op: 22 juni 2000

Conc: YL

Coll:

Bp: -

D: B