Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA6672

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-05-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 98/10791
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2000/211

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

enkelvoudige kamer

Uitspraak

artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 33a Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr.: AWB 98/10791 VRWET

inzake : A, wonende te B, eiseres,

tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eiseres, geboren op [...] 1970, bezit de Pakistaanse nationaliteit.

Op 12 juni 1998 heeft eiseres bij de korpschef van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland een aanvraag ingediend om verlening van een vergunning tot verblijf voor verblijf bij de Nederlandse echtgenoot C (verder: referent). Bij

besluit van 28 oktober 1998 heeft verweerder op deze aanvraag afwijzend beslist. Eiseres heeft tegen dit besluit op 20 november 1998 bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is bij besluit van 27 november 1998 ongegrond verklaard.

2. Bij beroepschrift van 23 december 1998, aangevuld met gronden op 2 februari 1999, heeft eiseres tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft partijen meegedeeld het beroep versneld te zullen behandelen.

Op 15 maart 1999 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. Eiseres heeft haar beroepsschrift aangevuld bij brieven van 1 april 1999, 19 november 1999 en 16 december 1999. In het

verweerschrift van 26 januari 2000 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep. Eiseres heeft haar standpunt nog nader onderbouwd bij schrijven van 1 februari 2000.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 maart 2000. Eiseres is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. E. Akkermans, advocaat te Amsterdam. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. D.J. de

Jong, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van verweerders ministerie. Tevens waren referent en A. Baksoellah, tolk, ter zitting aanwezig.

II. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

2. Bij de beantwoording van die vraag gaat de rechtbank uit van de volgende feiten.

Op 28 oktober 1997 heeft de Minister van Buitenlandse zaken besloten tot de afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aan eiseres. Op 29 mei 1998 is eiseres in het bezit van een geldige mvv Nederland ingereisd. Zij

heeft vervolgens op 12 juni 1998 de onderhavige aanvraag ingediend.

3. Eiseres meent dat zij recht op toelating kan ontlenen aan het beleid inzake verblijf bij echtgenoot zoals neergelegd in hoofdstuk B1/1 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 1994.

Op het moment dat namens de Minister van Buitenlandse zaken een positief advies is afgegeven omtrent de afgifte van een mvv aan eiseres, beschikte referent duurzaam over voldoende middelen van bestaan. Echter, in november 1997 is

referent onvrijwillig werkloos geworden. Hij moest zijn werkzaamheden beƫindigen omdat zijn werkgever zich niet aan de wet hield en een slechte werkgever bleek te zijn. De loonstrookjes waren onjuist - het sofinummer werd

bijvoorbeeld niet vermeld -, het loon werd te laat uitgekeerd en er werd te weinig loon uitgekeerd. Referent heeft zich hierover beklaagd en de werkgever deelde referent daarop mee dat er geen werk meer voor hem was en dat het

bedrijf failliet ging. Naar aanleiding van deze mededeling ging referent op zoek naar ander werk. Hij heeft geen

ontslagbrief ontvangen. Nu referent onvrijwillig werkloos is geworden, kon het niet voldoen aan het middelenvereiste niet aan eiseres worden tegengeworpen. Ook in het rapport van de vreemdelingendienst van 9 juli 1998, is op 13 juli

1998 met de hand bijgeschreven dat de aanvraag van eiseres ingewilligd kon worden indien referent onvrijwillig werkloos was geworden. Het feit dat referent van de Sociale Dienst een bijstandsuitkering zonder strafkorting heeft

ontvangen, ondersteunt zijn stelling dat hij niet verwijtbaar werkloos was.

Voorts is van belang dat referent sinds 1992 in het arbeidsproces is opgenomen. Uit de overgelegde jaaropgaven blijkt dat hij al deze jaren een inkomen boven bijstandsniveau heeft gehad. Sinds 15 december 1997 heeft referent een -

overigens slechts aanvullende - bijstandsuitkering ontvangen. Naast deze bijstandsuitkering heeft referent uitzendwerk verricht. Op 5 oktober 1998 is referent een arbeidsovereenkomst voor de duur van zes maanden aangegaan met D

Catering. Gelet op het arbeidsverleden van referent was het ten tijde van het bestreden besluit zeer aannemelijk dat in de toekomst geen beroep zou worden gedaan op de openbare kas. Verweerder heeft dit onvoldoende meegewogen in het

bestreden besluit.

Bovendien was ten tijde van het bestreden besluit bekend dat de arbeidsovereenkomst met D Catering op 2 april 1999 zou worden omgezet - en deze is inmiddels ook daadwerkelijk omgezet - in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde

tijd. Verweerder wist aldus dat eiseres op korte termijn wel zou voldoen aan alle toelatingscriteria van het voornoemde beleid. Verweerder heeft dan ook in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en met name in

strijd met het fair play beginsel gehandeld door niet tot 2 april 1999 te wachten met het nemen van een beslissing op bezwaar. Eiseres verwijst in dit verband naar een uitspraak van de president van deze rechtbank, zittinghoudende

te Haarlem, van 9 oktober 1998, gepubliceerd in JV 1998, 228. Het feit dat eiseres bij een nieuwe aanvraag (opnieuw) moet voldoen aan het mvv vereiste, en terug zal moeten reizen naar Pakistan, was een reden te meer voor verweerder

om met het besluit op bezwaar te wachten tot 2 april 1999.

Tot slot is het bestreden besluit in strijd met het door artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) gewaarborgde recht op respect voor het familie- en

gezinsleven.

Ter zitting heeft eiseres gesteld dat het bestreden besluit in strijd is met het beleid zoals dit in hoofdstuk A4/5.3 van de Vc 1994 is neergelegd.

In dit hoofdstuk is bepaald dat aan de houder van een geldige mvv, uit het oogpunt van rechtszekerheid, slechts in uitzonderlijke gevallen een vergunning tot verblijf kan worden geweigerd. Eiseres mocht er dan ook op vertrouwen dat

aan haar een vergunning tot verblijf zou worden verleend.

Ook wanneer het gaat om een verlenging van een vergunning tot verblijf mag het middelenvereiste niet worden tegengeworpen. Het feit dat hoofdstuk A4/5.3 van de Vc het tegenwerpen van het middelenvereiste wel expliciet toestaat,

maakt dit niet anders. De in dit hoofdstuk genoemde gevallen waarin een vergunning tot verblijf mag worden geweigerd aan houders van een mvv, zijn dusdanig ruim dat dit neerkomt op een toepassing van het normale toelatingsbeleid.

Het beleid is op dit punt tegenstrijdig. Eiseres wijst in dit verband op de noot van B.K. Olivier bij een uitspraak van deze rechtbank, zittinghoudende te Amsterdam, van 15 april 1999, gepubliceerd in JV 1999, 129.

4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres niet voldoet aan de criteria voor het beleid inzake verblijf bij echtgenoot nu referent ten tijde van de aanvraag noch ten tijde van het bestreden besluit, duurzaam beschikte

over voldoende middelen van bestaan. Referent heeft naar zeggen van zijn werkgever zelf ontslag genomen. Referent heeft geen feiten of omstandigheden aangedragen die tot een ander oordeel kunnen leiden. De

omstandigheid dat referent eventueel na 2 april 1999 op grond van een vaste arbeidsovereenkomst bij zijn huidige werkgever werkzaam zal zijn, was op het moment van het bestreden besluit een onzekere toekomstige gebeurtenis waarmee

geen rekening kon worden gehouden.

Er zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht of gekomen op grond waarvan eiseres om andere klemmende redenen van humanitaire aard in het bezit dient te worden gesteld van een vergunning tot verblijf. De weigering

eiseres hier te lande verblijf toe te staan betekent geen schending van het door artikel 8 EVRM gewaarborgde recht op respect voor het familie- en gezinsleven.

In het verweerschrift stelt verweerder dat de vraag of referent al dan niet verwijtbaar werkloos is niet ter zake doet nu het verwijtbaarheidscriterium geen deel uitmaakt van het toelatingsbeleid. Voorts staat het verweerder in

principe vrij om op ieder moment op een bezwaar te beslissen zolang dit niet in strijd is te achten met algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

Niet valt in te zien waarom verweerder tot 2 april 1999 had moeten wachten met de beslissing op bezwaar, met name omdat reeds bij de aanvraag aan alle toelatingsvoorwaarden voldaan dient te worden.

De rechtbank overweegt het volgende.

5. Ingevolge artikel 11 lid 5 Vw kan het verlenen van een vergunning tot verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend.

6. Verweerder voert bij de toepassing van dit artikellid het beleid dat vreemdelingen niet voor toelating in aanmerking komen, tenzij met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel klemmende

redenen van humanitaire aard of verplichtingen voortvloeiende uit internationale overeenkomsten tot toelating nopen. Dit beleid is neergelegd in de Vc 1994.

7. Eiseres beoogt verblijf in Nederland met als doel verblijf bij haar Nederlandse echtgenoot. Het op dit punt door verweerder gevoerde beleid is neergelegd in hoofdstuk B1/1 van de Vc 1994. Voor toelating van de echtgenote van een

Nederlander is - onder meer - vereist dat degene bij wie toelating als gezinslid wordt beoogd duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan in de zin van de Vw.

8. Onder voldoende middelen van bestaan wordt verstaan een netto-inkomen dat tenminste gelijk is aan het bestaansminimum in de zin van de Algemene Bijstandswet, dat wil zeggen ten minste het netto-normbedrag voor de desbetreffende

categorie echtparen/gezinnen. Middelen van bestaan worden als duurzaam beschouwd indien deze voor een periode van nog tenminste een jaar beschikbaar zijn.

9. Een aanvraag om een mvv wordt getoetst aan dezelfde criteria als die welke strekken tot het verkrijgen van een vergunning tot verblijf.

10. Bij besluit van 28 oktober 1997 is namens de Minister van Buitenlandse zaken besloten tot afgifte van een mvv aan eiseres. Eiseres voldeed op dat moment aan de hiervoor genoemde toelatingsvoorwaarden.

11. In hoofdstuk A4/5.3 van de Vc 1994 is - voorzover hier van belang - neergelegd dat een aanvraag om toelating slechts in behandeling wordt genomen indien de vreemdeling in het bezit is van een geldige mvv. De houder van een

geldige mvv dient zich binnen een termijn van drie dagen te melden bij de korpschef en wordt dan in de gelegenheid gesteld een aanvraag om een vergunning tot verblijf in te dienen. Aan de houder van een geldige mvv kan, uit het

oogpunt van rechtszekerheid, slechts in uitzonderlijke gevallen een vergunning tot verblijf worden geweigerd. Hiervan is - onder meer - sprake indien de vreemdeling niet langer voldoet aan de voor toelating gestelde vereisten.

12. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het ook in het beleid genoemde rechtszekerheidsbeginsel en gezien het uitzonderingskarakter van de weigering van een vergunning tot verblijf aan de houder van een geldige mvv, verweerder

uiterst zorgvuldig te werk dient te gaan wanneer een

weigering wordt overwogen. De relevante omstandigheden dienen op een nauwkeurige wijze te worden onderzocht en de weigering dient op zeer zorgvuldige wijze te worden gemotiveerd. Het uitzonderingskarakter van een dergelijke

weigering wordt door verweerder onvoldoende onderkend wanneer louter, nogmaals, aan de toelatingscriteria wordt getoetst. Er zou dan immers geen verschil meer bestaan tussen de toetsing ten tijde van de mvv-aanvraag en de toetsing

ten tijde van de daarop volgende aanvraag om een vergunning tot verblijf. Daarmee zou de betekenis van het, uit het oogpunt van de rechtszekerheid aan een dergelijke weigering toekomende uitzonderingskarakter komen te ontvallen.

13. In het onderhavige geval heeft verweerder onvoldoende blijk gegeven van een bij een dergelijk uitzonderingskarakter passende besluitvorming. De rechtbank wijst er daarbij allereerst op dat niet meer in geschil is dat de partner

van eiser over voldoende middelen van bestaan beschikt, doch dat nog slechts de duurzaamheid van die middelen wordt betwist. De rechtbank is van oordeel dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat het arbeidsverleden van referent,

de omstandigheden waaronder hij zijn werk in november 1997 heeft verloren, zijn inspanningen om daarna weer aan het werk te komen en het feit dat hij ten tijde van het bestreden besluit over een arbeidscontract voor 6 maanden

beschikte, voldoende zorgvuldig zijn onderzocht en meegewogen in de besluitvorming, en met name niet welk gewicht aan deze factoren moet worden toegekend gezien het uitzonderingskarakter van onderhavige weigering.

14. Gelet op het voorgaande, concludeert de rechtbank dat het bestreden besluit op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd. Het bestreden besluit dient dan ook te worden vernietigd.

15. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten

zijn begroot op Fl. 1420,- als kosten van verleende rechtsbijstand.

16. Ingevolge artikel 8:74 lid 1 Awb, dient het griffierecht te worden vergoed door de rechtspersoon, aangewezen door de rechtbank.

De rechtbank beslist daarom als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiseres betaalde griffierecht ad Fl. 210,- (zegge tweehonderdentien gulden);

5. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op Fl. 1420, (zegge duizendvierhonderdentwintig), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier.

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 3 mei 2000, door mr. J.P. Smit, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.J. de Jong, griffier.

Afschrift verzonden op: 18 mei 2000

Conc:AJ

Coll:

Bp: -

D: B